Radio Apache • De kus van Dabrowski

 Leestijd: 6 minuten2

Chris Van Camp-Schöller leest voor uit haar boek ‘De kus van Dabrowski’. Het boek draait rond de laatste zeven levensdagen van haar hoogbejaarde moeder. Voor haar moeder was ‘wat dé mensen zouden denken’ altijd van levensbelang, terwijl zij als dochter net de waarheid over haar bastaardschap levensnoodzakelijk achtte.

De kiem voor het boek legde Chris deze zomer in een reeks op Apache, ‘Groeten van Gisteren’, waarin ze aan de hand van vakantiefoto’s in haar eigen verleden dook. Ook in haar boek verweeft ze verleden en heden, in een web van emoties, herinneringen en inzichten. De Poolse psychiater Kazimierz Dabrowski en zijn ‘Positieve Desintegratie-theorie’ vormen daarbij haar leidraad en houvast. Ook in de reeks die Chris voor Apache maakte over burn-out speelden de ideeën van Dabrowski al een voorname rol.

Behalve haar verhaal vertellen, wil Chris met haar boek ook de wereld kennis laten maken met Dabrowski en zijn methode. Dabrowski ziet het voortdurende vallen en opstaan waar veel mensen mee te maken krijgen als een persoonlijk groeimodel.

Volgens Chris biedt Dabrowski “een fascinerende, baanbrekende kijk die de vloer aanveegt met alle diagnosen, wat verklaart waarom vandaag geen therapeut, psycholoog of psychiater hem nog kent”. Een innerlijk conflict is namelijk geen ziekte, het is een remedie om beter te worden.


Deze podcast beluister je ook via SoundCloud, Pocket CastsStitcher, TuneIn, Spotify en iTunes.


Lees hieronder het integrale fragment uit het boek ‘De kus van Dabrowski‘.

De geplande boekvoorstelling op donderdag 19 maart werd geannuleerd naar aanleiding van het coronavirus. Chris organiseert wel een virtuele signeersessie.

Hoofdstuk 12

“Ah hier zijt gij, ik zag uw zak hier staan en ik dacht: goddoeme, waar zit die nu?” Mijn broer zit op zijn vertrouwde plek aan tafel met beperkt zicht op mijn moeder. Ze hebben haar tijdens mijn afwezigheid op haar andere zijde gelegd. Ze kijkt nu naar de muur. Vanop de enige twee zitplaatsen zie je alleen nog een gekromd ruggetje en hagelwit haar. Ze lijkt in foetushouding te gaan, terug naar af. Het laatste wat ik haar toewens, is een retourtje siberisch koude moederschoot. Vooraleer ik me mee aan het tafeltje zet, loop ik even om het bed heen om haar zacht te zeggen dat ik terug ben.

Voor het eerst geef ik spontaan rekenschap van mijn doen en laten, iets waar we altijd discussies over hadden. Moeten voorspellen wanneer ik terug thuis zou zijn, haalde alle pret uit het uitgaan. Waarom jezelf al die beperkingen opleggen, louter voor de gemoedsrust van anderen? Ze reageert niet, ze snurkt een beetje, dat wel. Ik haal mijn broer erbij om te onderzoeken of het geen doodsreutel is die we horen. Ze onderbreekt het geknor met gesmak. Nee, ze slaapt, vast door de morfine. Mijn moeder, de junkie. We praten over de begrafenis. Het voelt onkies aan nu ze nog leeft. We proberen te voorspellen wanneer de dienst plaats zou vinden. Als ze vannacht nog sterft, als ze morgen of wie weet overmorgen sterft. Bij een mens zit geen bijsluiter met een verzekerde vervaldatum.

Mijn broer heeft het vooral over mensen die verwittigd moeten worden. Over adressen verzamelen en namen achterhalen. Hij begint aan een lange opsomming. Bij de meeste namen, veelal mensen uit haar toneelkring die ik opnoem, antwoordt hij met: “Dood.” Wiske overleefde ze allemaal, zelfs haar jongere opvolgster. “We gaan niet op zo’n rijtje staan aan de ingang, ik wil het risico niet lopen dat men mij negeert.” Ik zeg het vrij stellig, hij gaat akkoord. Dat is ook schrikken, eigenlijk had ik verwacht dat hij zou zeggen dat ik overdrijf, dat mensen niks tegen mij hebben. Dat doet hij niet.

Aan de koffietafel valt niet te ontkomen. Ik sta erop dat er naast koffie ook wat sterkers te verkrijgen zal zijn. Ik wil een gezonde portie tegengif bij de hand hebben. Hoe kun je als middelbaar mens die niet gauw terugschrikt voor het grote avontuur, zo’n panische angst hebben voor een confrontatie met je eigen clan. Van mij mag ze blijven leven, ik voel aan mijn weerstand dat ik niet klaar ben voor die finale confrontatie. Na dagen en nachten palliatieve status quo begin je bovendien te twijfelen aan de sterfelijkheid van een mens. Om de twee zinnen hebben ze het hier over morfine, waarvan iedereen weet dat het toedienen ervan de dood bespoedigt. Ik vraag me af hoelang haar sterfproces zou duren zonder morfine. Misschien had ze gelijk toen ze op haar 45ste afscheid van me nam. Misschien was haar leven één langgerekt adagio en zijn dit de ontelbare open doekjes waar ze aan bezig is. Toch ziet het er niet uit als vreselijk lijden. Ik zie het eerder als wegdeemsteren. Voorlopig blijft het ook mijn ambitie om gewoon in bed mijn laatste adem uit te blazen. Spectaculairder hoeft het niet te worden.

In de gang rammelen de karren met koffie. Het is verzamelen geblazen om zo goed en zo kwaad als het nog gaat onder lotgenoten aan één lange tafel die saaie boterhammen zonder korsten naar binnen te werken. Daarna samen naar de tv-kamer. Dat geldt voor ‘de leefgroep’. Zodra je tekenen vertoont dat je einde nabij is, word je daar deskundig van gescheiden. Het is al erg genoeg dat bewoners hier met de dood op de hielen leven, ze hoeven er niet oog in oog mee te staan.

Terwijl er voordien een opendeurpolitiek heerste, staat de deur nu hoogstens op een kier. Pottenkijkers zijn niet langer toegelaten. Dit is een speciaal regime: we hoeven ons niet aan de bezoekuren te houden, krijgen slappe koffie à volonté en worden verder met rust gelaten. “Veel kunnen we hier niet doen”, merkt mijn broer op.

Hij was altijd al de man van de actie. Een klusser, verzot op extreme sporten en het grote buitenleven. Dit is voor hem een grotere beproeving dan voor mij, ik die graag onder een loep de mechanismen van het leven bestudeer. Ik zal nog wat blijven. Er valt inderdaad weinig te beleven. Geen fear of missing out. Hij stapt op, ik beloof te bellen zodra er schot in de zaak komt. Alsof het nog menens moet worden.

Zal ik nog wat tegen haar praten? Gewoon intonatie-gewijs wat rust brengen. Het is als praten tegen een hond, je kunt de vreselijkste dingen vertellen als je het maar met zachte stem verkoopt als de liefste koosnaampjes ter wereld. De vreselijkste dingen hebben we al gezegd. Zij is ze vergeten, ik wilde dat ik wat vlijmscherpe zinnetjes van haar kon uitwissen. Het is in dit uur niet voor te stellen dat dit vrouwtje in staat was tot zulk verbaal geweld. Onze oorlogstijd lijkt ook steeds verder weg. Verval vertedert me. “Hey kleintje, ik zie je graag, hé. Met je zacht velletje, jouw mooie haar, die kleine handjes… Zal ik ze eens lekker laten ruiken?” Ik verstuif wat eau de parfum die ik nog in haar badkamerkastje vond op haar dunne polsjes en op haar hoofdkussen.

Ik zing. Ik zing voor haar naar eigen vermogen, een beetje parlando: Reich mir zum Abschied nog einmal die Hände. Good night, good night… good night. Het was het lied uit de operette ‘Victoria en haar Huzaar’ dat me de das omdeed op de begrafenis van Nonkel Rik, alias mijn vader. Ik had me flink gehouden, heel die poppenkast lang. Achteraan in de aula had ik roerloos het komen en gaan van de laatste nieuwe naasten van mijn vader ondergaan. Hun anekdotes die heel passe-partout waren, wat gedichten van Petrarca die niets met mijn vader te maken hadden, huilende kleinkinderen van de maîtresse bij wie hij zijn laatste adem had uitgeblazen.

Zijn hele leven passeerde in foto’s, en niet één foto die mijn bestaan erkende. De ‘kleine aap’ was met chirurgische precisie uit zijn biografie verwijderd. Ik had me zo sterk gehouden en toen kwam dat lied. Ik zag hem plots voor de grote kast staan waarin een professionele bandopnemer stond. Ik herinner me het irritante geluidje dat bij het vooruit en achteruit spoelen hoorde. En dan zijn verrukte gezichtsuitdrukking wanneer dit lied weer begon. Reich mir noch einmal die Hände. Een afscheidslied op een moment dat ik me niet kon voorstellen dat we nooit de kans zouden krijgen om afscheid te nemen. Tot in die aula. Ik brak.

Exact één iemand uit de toneelvereniging die heel goed wist dat ik onuitgenodigd mijn vader kwam begraven, greep mijn hand vast en wisselde een paar troostende blikken. Ik was dertig en zou nooit meer een vaderskind zijn. Bij het buitengaan ontmoette ik kort zijn weduwe, mijn Marraine. Ze had me niet eens een rouwbrief gestuurd, maar leek ook niet verrast dat ik er was. Ze maande me aan mijn tranen te drogen. Dat eeuwige “Wat moeten de mensen wel denken?” Er was stilte, niet eens een omhelzing. En toen zei ze dat enigmatische zinnetje: “Waarom heb je dat met hem gedaan? Als ik het nu nog was geweest.” Ik begreep het niet, maar vooraleer ik nog maar mijn verbazing kon uiten, was ze alweer, omringd door haar posse, verdwenen.

Tot op de dag van vandaag heb ik geen clue waarover het gaat. En wanneer ik het lef had om getuigen erover te bevragen, ging niemand erop in. In mijn verhaal was ik misschien niet de winnaar die hij graag van mij gemaakt had. Schoof hij me aan de kant en verloochende plots onze band. Je ziet het wel vaker dat oude donjuans als ze wat kwalen krijgen onder de rokken van moeder de vrouw verdwijnen.

Ik weet dat ik hen belde en haar vroeg of ik hem kon spreken. Er waren toen nog geen gsm’s, je moest langs die huistelefoon passeren. Dus wilde ik hem aan de lijn zoals een dochter wel eens behoefte heeft om op een moeilijk moment haar vader te consulteren. “Doe dat nooit meer, wat moeten ze daar nu van denken?” Dat zei hij. Ik heb een flauw vermoeden wie ‘ze’ zouden kunnen zijn. Mijn valnet bleek imaginair te zijn. Ik was alleen. Ik had geen idee hoe ik moest leven, verwarring en emotionele rampzaligheid alom. Daarna heb ik nooit meer gebeld, ben ik nooit meer langs geweest. Ik heb mezelf opgeruimd, plaatsgemaakt. Mensen zoals wij krabben niet als katten aan de deur tot de verf loslaat.

Auteur: Chris Van Camp

Chris Van Camp deed alles wat je schrijvend (voorlopig) ongestraft kan doen. Ze schreef columns voor Apache, De Morgen, Klara en Knack, theaterteksten en boeken.

Word lid

Word jij lid van Apache? Lees direct verder en steun onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Nu al vanaf 6,25 euro per maand.


Ja, ik word lid