’18 >> ’19: Drie plakjes Brexit

 Leestijd: 12 minuten0

Het Brexitgebeuren heeft het Verenigd Koninkrijk (waar uw dienaar tot nader order mag verblijven – we zullen zien of dat nog zo is op 30 maart) al geruime tijd danig in de ban. En de manier waarop zowel de gewone Brit in de straat, als de ongewone Brit in het parlement, daarmee de laatste dertig maanden is omgegaan, levert een flinke brok lering en vermaak (al gaat het wel om een tragikomedie). Vandaar, bij de start van 2019, een terugblik op een jaar Brexit, in drie plakjes (en het mag wat meer zijn).

Eerste plakje: de Brexitpolitiek als spiegel van ons gedrag

Men zegt wel eens dat de ogen de spiegel zijn van onze ziel, maar de empirische basis van deze bewering is toch wat onzeker. Voor een andere claim is er dan weer wel een stevige feitelijke onderbouw. Tweeënhalf jaar Brexit heeft immers heel wat bewijsmateriaal geleverd voor de hypothese dat je in politiek de kern van wat ons gedrag bepaalt weerspiegeld ziet. Ik verklaar mij nader.

De vraag hoe wij mensen keuzes maken en ons gedragen is er een die sociale wetenschappers al decennia zo niet wakker, dan toch bezighoudt. Economen hebben wel eens geprobeerd daarvoor een simpel model op te stellen, de zogenaamde homo economicus die netjes redeneert aan de hand van alle relevante data om zo zijn eigen baat te maximaliseren. Maar dat lijkt in de praktijk toch niet altijd zo’n accurate weergave van de realiteit te zijn – vandaar onder meer de opkomst van de gedragseconomie en de gedragswetenschappen.

Mensen maken vaak keuzes die niet enkel rekening houden met materiële kosten en baten, maar waar ook allerlei andere elementen bij komen kijken: emoties, waarden en overtuigingen, alsmede spontane reacties, vuistregels en andere eigenaardigheden. En de Brexit verschaft een bonte verzameling van illustraties van ons verscheiden en complexe gedrag.

Het begon al met het referendum zelf. Daar konden we namelijk zien hoe belangrijk de specifieke formulering van een vraag kan zijn. De eerste versie luidde: “Should the United Kingdom remain a member of the European Union?” (“Moet het Verenigd Koninkrijk een lid blijven van de Europese Unie?”). De Britse kiescommissie adviseerde dat de vraag beter anders zou worden verwoord. De originele vraag zou de kiezer hebben moeten beantwoorden met ‘ja’ of ‘neen’, op een vraag die het over ‘blijven’ had.

Leden van de ‘Leave’-campagne hadden daar (terecht) bezwaren tegen, het was onvoldoende neutraal, omdat de vraag zou kunnen worden geïnterpreteerd als zou ‘ja’ een positief (en dus een meer aantrekkelijk) antwoord zijn. Het werd dus: “Should the United Kingdom remain a member of the European Union or leave the European Union?”, met als antwoorden “Remain a member of the European Union” en “Leave the European Union”.

Het Remain-kamp was ervan overtuigd dat de kiezer met feiten kon worden gewonnen voor de stelling dat blijven de beste optie was

Verder kon men tijdens de campagne aan beide kanten een hoge mate van overoptimisme (ook bekend als de optimism bias) waarnemen. Het Remain-kamp, dat de steun had van toenmalig premier David Cameron, was ervan overtuigd dat de kiezer met feiten kon worden gewonnen voor de stelling dat blijven veruit de beste optie was.

Zijn regering had er zoveel vertrouwen in, dat ze zelfs geen plannen maakte voor het geval dat Leave het toch zou halen. De treasury zorgde voor simulaties die moesten aantonen hoeveel uit de EU stappen elk gezin jaarlijks zou kosten (schattingen liepen op tot 4.000 pond per jaar, zo’n 4.500 euro), en peilingen toonden aan dat zeer weinig burgers bereid zouden zijn zelfs maar enkele honderden ponden op te offeren om de controle weer over te nemen. We weten inmiddels wel beter: vele kiezers stemden vooral uit emotionele motieven – teveel Polen en Bulgaren, nostalgie naar het oude blauwe paspoort, een aversie van vreemde overheersing enzoverder.

Wat Eurofielen ook (onterecht) een hart onder de riem stak waren de polls die overwegend Remain een kans op winnen gaven die ruim boven de 50% lag. Nu zijn we, ondanks de aandacht die daar op de lagereschooltijd aan wordt besteed, niet zo goed in het interpreteren van procenten. ‘75% kans op winst’ ziet er best wel uit als ‘75% van de stemmen’, niet? Maar zeg eens, zou u op beide oren slapen als ik u vertelde dat de kans dat uw huis vannacht niet afbrandt 75% is?

In het Leave-kamp was het niet veel beter gesteld: daar heerste naast naïviteit ook een diepgaande onwetendheid. De latere Brexitminister David Davis had het bijvoorbeeld over “een handelsovereenkomst met Duitsland, dat hen vrije toegang tot het VK zou geven voor auto’s en industriële goederen, in ruil voor een deal rond al de rest.” (Hij leerde later dat handelsovereenkomsten met individuele EU-lidstaten niet mogelijk zijn.) Zelfs met de hele EU zou het een doddle zijn – we kunnen toch gewoon alles laten zoals het is, en gewoon het vrij verkeer van personen, de beperkingen van de douane-unie, en de jurisdictie van het Europese gerechtshof schrappen? We weten inmiddels wel beter: overeenkomsten vereisen degelijke voorbereiding en veel tijd. Véél tijd.

Net na het referendum zagen we een mooi voorbeeld van de action bias: Labourleider Jeremy Corbyn verklaarde dat “nu meteen artikel 50 moet worden ingeroepen” (het artikel dat bepaalt hoe een lidstaat de EU kan verlaten). Impulsiviteit is iedereen gegund, maar een sprong aanraden vóór je een idee hebt van de hoogte waarop je je bevindt, van waar je denkt, of zelfs wenst te landen, zonder te weten welke uitrusting je nodig hebt voor de sprong, kan gevaarlijk zijn.

Premier Theresa May illustreert dan weer twee andere types problemen. Ze staat bekend als een politieker van haar woord, die toegewijd elke opdracht die ze aanvaardt uitvoert – zo ook met Brexit, de wil van het volk, ook al was ze een Remainer.

 

Theresa May, hier bij de honderdste verjaardag van de slag bij Passendale (Foto: Number 10, CC, flickr)

Mogelijk was het precies om de argwaan daaromtrent bij haar Leave gezinde partijgenoten te neutraliseren toen ze David Cameron opvolgde (die de dag na het referendum wijselijk zijn spreekwoordelijke schup afkuiste) dat ze drie harde rode lijnen op de vloer schilderde: niet meer in de interne markt (want dat betekent geen controle over de grenzen), niet meer in de douane-unie (want dat betekent geen eigen handelsovereenkomsten), en niet meer onder de jurisdictie van het Europese Hof van Justitie (want dat betekent niet je eigen wetten maken). In die drie rode lijnen heeft ze zich sedertdien vastgebeten als een pitbull terriër (maar zoals later zou blijken, eentje met een zwak gebit).

Die rode lijnen fungeren als een Ulyssescontract, naar de figuur uit de Griekse mythologie. Ulysses wilde het gezang van de sirenen horen, maar hij wist dat dit hem van zijn vermogen om rationeel te handelen zou beroven, en hem naar hun eiland zou lokken. Daarom liet hij zich door zijn mannen (die allemaal was in de oren kregen) aan de mast kluisteren, zodat hij niet aan de verleiding zou kunnen toegeven overboord te springen. Door zich publiek te verbinden aan deze drie rode lijnen maakte May het zichzelf onmogelijk daarop terug te keren.

Maar zoals Otto von Bismarck zei, “Die Politik ist die Lehre vom Möglichen” – politiek is de kunst van wat mogelijk is. Als je (te vroeg) je bruggen opblaast, dan maak je jezelf wellicht het leven onnodig moeilijk, want vroeg of laat riskeer je toch dat je je dure woorden weer terug moet nemen. Dat is echter niet haar enige probleem. Je mag nog zo glashelder poneren wat je niet wil, er moet ook duidelijk worden gemaakt wat je dan wél wil. We hadden niet eens de laconieke observaties van EU-onderhandelaar Michel Barnier, of van commissievoorzitter Jean-Claude Juncker nodig om te leren dat daar wat mee schortte. Ondanks haar frequente gebruik van de zinsnede “let me be clear” en talrijke varianten daarvan, maakte het interne gekibbel binnen May’s regering en binnen de Conservatieve partij een ding duidelijk: dat er geen duidelijkheid was.

Tweede plakje: een dilemma dat je voor je uitschuift blijft een dilemma

Meer nog dan voorheen is, in het afgelopen jaar, het politieke spektakel rond Brexit met grote voorsprong het dominante thema geweest in de Britse politiek en de Britse media. De doorbraak begin december 2017 in de tot dan toe moeizame onderhandelingen was daarvoor de catalysator. Het draaide toen (net als nu) rond de fameuze ‘backstop’: het vermijden van een harde grens tussen de republiek Ierland en Noord-Ierland (dat deel uitmaakt van het VK). Grenscontroles zouden in strijd zijn met het goedevrijdagakkoord tussen beide landen, dat in 1998 een grote bijdrage leverde tot het vredesproces in de gekwelde provincie.

De Britten hadden er alle vertrouwen in dat dankzij een uiteindelijk handelsakkoord tussen de EU en het VK of, zo niet, dan vast via het gebruik van technologie (zoals drones) er geen harde grens nodig zou zijn. Maar de tekst die toen werd goedgekeurd stipuleerde niettegenstaande dat, bij afwezigheid van zulke oplossingen, het VK zich volledig zal schikken naar de regels van de Interne Markt en de Douane-unie die het akkoord van 1998 vrijwaren. Die ‘backstop’ was een soort verzekering voor Ierland (daarin gesteund door de EU natuurlijk).

Sommigen stelden zich toentertijd (terecht) de vraag of men niet gewoon de moeilijke vraag naar later had verschoven, en of men er zich in het VK wel goed bewust van was hoe verstrekkend deze clausule was. In de praktijk zou ze immers slechts op twee manieren kunnen worden gerealiseerd. Ofwel zou enkel Noord-Ierland technisch in de Interne Markt en de Douane-unie blijven (met een de facto harde grens tussen deze provincie en de rest van het VK), ofwel zou het hele land dat moeten doen.

Voor de Noord-Ierse DUP, de coalitiepartners van Theresa May’s conservatieve partij, was de eerste optie onverteerbaar (pikant detail: de DUP lag ook dwars bij de goedkeuring van het goedevrijdagakkoord 20 jaar geleden). Daarom werd een clausule toegevoegd die stelde dat er geen nieuwe handelsbarrières zouden worden ingevoerd tussen Noord-Ierland en de rest van het VK.

De tweede optie houdt natuurlijk het negeren in van twee van de rode lijnen, maar daarover werd op dat moment niet gerept.

Nu de realiteit van die verbintenis is vastgelegd in het voorstel tot wettelijk bindend uittredingsverdrag dat May en de EU eind november overeenkwamen (en waarover het Britse parlement binnenkort moet stemmen), kan de cognitieve dissonantie niet langer worden weggecijferd. Het protest tegen de backstop uit de hoek van de Brexiteers verraadt dat ook daar uiteindelijk weinig vertrouwen is in technologische kunstgrepen als manier om een harde grens te vermijden. Boris Johnson mag dan wel hebben verklaard “My policy on cake is pro having it and pro eating it”, als puntje bij paaltje komt moet er een keuze worden gemaakt.

Verschillende eurosceptische (voormalige) regeringsleden – zoals Johnson en Davis – hebben inmiddels die cognitieve dissonantie opgelost door op te stappen uit de regering. Anderen blijken (oppervlakkig althans) voor pragmatisme te hebben gekozen: zelfs stevige Brexiteers als Michael Gove en Liam Fox blijven Theresa May’s voorstel steunen.

Het is echter premier May zelf die wellicht de meest intense cognitieve dissonantie ervaart. Ze voert het belang van de natie hoog in het vaandel, maar het dilemma waarvoor de kiezer heeft gezorgd, en dat ze gedurende ruim twee jaar voor zich uit heeft getrapt als een blikje op straat, ligt nu op haar bord.

Theresa May beseft zelf ook best dat het verlies van de privileges die EU-lidmaatschap bieden een flinke deuk kan toebrengen aan de economie

Een meerderheid koos voor de uitstap, en dat moet dan gebeuren – “Brexit means Brexit”. Ze beseft echter natuurlijk zelf ook best dat het verlies van de privileges die EU-lidmaatschap bieden een flinke deuk kan toebrengen aan de economie. Van de just-in-time toevoerketens van de automobielindustrie, die helemaal afhangt van de vlotte en aanhoudende levering van componenten, tot de financiële diensten in Londen, die meer dan 10% van het BBP leveren – alle zullen schadelijke gevolgen ondervinden na de Brexit. Hoe wordt het belang van de natie nu het beste gediend? Bestaat er een redelijk compromis dat niet het ene opoffert voor het andere?

Haar ‘deal’ die naar haar eigen zeggen (en dat van de EU) de best mogelijke deal is, zou dat moeten zijn. Maar eigenlijk zijn de eisen van beide kampen – zij die zo nauw mogelijk bij de EU willen blijven aangesloten, met ‘frictieloze handel’, en zij die zich helemaal vrij willen maken van de EU – niet te verenigen. Haar deal gaat voor beide gelijktijdig te ver, en niet ver genoeg – maar in tegengestelde richting.

Theresa May’s enige hoop is dat het vooruitzicht op een van de alternatieven (en er zijn er maar twee) voor haar deal alsnog voldoende MP’s kan overtuigen haar deal te steunen. Het ene alternatief is de ‘no deal’ optie, waarbij de relatie van het VK met de EU gelijkaardig zou zijn met die tussen de EU en een derde land waarmee geen enkele overeenkomst bestaat, zoals bijvoorbeeld Noord-Korea. Dat nachtmerriescenario zou de Eurofielen over de streep moeten trekken. Het andere alternatief is het afblazen van de Brexit. Daarvoor moet het parlement dan wel ingrijpen – hetzij direct, hetzij via een tweede referendum, hetzij via vervroegde verkiezingen. Dit scenario is voor de Brexiteers dan weer de nachtmerrie die hen zou moeten aanzetten het zekere voor het onzekere te kiezen. Er wordt hier hoog spel gespeeld met het belang en de toekomst van de natie, dat mag je wel zeggen.

Derde plakje: it’s the economy, stupid

En dat brengt ons bij de economische consequenties van de Brexit. Noodgedwongen moeten we hier wat speculeren – er is immers nog geen goedgekeurd uittredingsverdrag, laat staan een handelsovereenkomst voor de lange termijn. Toch zijn de gevolgen al zichtbaar. Het Britse pond, dat de dag voor het referendum 1,31 euro kocht, verloor in de dagen erna meteen 10% van zijn waarde, en is sedertdien verder afgekalfd tot ongeveer 1,11 euro. Voor een land dat meer invoert uit de EU (341 miljard pond in 2017, of zo’n 375 miljard euro) dan het ernaar uitvoert (274 miljard pond) is dat niet zo best. Het goedkopere pond kan de uitvoer stimuleren, maar de duurdere ingevoerde grondstoffen zetten daar dan weer een domper op.
Het handelstekort van bijna 70 miljard pond heeft sommigen met het idee opgezadeld dat de EU het VK meer nodig heeft dan omgekeerd. (Daaronder ook David Davis, de latere Brexitminister, die in Februari 2016 – vóór het referendum – verklaarde: “enkele minuten nadat blijkt dat er voor Brexit werd gestemd, zullen de CEO’s van Mercedes, BMW, VW en Audi meteen aankloppen bij kanselier Merkel om te eisen dat de Duitse bedrijven onbelemmerde toegang zouden behouden tot de Britse markt” – het soort uitspraak waarvoor (terecht) het etiket ‘niet gehinderd door enige kennis van zaken’ wordt voorbehouden.)

Uw favoriete supermarkt verkoopt veel meer aan u dan u aan hen, maar dat betekent niet dat zij u meer nodig hebben dan u hen

Die vermeende asymmetrie is een onzinnige stelling. U hebt ongetwijfeld zelf een handelstekort met uw favoriete supermarkt: zij verkopen veel meer aan u dan u aan hen, maar dat betekent niet dat zij u meer nodig hebben dan u hen. Wat van veel meer belang is, is de relatieve omvang van de economieën. Colruyt zet bijvoorbeeld jaarlijks een dikke 9 miljard euro om, terwijl het mediane inkomen van een Belgisch gezin net geen 30,000 euro bedraagt. Dat ‘handelstekort’ speelt hier dus geen rol: een modaal gezin dat jaarlijks zeg maar 4.000 euro spendeert bij Colruyt, besteedt daar 13% van hun ‘omzet’, maar dat bedrag vertegenwoordigt slechts 0,000004% van de omzet van Colruyt. Voor de verhouding tussen de EU en het VK is het verschil niet zo groot natuurlijk, maar we zien toch dat, in 2017, het bruto binnenlands product (BBP) van het VK, 2.600 miljard dollar bedroeg, terwijl dat voor de EU-27 (minus het VK) 14.700 miljard dollar was – zo’n zes keer groter. Als geheel vertegenwoordigen invoer uit, en uitvoer naar het VK voor de EU-27 respectievelijk 2,3% en 6,2% van het EU-27 BBP. Voor het VK zijn dezelfde percentages 13% en 10,5%. Dat de EU het VK meer nodig heeft dan omgekeerd is dus een fabeltje.

De economische pijn zal zich vooral in het VK laten voelen: ongeveer de helft van alle buitenlandse handel gebeurt met de EU (44% van de uitvoer, en 53% van de invoer). Het is nu natuurlijk nog niet het geval, maar als op die hele handel na de Brexit invoerrechten worden geheven, dan zal dat zich zeker laten voelen. Wat duurder wordt, daarvan kopen we minder.

White Cliffs of Dover (Foto: Roland Turner, CC, flickr)

Een opmerkelijk gevolg van de koersdaling van de Britse munt is ook de steile terugval van het aantal EU-burgers die komen werken in het VK – zoals bijvoorbeeld in de NHS, de nationale gezondheidsdienst. De daling van het pond met 15% betekent voor deze mensen een inkomensvermindering van dezelfde orde, en dus keren ze terug, of komen ze niet meer. Dat laat zich voelen bij de NHS. In 2016-17 gingen nog bijna 6.400 verpleegkundigen uit de EU aan de slag bij de NHS; in 2017-18 was dat nog amper 800, terwijl er bijna 4.000 de NHS verlieten. Dit is geen klein probleem voor de zorgsector die sowieso al onder hevige druk staat. In de financiële industrie is er eveneens een verhuizing begonnen naar het Europese vasteland, en talrijke bankiers met salarissen met zes en zeven cijfers (die flink bijdragen aan de plaatselijke economie én aan de schatkist) verdwijnen uit de City, en uit het VK, tot spijt van de fiscus.

Alsof dat allemaal nog niet genoeg was, duiken bovendien de zogenaamde non-tariff barriers op, de niet-financiële hindernissen. Momenteel is het net zo makkelijk voor een fabrikant in Manchester om onderdelen te kopen bij een leverancier in Bristol als bij een in Bratislava. Na de Brexit wordt dat anders, en moeten goederen worden gecontroleerd en geïnspecteerd, net zoals wanneer je nu spullen invoert vanuit de VS of Noord-Korea.
De infrastructuur aan de grenzen – vooral dan de kanaalterminals van Dover en Folkestone (de Eurotunnel) is daar hoegenaamd niet op afgestemd. Vorig jaar passeerden 2,6 miljoen vrachtwagens door de haven van Dover (dat is 10.000 per werkdag – als je die bumper aan bumper zou zetten, dan heb je een file die reikt van Brussel tot in Calais). Daarbovenop heb je er nog eens 1,7 miljoen per jaar via de tunnel.

Vorig jaar passeerden 2,6 miljoen vrachtwagens door de haven van Dover. Als je die bumper aan bumper zou zetten, dan heb je een file die reikt van Brussel tot in Calais

Een flink gedeelte van dit verkeer maakt deel uit van just-in-time logistiek, bijvoorbeeld in de voor het VK zo belangrijke autonijverheid (Nissan, Honda, Ford, General Motors, Mini, Jaguar, Landrover). Wanneer die trucks moeten worden gecheckt in die terminals, komt zo’n logistieke keten in het gedrang, tot grote onrust van de vele productiesites die er gebruik van maken. Maar ook bij o.m. het afhandelen van medicijnen (het VK voert 90% ervan in, en daarvan komt 45% uit de EU), en zelfs van verse voeding (waar 30% van wat de Britten – én expats als uw dienaar – op hun bord krijgen uit de EU komt) kunnen vertragingen aan de grens lastige gevolgen hebben.Je zou denken dat men al lang met de nodige planning hiervan bezig is, maar niets is minder waar.

En zo is de cirkel rond, en eindigen we waar we begonnen: politieke actie (en inactie) als spiegel van ons aller gedrag. We hebben hier te maken met de planning fallacy – de systematische onderschatting van de hoeveelheid tijd en middelen nodig om een taak tot een goed einde te brengen. Afgelopen weekend raakte bekend dat de Britse regering contracten ter waarde van 108 miljoen pond heeft afgesloten met drie ferry-operatoren, die gezamenlijk een bijkomende capaciteit van 4.000 vrachtwagens per week zouden toevoegen (zo’n 10% van het huidige volume), via andere havens (die niet allemaal klaar zijn voor RO/RO ferry’s, zoals Ramsgate bijvoorbeeld).

Alle ondernemingen met een BTW-registratienummer kregen recent ook een brief van de belastingdienst, met dringend advies (o.m.: contacteer uw transporteur om na te gaan of zij, met uw gedetailleerde informatie, alle aangiften voor u kunnen doen) – amper drie maanden voor het uittreden. Nu zal er, mocht Theresa May’s fameuze deal uiteindelijk toch door het parlement goedgekeurd geraken, niets aan de hand zijn. Maar dat is lang niet zeker, en op een van de twee alternatieven is het land alvast niet al te best voorbereid.

Brexit zorgt voorlopig nog voor een indigestie – laten we hopen dat er geen hongersnood van komt bij de Britten (en de expats).

 

Auteur: Koen Smets

Koen Smets is een deskundige op het gebied van organisatie-ontwikkeling, met een fascinatie voor menselijk gedrag op de grens tussen het rationele en het irrationele. Hij is op Twitter als @koenfucius.

Word lid

Lees direct verder en steun onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Nu nog aan 6,66 euro per maand.


Ja, ik word lid