Stel mensen weer centraal in het denken over de stad

 Leestijd: 7 minuten0

Markt en overheid staan als twee blokken tegenover elkaar in het woonbeleid. “De mensen zijn daar heel hard uit verdwenen. Is de stad van de mensen of zijn de mensen van de stad?”

“Je merkt dat kenniswerkers en studenten de brandstof zijn voor de moderne economie”, zegt de Amsterdamse onderzoeksjournaliste Floor Milikowski (De Groene Amsterdammer).

“Steden worden in de geglobaliseerde wereld gedwongen om constant met elkaar te concurreren om kapitaal, talent en welvaart. Als je als stad wil meespelen, moet je dat talent en kapitaal aantrekken, die op hun beurt zorgen voor dynamiek en welvaart. Maar op een gegeven moment zijn we die stad aan het zien als een puur economische motor, waar mensen verworden zijn tot brandstof. En dat maak het erg pijnlijk. Mensen moeten weer meer centraal staan in het denken over de stad.”

In Café Apache #9 bogen de Gentse stadsbouwmeester Peter Vanden Abeele, onderzoeksjournaliste Floor Milikowksi (De Groene Amsterdammer), schepen Astrid De Bruycker (sp.a); kunstenares Elly Van Eeghem en Pascal Debruyne (Uit De Marge, Samenlevingsopbouw) zich over gentrificatie, tijdelijke invulling en de sociale stad.

Wonen in de stad is terug hip. Steden vernieuwen en breiden uit, maar tegelijk stijgen ook de woningprijzen. Een huis of appartementen kopen of huren in het centrum van de stad wordt voor veel mensen onbetaalbaar. Daarbij loert sociale verdringing niet gewoon om de hoek, ze is steeds prominenter aanwezig.

De middenklasse is daarbij impliciet en expliciet nog steeds de eigenaar en het subject van de stad. “In beleid, bij ambtenaren, bij stadsdiensten leeft die obsessie nog steeds. En dat beïnvloedt de manier waarop we kijken naar wijkontwikkeling”, zegt stadsonderzoeker Pascal De Bruyne (Samenlevingsopbouw Gent, Uit de marge). “Gent is van de tweeverdiener, je ziet die reflex steeds meer doorbreken in alle domeinen van de stad, als het gaat om wijkontwikkeling, tijdelijke invulling, burgerbudget zie je vaak de middenklasse die creëert.”

Dat betekent dat een andere groep mensen wordt verdrongen. Dat er sprake is van gentrificatie.

Wijkweefsel

“De discussie rond gentrificatie draait meestal rond wonen, omdat dat het hardste, het meest materiële aspect is: een huis kunnen betalen of niet,” gaat Pascal Debruyne verder. “Maar het gaat ook over je herkennen in het wijkweefsel. Als dat sterk verandert, dan trekken mensen ook weg uit een wijk.”

Toch is gentrificatie geen nieuw gegeven en wordt het sinds de jaren negentig ook als iets positiefs ervaren. “De kritiek was er natuurlijk ook meteen, maar gentrificatie werd ook aanzien als een hele positieve ontwikkeling”, vult Floor Milikowksi aan.

“De steden wereldwijd waren leeggelopen en verpauperd geraakt, het was de tijd van de suburbanisatie. Maar redelijk onverwacht kwam er een nieuwe stedelijke klasse, die geheel vrijwillig, ondanks alle keuzemogelijkheden, er toch voor koos om in die steden te blijven wonen en huizen te kopen en op te knappen in oude arbeidersbuurten. Dat werd aanvankelijk gezien, en is ook nog steeds, als een hele positieve ontwikkeling, omdat de verpaupering van buurten werd tegengegaan, maar al vrij snel werd ook de analyse gemaakt dat dit ten koste gaat van bestaande bewoners.”

Financieel sterkste kracht

Eigenlijk is verdringen een economisch zwakkere functie die het moet afleggen tegenover een economisch sterkere functie, merkt stadsbouwmeester Peter Vanden Abeele op. Die functies zijn niet alleen wonen, maar bijvoorbeeld ook werken.

“Als planologen hebben we daar een beetje schuld aan. We kleurden het stedelijk gebied ‘rood’ in, de zone waar een beetje alles kan, de stedelijke mix. Wonen is op dit moment als vastgoedproduct de financieel sterkste kracht. Dat is een macro-gegeven en maakt het moeilijk om op te wegen. Die verdringing zit op heel veel plaatsen waar investeringen gebeuren. We moeten alert zijn wie wat verdringt en welk mechanisme we daarover inzetten.”

De verdringing zit op heel veel plaatsen waar investeringen gebeuren.

En er zijn wel degelijk manieren om daar tegenin te gaan. Als stad inzetten op de eigen grondpositie bijvoorbeeld. “De stad heeft niet veel grond maar heeft net genoeg grond”, zegt stadbouwmeester Vanden Abeele. “En het is die grond die je kan inzetten om een kans te beiden aan die economisch zwakkere functies. Je kan bijvoorbeeld grond ter beschikking stellen van een Sociaal Verhuurkantoor, die er samen met een ontwikkelaar woningen bouwt, maar die onder een bepaalde prijs verhuurt.”

“Grond kan hefboom zijn en garantie voor betaalbaarheid”, meent Vanden Abeele “We hebben nog grond rond de oude dokken liggen, we moeten alleen weten wat we ermee gaan doen. Gaan we er een verdienmodel in steken, door die te verkopen aan een ontwikkelaar, of gaan we er een maatschappelijk model in steken, door ze zelf te houden en er betaalbaar wonen op te steken, of gaan we naar een mix?”

Paaitaks

Toch is dat niet het enige wat een stad kan doen. “We kunnen ook zeggen aan ontwikkelaars die in zo’n wijken ontwikkelen: als jullie ontwikkelen willen we een deel van jullie meerwaarde afromen. Als je de paaitaks loskoppelt van onderhandelingen en het als een stadsbrede strategie ziet, waarbij je echt aan vierkante meters en locaties koppelt, dan weet iedereen wat hij gaat bijdragen als hij een stuk grond koopt. Ik denk dat je die middelen dan moet investeren in de wijk zelf.”

We zouden een deel van de meerwaarde van projectontwikkelaars kunnen afromen.

Al moet de stad ook over haar grenzen van haar grondgebied kijken. “Een groot deel van de woondynamiek en woonmarkt moet je op stadsregionale schaal oplossen. Als daar een soort van (fiscale) solidariteit kan zijn, dan kan je daar een aantal effecten aan koppelen. Een stadsbestuur wil de hoge inkomens ook om een belastingbasis aan te trekken om een pak voorzieningen te financieren die nodig zijn voor de sociaal kwetsbare groepen”, zegt Vanden Abeele.

Tweeverdieners

Wordt een stad opgewaardeerd om tweeverdieners aan te trekken ? “Aantrekken of behouden van middenklasse is zeker ook een doel van het beleid, maar vernieuwen van wijken heeft natuurlijk niet dat doel als enige finaliteit”, zegt de Gentse schepen Astrid De Bruycker (sp.a). “Er zitten elementen in die we eigenlijk net positief vinden, zoals de ruimtelijke opwaardering van bepaalde wijken. Alleen die combinatie met dat element van sociale verdringing is zo problematisch. Het is niet omdat je de ene groep wil aantrekken, dat je de andere wil afstoten.”

Op welke manier kan je dan gentrificatie vermijden zonder het aantrekken van tweeverdieners als negatief te zien? Dat gentrificatie een heel moeilijk meetbaar gegeven is, vormt al een eerste struikelsteen voor beleidsmakers.

“We zien het wel gebeuren en voelen het aan. Maar van waar komt die tendens? Is dit een rechtstreeks gevolg van de ingrepen die we doen als stad in die wijken of spelen hier ook grotere tendensen mee? Blijkbaar is dat niet simpel om te beantwoorden”, stelt De Bruycker vast.

In elk geval leren stadsvernieuwingsprojecten, zoals in de Brugse Poort, dat er een impact is op de woningmarkt en woningprijzen en sociale verdringing optreedt. Al was dat daar allerminst de bedoeling.

“Ik denk dat er een heel groot spectrum is en dat we altijd heel hard gefocust hebben op de uiteinden daarvan. Aan de ene kant puur sociale huisvesting. Gent is een stad die daar heeft op ingezet en zelf mee-investeert. Niet in die mate dat we iets kunnen veranderen aan de wachtlijsten, wat ook problematisch is”, zegt De Bruycker.

Dat gentrificatie een heel moeilijk meetbaar gegeven is, vormt al een eerste struikelsteen voor beleidsmakers.

“Anderzijds is de vraag hoe je ook gaat wegen op de private markt en hoe ga je helpen om allerlei initiatieven te ontwikkelen die op dat spectrum zich tussen de twee bevinden.”

In dat kader vindt De Bruycker dat een aantal experimentele projecten opgeschaald kunnen worden, zoals een rollend fonds waarbij noodkopers een aantal structurele renovaties aan hun woning kunnen uitvoeren, sociale ondernemers die woningen renoveren en verhuren via Sociale Verhuurkantoren (SVK’s).

Voor een deel van de bevolking falen overheid en markt, zegt Milikowski. De overheid noch markt hebben een antwoord op de noden van deel van de bevolking. “Je ziet wel dat daar waar overheid en markt falen er ook burgerinitiatieven ontstaan. Wat natuurlijk niet altijd zaligmakend is, maar we zien het wel gebeuren. Als overheid kan je dat zien en laten gebeuren of kan je faciliteren.”

Voor een deel van de bevolking falen overheid en markt.

Waar overheid en markt falen, kunnen burgers het heft zelf in handen nemen?

Tijdelijke invulling

Op plekken waar de stad wil vernieuwen of uitbreiden, wordt in afwachting van het lange planproces ruimte gegeven aan organisaties om met de buurt te werken. Die tijdelijke invulling was vroeger allesbehalve insitutioneel.

“Vandaag zijn tijdelijke invullingen een instrument van de overheid”, zegt schepen De Bruycker. “Of dat dan per definitie iets slecht is, durf ik niet zeggen. We moeten wel ernstig nadenken hoe zien we dat instrument zien en wie de actor is. Is dat alleen de stad, zijn dat vooral partners, of is dat de stad met partners?”

Vandaag zien we dat tijdelijke invulling een instrument van de overheid is.

“Ik denk dat we een evolutie hebben gezien waarbij er tijdelijke invulling was om een buurt hip en aantrekkelijk te maken om op de een of andere manier de middenklasse en kenniswerkers aan te trekken. Ik denk dat we aan het evolueren zijn naar een finaliteit die breder is, die ook gaat over hoe we met tijdelijke invulling noden van een buurt zichtbaar kunnen maken. Was initieel tijdelijke invulling top down, zijn er nu praktijken die zeer uitgesproken sociaal zijn met partners van de wijk en die heel van onderuit vorm krijgen.”

De vraag is natuurlijk hoeveel ruimte een stad laat om, niet alleen fysiek, maar ook nadien anders om te gaan dan gepland met de plek die aan het vernieuwen is. Hoe ga je ook de netwerken die ontstaan zijn behouden en versterken?

Tijdelijke invulling moet noden en behoeften blootleggen en daar moet ook iets mee gedaan worden, vindt kunstenares Elly Van Eeghem. “Zeker in een stad als Gent die daar graag mee uitpakt, vraag ik me af wat zij willen leren van tijdelijke invulling? In bijna alle gevallen kan een les getrokken worden uit iets wat niet in plannen staat. Toch wordt er vaak een krampachtige poging ondernomen om het toch te doen passen in de plannen.”

Er moet aandacht zijn voor diversiteit, maar eveneens voor sociale organisaties uit het middenveld. “Vroeger had je soort van zelfcorrigerend mechanisme van de stad die zicht richt op de middenklasse qua participatie en sociale organisies die tegenlijk het herverdelende doen naar kwetsbare groepen”, reageert Pascal Debruyne. “Nu zien je overal wijkontwikkeling en stadsvernieuwing waarbij sociale organisaties eraf gereden worden. Het is de stad die aan de slag gaat met burgers waarvan zij denkt dat die kunnen creëeren. En dat zie je ook bij die tijdelijk invulling. Daar verliezen we stedelijkheid in de stad.”

Nu zie je overal wijkontwikkeling en stadsvernieuwing waarbij sociale organisaties eraf gereden worden.

“Als je kijkt naar jaren zeventig, tachtig, negentig, zie je van onderop een heel grote creatieve dynamiek ontstaan van burgerbewegingen die bezettingen doen en acties in de wijk voeren”, gaat stadsonderzoeker Debruyne verder. “Wat vroeger spontaan werd, is nu overgenomen wordt en een methodiek geworden. Al heeft Gent de reputatie van een sympathieke stad te zijn van onderuit, er is een constante spanning tussen die participatie van onderuit en een heel sterke controle van de diensten. En die neemt toe. Ik zie dat we een gebrek aan vertrouwen heben en dat er bijna een geregisserde creativiteit komt waarbij je een stuk van je spontaniteit aan het verliezen bent.”

Eigenlijk leren we niet van elkaar of van de dingen die gebeuren in een wijk.

Pascal Debruyne wil dat hun rol vastgelegd wordt in convenanten voor stadsvernieuwing. Wie sociale organisaties betrekt, omarmt meteen diversiteit. “Sociale organisaties moeten nooit de vraag stellen of iedereen betrokken wordt. Zij worden overspoeld door diversiteit. Waar ik voor vrees, is dat je in convenanten voor stasdsvernieuwing niet automatisch de inschakeling van sociale organisaties heb. De stad is er heel sterk van overtuigd om het op zichzelf te doen. Ik betwijfel of dat lukt, al zijn er ook goede voorbeelden, zoals de Meibloemsite. Elly stelt dan de meest fundamentele vraag: wat leren wij? Eigenlijk leren we niet van elkaar of van de dingen die gebeuren in een wijk.”

Het volledige debat kan je hieronder herbekijken:

Auteur: Steven Vanden Bussche

Steven Vanden Bussche studeerde geschiedenis aan de UGent en mag ook lesgeven aan het secundair onderwijs. Sinds 2005 werkt Steven als journalist. Eerst als regiocorrespondent voor Het Laatste Nieuws en de VRT, daarna zeven jaar voor het persagentschap Belga. Sinds augustus 2017 schrijft Steven voltijds voor Apache.

Word lid

Lees direct verder en steun onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Nu nog aan 6,66 euro per maand.


Ja, ik word lid