Onderbelicht en onderbetaald: de stille slachtoffers van de cultuurbesparingen

 Leestijd: 7 minuten0

Hun verhalen hoor je zelden in het debat over de Vlaamse cultuurbesparingen, maar zonder hun werk zijn theater, dans en livemuziek ondenkbaar. Van de lichtontwerper tot de tourmanager: de grootste slachtoffers van het snoeiwerk van Vlaams cultuurminister Jan Jambon (N-VA) vallen misschien wel achter de schermen. “Gratis werken is voor ons geen uitzondering.”

“Op welk volume zal een song een emotionele snaar raken? Onder welk licht wordt een scène net dat tikje ontroerender of grappiger? De details die de schoonheid van een theatervoorstelling bepalen, kunnen pas ontstaan wanneer alle medewerkers de ruimte krijgen om ze te onderzoeken”, zegt lichtontwerper Gert Van Hyfte. 

Technicus Pepijn Mesure: ‘Dikwijls werk ik aan een derde van de prijs of voor kost en inwoon. Ik zie het als een investering om mee te groeien’

Ironisch genoeg riep N-VA-politicus Peter De Roover net die schoonheid in om de kaasschaaf van partijgenoot en Minister van Cultuur Jan Jambon te verantwoorden. Jambon maakte in november bekend dat de Kunstinstellingen 3% en de kunstorganisaties 6% van hun subsidies zouden verliezen. De projectsubsidies  – ‘zaaigeld’ om jonge makers te ondersteunen – moeten het zelfs met 60% minder stellen.

Aan kritiek op de besparingen en vooral die laatste ingreep ontbrak het de voorbije weken niet. Toch zijn het in de opiniesecties van kranten en tijdschriften vooral de podiumkunstenaars zelf die je hoort. Nochtans vallen de eerste slachtoffers wellicht in de marge van het podium. Het zijn de creatievelingen die je ietwat denigrerend het voetvolk van de cultuursector zou kunnen noemen, en die dikwijls werken tegen karige vergoedingen en met een minimale sociale bescherming.

“De costumière, de lichtontwerper, de scenograaf: die posten zullen eerst sneuvelen”, vermoedt Caroline Mathieu. Zelf vervult ze die laatste twee rollen. “Als het totale budget van artiesten en gezelschappen ontoereikend wordt, zullen ze van die taken zeggen: we proberen het zelf wel.”

Werken aan derde van de prijs

Pepijn Mesure, die jarenlang in dienst was bij Vooruit, maar vandaag als freelance technicus en tourmanager werkt, voelt op dit moment al de gevolgen van de besparingen. Als tourmanager van de Brusselse hiphopartieste Blu Samu moest hij woensdag voor zes dagen naar Brazilië vertrekken. Omdat de artieste haar subsidies vreest te verliezen, besliste ze abrupt om enkel nog haar dj mee te nemen.

Cultuursocioloog Pascal Gielen: ‘Door hun onderlinge concurrentie wordt de onderlinge solidariteit van freelancers tegengewerkt, waardoor werkgevers hen gemakkelijk tegen elkaar kunnen uitspelen voor de laagste prijs’

“Ik begrijp dat ze de kosten kan drukken door mijn vliegticket en verblijf weg te besparen, maar voor mij valt daardoor plots een gat tussen 5 tot 12 december. Gelukkig kan ik terugvallen op een werkloosheidsuitkering”, zegt Mesure.

Zulke toegevingen zijn eerder regel dan uitzondering voor Mesure. “Toen Blu Samu recent de 35ste verjaardag van het Molenbeekse gemeenschapscentrum De Vaartkapoen opluisterde, was er te weinig budget, dus ben ik gratis meegegaan voor de technische ondersteuning. Dat is geen zeldzaamheid: dikwijls werk ik aan een derde van de prijs of voor kost en inwoon. Ik zie het als een investering om mee te groeien. Als een artiest ooit opgepikt wordt, zal hij of zij aan je denken.”

Mesure is niet de enige die de onderbetaling voor lief neemt. Voor veel technische krachten is gratis of aan een fractie van hun prijs werken de enige manier om een portfolio op te bouwen. “Vooral bij jonge gezelschappen, die onvoldoende budget hebben, ben ik bereid om creatiedragen gratis mee te draaien”, zegt technicus Rinus Samyn, die voornamelijk actief is in de circuswereld. “Zo hoop ik hen te vergezellen op buitenlandse tournees.”

Sinds kort is Samyn in dienst bij circusartiest en choreograaf Alexander Vantournhout, maar de eerste tien jaar van zijn loopbaan werkte hij dikwijls onder zijn prijs. “Ik ben gepassioneerd door deze job, dus ik pas er mijn leven voor aan. Ik huur een kamer in een huis, zelf een huis kopen zit er niet in.”

De precaire freelancer

De situatie is enigszins beter voor medewerkers van cultuurhuizen met een structurele subsidie. Maar ook daar moeten ze vandaag allerlei kunstgrepen toepassen om hun werking leefbaar te houden.

Carl Gydé, zakelijk leider van het Gentse podiumkunstenhuis CAMPO, telt sinds het ontstaan van het huis in 2008 twintig procent minder subsidies, terwijl CAMPO met 40% eigen inkomsten aan zijn plafond zit. Om de stijgende personeelskosten betaalbaar en de output in stand te houden, ging het vaste kader in die tijd van 25 naar 20 medewerkers. Tegelijk werken velen in een roterend systeem, met 4/5 of halftijdse contracten, en springen meer mensen projectmatig bij.

Het vaste kader verkleinde dus in aantal en tewerkstellingsgraad, het aanvullend kader met externe medewerkers groeide. “Een duurzaam model is dat niet”, weet Gydé, “maar het stelt ons voorlopig in staat om zoveel mogelijk mensen te werk te stellen en correct te vergoeden.”

Lichtontwerper Caroline Mathieu: ‘Soms vragen makers pas last minute om een ontwerp. Soms ontbreekt simpelweg het budget’

Geluidstechnicus Gert Van Hyfte herkent de evolutie die Gydé schetst. Hij zag veel vaste medewerkers bij cultuurhuizen afvloeien om als freelancer te herbeginnen. “Dat statuut geeft ons vrijheid, maar maakt het moeilijker om onze agenda te vullen met aaneensluitende jobs en dus een inkomen te genereren. Bovendien betaal je zelf een enorme prijs: je spaart niets en onderhoudt tussen alle projecten door nauwelijks een sociaal leven.”

Cultuursocioloog Pascal Gielen (UAntwerpen) ziet dat andere medewerkers net als kunstenaars vaker tegen slechte en tijdelijke contracten werken omwille van symbolisch kapitaal. Gielen bestudeerde de situatie van freelancers en ziet naast economische en sociale kwetsbaarheid ook een grote precariteit op politiek en mentaal gebied.

“Velen sluiten zich liever niet aan bij een vakbond, uit vrees om werkgevers op afstand te houden”, zegt Gielen. “Door hun onderlinge concurrentie wordt hun onderlinge solidariteit tegengewerkt, waardoor werkgevers hen gemakkelijk tegen elkaar kunnen uitspelen voor de laagste prijs. Daarnaast zie je dat freelancers voor zichzelf de dubbelrol van werkgever en werknemer vervullen, waardoor ze geen gemeenschappelijke vijand hebben. Alles wat misloopt, doen ze dus zichzelf aan. Die mentale druk vergroot de kans op burn-outs.”

Gielen voorspelt dat cultuurhuizen in besparingsmodus ook ander werk zullen uitbesteden aan externe krachten. Hij pleit er daarom voor om het kunstenaarsstatuut open te stellen voor alle freelancers. Om hun sociale bescherming en solidariteit te vergroten, zouden ze zich volgens Gielen kunnen organiseren in collectieve structuren.

In Nederland vindt hij inspirerende voorbeelden: de gratis (ziekte)verzekering Commoneasy, waar deelnemers hun netwerk inzetten om elkaar te ondersteunen bij arbeidsongeschiktheid, en Splendor, een Amsterdams platform dat het werk van vijftig muzikanten bundelt. ‘Maar de meeste interessante voorbeelden van zogenaamde commons-organisaties kunnen we in Zuid-Europa en Latijns-Amerika vinden. Daar zullen we dus onze mosterd moeten halen.’

Te allen tijde flexibel

Met de beschikbare middelen proberen kunsthuizen als CAMPO vandaag nog wel zelf maximale sociale bescherming te bieden. “Maar in deze omstandigheden kunnen we nog hooguit één jaar vooruit plannen”, zegt Gydé. “Dat is wel erg krap als je weet dat sommige producties van twee jaar op voorhand worden gepland. Hoe kun je met mensen nog engagementen op de lange termijn aangaan als je niet zeker weet of je de gemaakte beloftes wel kunt nakomen? Een sector die draait op vertrouwen en het nemen van risico’s, wordt op die manier volledig ondergraven.”

Lichtontwerper Gert Van Hyfte: ‘Als technicus word je soms verondersteld om video, licht én geluid op jou te nemen. Je werkt voor minder geld, maar wel onder een toenemende werkdruk’

“Nu de onzekerheid groeit, worden cultuurhuizen inderdaad voorzichtiger om iemand vast te leggen”, merkt Mesure. “Vaker komen ze last minute aankloppen: zo ben ik vorige week maandag gevraagd om ergens van dinsdag tot zondag te werken. Pas op: sommige opdrachtgevers en cultuurhuizen betalen een schappelijke gage en boeken je ruim op tijd, maar anderen lijken ervan uit te gaan ook dat wie zijn job graag doet ook flexibel is en te allen tijde kan inspringen.”

Als gevolg beperken sommige technici zich vandaag enkel tot uitvoerend werk. “De artistieke kant van ons werk blijft onderbelicht”, zegt Caroline Mathieu. “Veel lichtontwerpers worden enkel betaald om als technicus mee te gaan op tournee, maar mijn hart ligt bij het ontwerpen zelf. Bij choreografe en danseres Mercedes Dassy bijvoorbeeld vraag én krijg ik daar minstens een maand tijd voor. Zo kan een lichtontwerp tijdens de repetities meegroeien met de voorstelling.”

In de meeste gevallen ontbreekt die creatietijd, weet Mathieu. “Soms vragen makers pas last minute om een ontwerp. Soms ontbreekt simpelweg het budget.”

Zo vroeg choreografe Vera Tussing haar een lichtontwerp te maken voor Tactile Quartet(s), maar voegde ze daar wel eerlijk aan toe dat ze slechts drie creatiedagen kon betalen. “In die tijd kan ik wel iets bedenken en het resultaat is niet mis, maar voor mij staat het ontwerp dan eerder los van de voorstelling dan dat het eruit gegroeid is. Het voelt aan als half werk en dat vind ik jammer. Vera en ik hebben mijn bijdrage daarom als lighting proposal in de credits opgenomen.”

De uitersten opzoeken

De conclusie is dat de podiumkunsten aan vorm inboeten. “In plaats van in alle vrijheid te creëren, moeten makers op alle mogelijke manieren goochelen met een minimumbudget”, zegt Gert Van Hyfte.

“Kunnen ze besparen op techniek, dramaturgie, eten of overnachting? Kunnen ze niet één in plaats van twee medewerkers meenemen op tournee? Als technicus word je dan verondersteld om video, licht én geluid op jou te nemen. Je werkt voor minder geld, maar wel onder een toenemende werkdruk. Als je een opdracht niet aanneemt, zal er wel iemand anders klaar staan. Maar hoe ver onder je prijs kun je zakken om geen opdrachten te verliezen?” vraagt Van Hyfte zich af.

“Vroeger reisde een technicus of technische ploeg mee om ervoor te zorgen dat een voorstelling optimaal gebracht werd”, zegt Bert Moeman, ondervoorzitter van STEPP, het steunpunt voor productionele, ontwerpende en technische krachten van de brede culturele sector. “Sinds enkele jaren moet het cultuurcentrum meestal zelf het materiaal en personeel voorzien en is er ook minder tijd om samen elke productie af te werken. Dat houdt ten eerste in dat de factuurlast wordt verschoven van de makers naar de organisaties die hun werk presenteren. Maar omdat niet elk cultuurcentrum dezelfde mogelijkheden heeft en ook het artistieke creatieproces niet heeft gevolgd, wordt het eindresultaat door erg wisselende omstandigheden beïnvloed.”

Scenograaf Sam Declercq: ‘In de publieke opinie worden wij weggezet als profiteurs en subsidieslurpers, maar om op het punt te komen dat we kans maken op subsidies, moeten de meesten eerst jarenlang expertise opbouwen via harde arbeid, onbetaalde overuren en weekendwerk’

Moerman vergelijkt het maken van een theaterstuk met het bouwen van een huis. “Als je tijdens het bouwproces merkt dat je niet alles betaald zult krijgen, blijft je huis onvoltooid en zul je moeten slapen op een harde vloer. In de cultuursector is je huis pas af als je je artistieke product in de best mogelijke omstandigheden toont. Daarvoor ontbreekt het geld, maar de liefde voor hun vak is bij de meeste cultuurwerkers zo groot dat ze de uitersten zullen opzoeken om dat einddoel te bereiken. De vraag is in hoeverre daardoor de fundamenten geraakt worden, en het huis wankel wordt.”

“In de publieke opinie worden wij weggezet als profiteurs en subsidieslurpers”, zegt scenograaf Sam Declercq. “Maar om op het punt te komen dat we kans maken op subsidies, moeten de meesten eerst jarenlang expertise opbouwen via harde arbeid, onbetaalde overuren en weekendwerk. Een mooie en nefaste eigenschap van cultuurwerkers is dat ze zelfs met het water aan de lippen hun plan zullen trekken. Zo geven ze hun critici al de reden om straks te zeggen: zie je wel dat ze het met minder kunnen?”

 

Uitgelichte foto: Marc Schulte (Pexels)

Auteur: Gilles Michiels

Gilles Michiels is hoofdredacteur van OPENDOEK-magazine en freelance cultuurjournalist voor onder meer De Standaard.

Word lid

Word jij lid van Apache? Lees direct verder en steun onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Nu al vanaf 6,25 euro per maand.


Ja, ik word lid

Word nu lid van Apache en geniet van deze voordelen:

  • Toegang tot alle ruim 4.000 artikels
  • Deel de artikels gratis met je vrienden
  • Toegang tot alle dossiers en het volledige archief
  • Treed in discussie met journalisten en andere lezers
  • Korting op events en andere journalistieke producten, zoals e-books