Geestelijke gezondheidszorg ontoereikend voor kinderen met complexe problematieken

 Leestijd: 7 minuten0

Kinderen en jongeren met complexe problematieken zijn de grootste slachtoffers van de ondergefinancierde geestelijke gezondheidszorg. Oplopende wachttijden doen ernstige psychische problemen of aandoeningen nog toenemen. Niet alleen het recht op zorg maar ook op onderwijs en vrije tijd komen hierdoor in het gedrang.

De tweede Staten-Generaal van de Geestelijke Gezondheidszorg (SGGG) maakte afgelopen zaterdag (20/03) duidelijk dat psychisch kwetsbare kinderen, jongeren en jongvolwassenen het zwaarst lijden onder een ontoereikende geestelijke gezondheidszorg. Wachttijden in de zorg zijn het langst bij minderjarigen, wat leidt tot escalerende klachten en meer dringende situaties.

Een maand geleden bracht het Kinderrechtencommissariaat zijn rapport Gewoon Complex uit, waarmee het dezelfde problematiek onder de aandacht bracht. Vanuit het perspectief van de kinderrechten is het niet te verantwoorden dat jongeren met specifieke zorgnoden stuiten op wachtlijsten, of gewoon geen toegang vinden tot gepaste zorg. Indien er wel plek is, biedt die zich onvoldoende aan als veilige haven waar ouders, pleegouders en andere voorzieningen ondersteuning vinden om mee goede zorg te kunnen blijven bieden.

Psychologische impact van de pandemie

Kinder- en jeugdpsychiater Sofie Crommen deelde op vrijdag 12 maart 2021 haar bevindingen met de Bijzondere commissie voor het onderzoek naar de aanpak van de Covid-19-epidemie van de Kamer.

Kinderpsychiater Sofie Crommen: ‘Een kwart van het budget voor geestelijke gezondheidszorg moet geïnvesteerd worden in kinderen en jongeren. België komt amper aan 6 à 7%’

Als lid van de Belgian Pediatric Task Force Covid-19 had Crommen het over de psychologische impact van de pandemie op kinderen en jongeren. Nieuwe psychische problemen of aandoeningen dienden zich tijdens de coronacrisis aan en bestaande psychische problemen of aandoeningen verergerden. Een kleine groep kinderen en jongeren functioneerde net beter door de crisis. Crommen merkte “tot haar grote spijt en verontwaardiging” ook op dat heel veel kinderen en jongeren wegens wachtlijsten geen toegang vinden tot hulpverlening.

Volgens Crommen, tevens voorzitter van de Vlaamse Vereniging voor Kinder- en jeugdpsychiatrie, is België niet op een dergelijke crisissituatie voorbereid. “Ook zonder corona heeft 20% van de kinderen en jongeren last van psychische problemen en lijdt 6% aan ernstige kinderpsychiatrische aandoeningen.”

Daarom beveelt ze aan om na de pandemie te zorgen voor een performante hulpverlening. “Alleen dan is er een realistische basis om in tijden van pandemie een versnelling hoger te kunnen schakelen. Anders blijf je verschrikkelijk hard achter de feiten aanhollen, blijft het brandjes blussen en blijven kinderen, jongeren en hun ouders in de kou staan.”

Het tekort aan hulpverlening is het gevolg van een volledig ontoereikende financiering van de geestelijke gezondheidszorg, zegt Crommen aan Apache. In de Commissie illustreerde ze dat met cijfers: “Minstens 10 en liefst 12% van het totale gezondheidszorgbudget moet gaan naar geestelijke gezondheidszorg, maar België blijft steken op 6%. 25% van dit budget moet volgens de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) geïnvesteerd worden in de geestelijke gezondheid van kinderen- en jongeren. Nu is dat amper 6 à 7%.”

“Wanneer de geestelijke gezondheidszorg voor kinderen en jongeren niet in zijn geheel ernstig wordt versterkt, blijft het voor onze jeugd lapwerk en bricoleren in de marge”, zei Crommen nog in de Commissie.

Complexe problematieken

Volgens Crommen zijn de complexe problematieken niet alleen tijdens de pandemie, maar ook door de jaren heen toegenomen. “We zien meer kinderen en jongeren die zwaar suïcidaal zijn, die automutileren of agressief reageren en op de spoedgevallendiensten terechtkomen. Daar kunnen allerlei onderliggende redenen voor zijn, zoals een depressie, psychose of mishandelingssituatie.”

Sofie Crommen: ‘Als een kind ADHD heeft, daarnaast ook autisme, en bovendien ook delinquent gedrag vertoont, dan is de problematiek vaak complex’

“Wanneer veel problemen samenkomen, dan kan je je voorstellen dat het probleem van een kind of een jongere complex wordt”, zegt Crommen. “Voorbeelden daarvan zijn jongeren met een zwakke begaafdheid of een lichte verstandelijke handicap, die daar bovenop nog jeugdpsychiatrische problemen hebben, zoals bijvoorbeeld een psychose. Als een kind ADHD heeft, daarnaast ook autisme, en bovendien ook delinquent gedrag vertoont, dan is de problematiek vaak complex”, zegt Crommen.

Naarmate een kind of jongere in meer levensdomeinen uitvalt, worden de problemen complexer. “Wanneer een kind niet meer naar school kan gaan, rukken de ouders zich de haren uit het hoofd, omdat hun zoon of dochter thuis erg prikkelbaar is en agressief reageert. Het is een onbeheersbare situatie.”

Leen Ackaert, beleidsadviseur bij het Kinderrechtencommissariaat, werkte twee jaar lang aan het rapport Gewoon Complex. Aan Apache zegt ook zij dat kinderen met complexe problematieken op veel vlakken zwaar moeten inboeten. “Wanneer we dat toetsen aan het Kinderrechtenverdrag, blijkt dat niet alleen het recht op zorg in het gedrang komt, maar ook onder meer het recht op onderwijs, vrije tijd en gezondheid.

‘Het loopt structureel verkeerd’

Het besef leeft bij Ackaert en Crommen dat er vanalles structureel verkeerd loopt. Ackaert pleit ervoor dat kinderen en jongeren niet langer het slachtoffer mogen zijn van een complex zorgsysteem. “Voor de juiste aanpak vertrek je best vanuit de jongere, in plaats van vanuit het systeem. Helaas bestaat goede zorg op maat voor de jongere meestal niet. Bovendien zien we het systeem als een wirwar van sectoren door de manier waarop het georganiseerd is”, zegt Ackaert.

Sofie Crommen: ‘Wanneer minister Beke zegt dat de zorg ‘vraaggestuurd’ en niet ‘aanbodgestuurd’ moet zijn, is daar niks mis mee. Maar er moet wel een antwoord zijn op de vraag’

Sofie Crommen noemt de voorzieningen voor jongeren met complexe problematieken zeer verbrokkeld en onoverzichtelijk georganiseerd, waardoor hulpvragers geen goed overzicht hebben. Ze voert een pleidooi voor een structureel goed georganiseerde geestelijke gezondheidszorg. “Voor volwassenen en voor kinderen. Pas wanneer we een goede basis hebben, kunnen we over zaken als een pandemie ernstig gaan nadenken. Nu is onze basis al niet goed.”

De jeugdpsychiater beschrijft de geestelijke gezondheidszorg als een lappendeken met verschillende organisaties en diensten, met verschillende ministers die verantwoordelijk zijn voor allerlei onderdelen. Dat maakt dat niemand het totaalplaatje overziet. “De hete aardappel wordt vaak doorgeschoven. Dat is een bedenking van de Staten-Generaal. We willen een minister die de verantwoordelijkheid draagt voor het geheel.”

Federaal minister van Gezondheid Frank Vandenbroucke (Vooruit) bedoelt het volgens Crommen goed met de uitbreiding van de mobiele teams en de eerstelijnspsychologen. “Uiteraard zijn wij daar blij mee, maar het hele plaatje moet structureel hertekend worden: zowel de ambulante zorg, als de ziekenhuissector, als de MFC’s (multifunctionele centra) en de OBC’s (observatie- en behandelcentra). Als je dat niet doet, verandert er niets fundamenteels.”

“Wanneer Vlaams minister van Welzijn Wouter Beke (CD&V) zegt dat de zorg ‘vraaggestuurd’ en niet ‘aanbodgestuurd’ moet zijn, is daar niks mis mee. Maar er moet wel een aanbod zijn. Er moet een antwoord zijn op de vraag. Voor een jongere en zijn of haar ouders is het vaak écht niet gemakkelijk om na een lang ambulant traject dat onvoldoende blijkt te zijn, te kiezen voor een behandelinternaat of multifunction centrum. Indien dan blijkt dat dit – in het beste geval – twee jaar wachten betekent, dan houdt het op.”

Wachttijden

Sofie Crommen wijst erop dat heel wat chronisch zieke kinderen en jongeren verblijven in een behandelinternaat, maar dat de wachttijd daarvoor twee tot drie jaar bedraagt.

Sofie Crommen: ‘Tijdens de wachttijd verergeren de ziektebeelden vaak en komen de kinderen en jongeren op de spoeddienst terecht of moeten ze worden opgenomen in een kinderpsychiatrische afdeling’

“Wat moeten die kinderen en jongeren in tussentijd doen?”, vraagt Crommen zich af. “Ze kunnen niet thuiszitten en doen alsof alles goed gaat. Ze staan immers op een wachtlijst omdat hulp net heel hard nodig is. In die wachttijd verergeren de ziektebeelden vaak en komen de kinderen en jongeren op de spoeddienst terecht of moeten ze worden opgenomen in de kinderpsychiatrische afdeling van een ziekenhuis. Dat zou niet nodig zijn als er van bij het begin de juiste hulp voorhanden was geweest.”

Leen Ackaert is ervoor gewonnen om sterker in te zetten op de figuur van de trajectbegeleider. “Het is al een deel van de oplossing dat de jongere weet: er is iemand op wie ik kan rekenen, ook al duw ik die persoon soms weg. Die persoon volgt mij ongeacht waar ik zit en bouwt mee aan de zorg rond mij. Die begeleider heeft oog voor mijn persoonlijkheid, afgezien van mijn probleem.”

Je kan de last volgens Ackaert niet bij de ouders, de jongeren of bij vrijwilligers leggen om te achterhalen wat er allemaal bestaat aan voorzieningen, en wat er gedaan moet worden. “Bij het Kinderrechtencommissariaat zijn wij altijd van mening geweest dat er daarnaast een professional moet staan, een soort copiloot. Ik was blij verrast om te zien dat zoiets bestaat binnen de psychiatrie”, zegt Ackaert.

Schooluitval en falende overheid

Crommen kaart aan dat er een grote schooluitval is, en dat de cijfers van jongeren die
geen diploma secundair onderwijs behalen, hallucinant zijn. Het zou ging om 12% in België in 2018, en zelfs 18% in centrumsteden.

Crommen: “Ongeveer een op vijf jongeren, meer jongens dan meisjes, behalen in centrumsteden geen diploma secundair onderwijs. Dat komt slechts ten dele door verstandelijke problemen. De reden is vooral dat ons schoolsysteem niet afgestemd is op een deel van de jongeren. Een vijfde valt uit de boot. Wij leggen de lat voor een hele groep jongeren veel te hoog en houden te weinig rekening met hun beperkingen.”

Jongeren met complexe problemen hebben soms tot drie jaar lang geen onderwijs, stelde Leen Ackaert vast tijdens de interviews voor het dossier van het Kinderrechtencommissariaat. “Het is een verantwoordelijkheid die de overheid echt moet opnemen. Je kan zoiets niet alleen op de situatie van de jongeren steken, die van de ene voorziening naar de andere gaan”, zegt Ackaert.

De bruuske overgang naar volwassenheid

Bij de werkgroepen in de aanloop naar de Staten-Generaal van de Geestelijke Gezondheidszorg was er een die specifiek werkte rond transitiezorg, de tussenfase tussen jeugd- en volwassenenpsychiatrie. Een artikel in De Standaard legde afgelopen vrijdag de vinger op de wonde. Door een gebrek aan transitiezorg vinden jongeren nu dikwijls de weg niet naar de hulpverlening voor volwassenen.

Leen Ackaert stelde tijdens haar onderzoek vast dat de relatie met een vertrouwenspersoon waar een jongere een goede band mee heeft, vaak bruusk wordt afgebroken wanneer de jongere achttien wordt. De overgang naar volwassenheid verloopt vaak bijzonder moeilijk, met (kans)armoede als een bijkomende factor.

Sofie Crommen: ‘Armoede maakt de situatie van sommige jongvolwassenen nog moeilijker’

“Armoede maakt de situatie van deze jongvolwassenen nog moeilijker. Ze hebben niks om iets op te bouwen. Zij vinden niet gemakkelijk een goedkoop studiootje of betaalbare basisvoorzieningen. Gelukkig zijn er specifieke diensten, die samen met de jongvolwassenen op zoek gaan.”

Sofie Crommen zegt dat kinder- en jeugdpsychiaters de jongeren vaak nog opvolgen na hun achttiende. “Maar de volwassenenzorg is helemaal anders georganiseerd dan de kinder- en jeugdpsychiatrie”, zegt ze. “Wanneer je als volwassene naar de psychiater gaat, gaat die in eerste instantie niet vragen om met je vrouw te komen, of met iemand uit je omgeving. Die psychiater richt zich op jou. En als jij zegt dat je niet wilt spreken over je gezin, dan respecteert die arts dat”, zegt Crommen.

Bij jongvolwassenen blijft het volgens Crommen nog heel belangrijk om verder met de context te werken en om dus ook de ouders bij de behandeling te betrekken. “De jongeren wonen in veel gevallen nog bij hun ouders. Onze hulpverlening is daar niet goed op afgestemd. Er zijn geen budgetten om met de ouders te werken. Je hebt als psychiater drie kwartier om met je volwassen patiënt te spreken. Dan kan je niet echt tijd voorzien om nog met de ouders te werken”, zegt Crommen.

Dat zorgt er volgens Crommen voor dat het ineens erg fout kan gaan. “Adolescenten komen opeens in een volwassenencircuit terecht. Dat is zo fundamenteel anders dan het kindercircuit. Ze werken daar vaak niet meer intens met de context, waardoor die jongvolwassenen vaak geen zorg meer zoeken. Als jongere wil je niet altijd naar de jeugdpsychiater te gaan. Je hebt soms ouders nodig die daarop aandringen en je bij de hand nemen en je ondersteunen daarbij. Wanneer je dat als jongvolwassene allemaal op eigen houtje moet doen, kan je in een zwart gat vallen.”

Nog geen nieuw beleid voor toegenomen eetstoornissen

De media-aandacht voor eetstoornissen heeft zich nog niet vertaald in een beleid, zegt dokter Sofie Crommen. “Kinder- en jeugdpsychiaters smeken de overheid voor pediatrische bedden voor kinderen en jongeren met ernstige anorexia nervosa, waarin ze worden opgenomen tot de eerste kritieke fase voorbij is. Die kinderen hebben dan een heel laag gewicht en leven in feite op de rand van de dood.”

De eetproblemen zijn volgens Crommen meer op de voorgrond geraakt sinds de tweede coronagolf (vanaf november 2020), toen jongeren vanaf het derde jaar secundair onderwijs nog slechts halftijds naar school konden gaan.

Crommen wijst erop dat veel jongeren heel veel tijd voor hun computer spenderen. “Zij worden nu als het ware ‘opgevoed’ door sociale media als Instagram en Tiktok. In zo’n barre, ongecontroleerde tijden als een pandemie, gaan jongeren op zoek naar houvast, en dan is je uiterlijk soms een heel gevaarlijke focus.”

De toename van de problemen kwam onverwacht. “We stonden zelf te kijken van die golf van anorexia nervosa. We hebben het fenomeen bij de buurlanden gecheckt en daar blijkt dat ook te spelen.”


UItgelichte afbeelding: © Koen Broos

Auteur: Frank Olbrechts

Na een studie Arabisch en Hebreeuws verdiepte Frank Olbrechts zich in de hedendaagse Arabische literatuur. Hij combineerde dit met een taak als lesgever in het Hoger Onderwijs en het Volwassenenonderwijs. Zijn aandacht gaat uit naar de openbare debatcultuur, het cultuur- en erfgoedbeleid, de identiteits- en diversiteitsproblematiek en het militantisme/ activisme in de samenleving.

Word lid

Word jij lid van Apache? Lees direct verder en steun onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Nu al vanaf 6,25 euro per maand.


Ja, ik word lid