Een nakende herkaveling?

7 januari 2021 Anton Jäger
VANDENBROUCKE FRANK | VANDENBROUCKE FRANK
Frank Vandenbroucke (Foto: © Belpress)

Het interview is ondertussen ondergesneeuwd door berichtgeving over Donald Trump, corona en andere trending topics, maar op 26 december 2020 publiceerde De Standaard een ontluisterend gesprek met huidig federaal minister voor Volksgezondheid Frank Vandenbroucke (sp.a). Hij deed een boekje open over het reilen en zeilen op de ministerpost.

Vooral Vandenbrouckes filosofische inspiratiebronnen sprongen daar in het oog. In de jaren 90 gold de minister nog als een van de grote vernieuwers in de Belgische sociaaldemocratie, vooral toen hij na het Agusta-schandaal bij Tony Blairs kringen in Oxford ging studeren. Daar voelde hij een nieuwe wind waaien in de rode kerk, met academici als Anthony Giddens, Ulrich Beck en Amartya Sen als profeten.

VANDENBROUCKE FRANK | VANDENBROUCKE FRANK
Frank Vandenbroucke (Foto: © Belpress)

Ook op het continent draaide de linkse windrichting. Zoals Vandenbroucke aangaf was hij in 1991 erg gefascineerd door La nouvelle question sociale van Pierre Rosanvallon, samen met André GorzAdieu au prolétariat een nieuwlinkse klassieker. Tegelijk gaf Vandenbroucke toe dat het “klassieke verzekeringsparadigma, waarbij je mensen collectief beschermt tegen grote conjunctuurschokken, tot het verleden behoorde”.

Hoewel het verantwoordelijkheidsidee belangrijk was, was Vandenbroucke “nooit gaan geloven dat de linkerzijde haar traditionele verzekeringsagenda moest laten schieten” – al had Rosanvallon wel een punt.

Voor Vandenbroucke trokken sommigen dat nieuwe individualisme te ver door. Giddens, bijvoorbeeld, de “ideoloog van de Derde Weg in Groot-Brittannië” meende dat “de grote macro-economische crisissen definitief tot het verleden behoorden”. Het jaar 2008 bewees het tegendeel.

Vandenbrouckes verwijzing naar Rosanvallon en zijn retorische afstand met Giddens zijn veelzeggend. In de jaren 90 gold die laatste samen met denkers als André Gorz als een van de voornaamste grafdelvers van het klassieke socialisme, dat zich historisch uitgeput had en naar herbronning spoorde – iets dat aangeduid werd door de crisis van François Mitterrand en de val van de Sovjet-Unie.

Rosanvallon stelde vooral een radicale revisie van de geschiedenis van de welvaartsstaat voor. In plaats van een mechanisme van sociale solidariteit was die staat vooral begonnen als zekerheidsmechanisme, bedoeld om allerlei nieuwe types risico te beheren die de industrialisering met zich meebracht. Deels leunend op een analyse die François Ewald, leerling van Michel Foucault, muntte, stelde Rosanvallon dat de nieuwe welvaartsstaat mensen zou moeten “activeren”, en hen zou moeten aanleren om zichzelf aan risico’s bloot te stellen, op de arbeidsmarkt bovenal.

In plaats van solidariteit ging het socialisme vanaf de jaren 90 over in risicobeheer

Het idee van een sociaal contract diende natuurlijk bewaard, maar er waren geen rechten zonder plichten. Ook een plicht tot tewerkstelling hoorde daarbij. De voortschrijdende individualisering in de samenleving vanaf de jaren 90 verplichtte mensen om zelf risico’s te nemen, zonder terug te vallen op de traditionele gemeenschappen die door de moderniteit waren uitgedoofd. ‘Activering’ en ‘individualisering’, vooral in een tijdperk van aanhoudende werkloosheid, zouden een ideaal koppel vormen.

Op de achtergrond vond een nog radicalere verschuiving plaats. De welvaartstaat was geen collectief vangnet, maar alleen een instrument tot risicobeheer. In plaats van solidariteit ging het socialisme nu opeens over risicobeheer, met een samenleving die alleen nog maar door meer en minder risicovolle burgers bevolkt werd. Het juiste evenwicht tussen individuele en collectieve verantwoordelijkheid vinden was nu de voornaamste linkse taak.

product-image

Rosanvallon, Ewald en Giddens hadden de gevolgen van hun eigen argument nog niet meteen door. Want het risicoconcept beroofde de sociale welvaartsstaat ook traagjes van een van zijn oudste en sterkste grondslagen: het idee dat het collectief het individu stut.

Risicobeheer is tenslotte ook iets dat private actoren doen, van grote banken tot verzekeringsmechanismen. Soms deden die dat zelf beter dan de staat. Ingenieuze algoritmen en statistische planning hielpen die grote commerçanten immers al om hun producten te verzekeren, en verzekeringsmaatschappijen deden hetzelfde. Waarom zou de staat die taak dan niet gewoon aan de private sector overdragen?

Zo geschiedde, in het ene land nog meer dan het andere. Het neoliberalisme privatiseerde de welvaartsstaat en bouwde collectieve zekerheidsmechanismen af. Dat ging ook gepaard met een algemene, ironische afkalving van tegenkrachten als vakbonden en linkse partijen.

Burgermaatschappij

Rosanvallons romance met de actieve welvaartsstaat dateerde van nog iets verder terug. In de jaren 70 ontwikkelde zich op de Franse linkerzijde een stroming die zich steeds sceptischer zou opstellen tegen het ‘etatisme’ van de zowel rechtse gaullisten als de heersende communistische partij.

In de jaren 90 kon een democraat als Bill Clinton verkondigen dat 'het tijdperk van big government voorbij was'

Bovenal omhelsde dat ‘tweede links’ een omarming van het concept van de ‘samenleving’ (société). In plaats van te vertrouwen op een log, gecentraliseerd staatsapparaat, moest links het eigen initiatief van burgers vieren. Vrijwillige vereniging en voluntarisme waren de toekomst, regentesk staatsdictaat het verleden.

In de jaren 90 kon een democraat als Bill Clinton zelfs verkondigen dat “het tijdperk van big government voorbij was”. Allengs begonnen de lijnen tussen links, rechts, en centrum kruiselings te lopen, met een totale triomf voor de neoliberalen op de achtergrond.

Theorie en praktijk liepen nooit perfect in de pas bij dat antistatelijke vertoog. De viering van een eigengereide civil society of burgermaatschappij leek vooral de algemene leegloop in diezelfde burgermaatschappij te verhullen: partijen, vakbonden, buurtclubs verloren in de loop van de jaren 80 en 90 massa’s leden. Terwijl dat middenveld in een diepe crisis verzeild geraakte, eigende het kapitaal zich steeds meer voorrechten toe, van investeringsrechten tot internationale mobiliteit tot wetgeving. Uiteindelijk was de zakenwereld misschien het enige orgaan dat echt genoot van de nieuwe maatschappij.

Schrandere critici zagen dat al snel in. Eind jaren 90 bijvoorbeeld, merkte de Duitse filosoof Niklas Luhmann al op dat “de huidige hervatting van het concept van civil society (…) zo'n duidelijk enthousiaste kenmerken heeft, dat als men zich afvraagt wat daarmee wordt uitgesloten, men het antwoord zal krijgen: ‘de werkelijkheid’”.

Impliciet in die lofzang op het middenveld lag “de verwerping van alles wat door ‘organisatie’ wordt teweeggebracht: het harde verschil tussen leden en niet-leden, hiërarchisch geordende relaties, verdeelde beslissingsbevoegdheden”. Een gemakzuchtig linksisme kon enkel “in stand worden gehouden en worden aangevuld met een overeenkomstige kritiek op het staatsbestuur, de verplichte structuren van de politieke partijen en de functionele bureaucratieën van de belangengroepen”. De kritiek van de partijdemocratie kwam eerst van links en dan van rechts. Uiteindelijk won rechts.

Schoonmaakactie

Rosanvallons Frankrijk bood uiteindelijk een ideaal laboratorium voor Luhmanns voorspellingen. Emmanuel Macron bleek de uitgelezen schoonzoon voor die situatie, die de Franse partijdemocratie omverwierp. Ogenschijnlijk deed hij dat met een geëmancipeerd middenveld, waarin eigengereide burgers zich nu aan een parlementair zitje waagden. ‘Het volk’ stormde het parlement in, met een stevig percentage vrouwen bovendien.

Macrons ‘volk’ bleek wel uit een nogal selecte laag van de samenleving te komen. De meerderheid van zijn mandatarissen was welgesteld: van welvarende ondernemers tot professionele advocaten. Dit was ook een maatschappij beheerd door de burger, maar dan wel zonder de volkse onderlaag die er in de twintigste eeuw nog aankleefde.

Een herkaveling door nieuwe samenwerkingen zou zowel op rechts als op links plaatsvinden en het aantal politici drastisch reduceren

Ook in Vlaanderen wordt vandaag al luidop van zo’n macronistisch experiment gedroomd. Twee jaar geleden noteerde De Standaard hoe men zonder partij, maar met een flinke zak geld een krachttoer kon klaarspelen. Politiek commentator Noël Slangen voerde de “partij-reshuffle” dan weer op als een kans om de bestaande politieke partijen te voorzien van “nieuwe openingen en nieuwe kansen” en de “partijdemocratie uit haar hengels” te hijsen.

Sommige politici zien die optie al in onvermijdelijke termen. “Allemaal partijen die rond 10% kiezers blijven schommelen”, stelde Open Vld-voorzitter Egbert Lachaert onlangs “dat is op de lange termijn niet houdbaar. Ofwel krijg je straks spontaan samenwerkingen, ofwel zakken partijen zodanig weg dat ze niet anders kunnen dan samen te werken."

Een dergelijke herkaveling zou zowel op rechts als op links plaatsvinden en het aantal politici drastisch reduceren, met Steve Stevaerts progressieve frontvorming in het achterhoofd. Een opkuisoperatie, voorbij links of rechts, wie kan daar tegen zijn?

Tegenstand bij dat plan kon niet lang uitblijven. Partijen die vooral voor hun mandatarissen bestaan en politici een carrière beloven zullen zichzelf niet snel opheffen, zoals Peter De Roover (N-VA) terecht aangaf. Belgische wetten omtrent partijfinanciering maken een dergelijke doorbraak ook moeilijk – met privégelden bouw je in België niet zo snel een legale partij.  “Naar een Belgische Macron kunnen we voorlopig fluiten”, stelde Walter Zinzen nog in 2017, dankzij de “Belgische particratie en dito partijfinanciering”.

Kandidaten voor dat Vlaamse macronisme zijn er wel genoeg – vooral nu traditionele partijen aan hun make-over beginnen denken. Of op die uitgeholde civil society een nieuw gepast sociaal contract voor het coronatijdperk kan groeien, is nogal twijfelachtig. Wie traint de nieuwe verpleegkundigen en wetenschappers, zonder dat de staat zich intensief met de economie moeit? Komen de woonzorgcentra ooit weer in publieke handen? En wat met de flinterdunne marges in de ziekenhuizen?

De eigengereide, actieve samenleving waar Vandenbroucke en Rosanvallon in de jaren 90 van droomden, is er misschien gekomen. Het gebeurde natuurlijk niet zonder slachtoffers, zoals de coronacatastrofe ons elke dag maar blijft bewijzen.

LEES OOK