‘Waar is waar?’

 Leestijd: 24 minuten2

Onder de titel ‘Waar is waar?’ hield Ingrid Vander Veken begin deze maand de eerste Nottebohmlezing van het nieuwe seizoen. De prachtige gelijknamige zaal van de Erfgoedbibliotheek in Antwerpen was volledig uitverkocht. Na afloop registreerde curator Koen Broucke  “het langste applaus na een Nottebohmlezing ooit”.

De waarheid, de wereld, de werkelijkheid: jarenlang gold journalistiek als de weergave ervan. Maar vandaag? Vervullen traditionele media nog hun rol van wegwijzer en wat is het aandeel van sociale media in het verstrekken van informatie? En hoe staat het met de controle op berichtgeving, is er te veel of te weinig? In hoever is er vrije meningsuiting, in hoever censuur? Als de volledige waarheid moeilijk te achterhalen valt, ontslaat je dat dan van de verplichting haar te zoeken?

In de Nottebohmlezing die ze begin oktober hield, vertrekt Ingrid Vander Veken van haar eigen ervaring als schrijfster en journaliste, de interviews die zij voor Apache maakte met tenoren van de journalistiek, en citaten van collega-schrijvers en –journalisten.

Hieronder vindt u de integrale lezing. U kan de lezing ook beluisteren op de site van de Erfgoedbliblioteek Hendrik Conscience.

Ingrid Vander Veken: "Wat een onwaarschijnlijk mooie plek is deze Nottebohmzaal toch. Wat een voorrecht om hier te mogen staan, in deze Erfgoedbibliotheek."

Ingrid Vander Veken:

“Wat een onwaarschijnlijk mooie plek is deze Nottebohmzaal toch. Wat een voorrecht om hier te mogen staan, in deze Erfgoedbibliotheek. En wat fijn dat u daar zit.

Ik zie u naar mij kijken en de schrik slaat mij om het hart. Want ik weet waarom u naar mij kijkt. U wilt iets van mij horen, u wil iets te weten komen. Heb ik antwoorden? Weinig. Heb ik vragen? Veel. Heb ik zekerheden? Nog veel minder. Heb ik twijfels? Nog veel meer. Voelt dat lekker? Neen. Zou het makkelijker zijn zonder die twijfels? Ja. Wil ik ze dan liever kwijt? Neen. En al helemaal niet in tijden zoals deze, die bulken van de zekerheden, verkondigd door mensen waar ik dan weer mijn allergrootste twijfels bij heb.

De mensen die zonder verpinken zeggen: “waar is waar”. Punt. Ik ben dan het soort mens dat dat punt meteen vervangt door een vraagteken. Dan klinkt het heel anders, dat wordt het “wààr is waar?”. Dan krijg je twee verschillende soorten “waar”-en, de een staat voor waarheid, de ander voor de plaats waar die te vinden is. Misschien – vandaar het vraagteken.

‘Ik sta hier tussen de boeken, en ik sta hier graag. Ik ben nogal van de boeken, zowel van de consumptieve als van de productieve kant’.

Ik sta hier tussen de boeken, en ik sta hier graag. Ik ben nogal van de boeken, zowel van de consumptieve als van de productieve kant – over dat laatste straks meer.Ik ben zwaar onder de indruk van wat hier allemaal opgeslagen ligt aan kennis, wetenschap, geschiedenis. Dit lijkt mij een niet onaardige plaats om haar te zoeken. Die waarheid, of minstens een stuk ervan.

Ik laat het nog even voor u zomeren. Het is augustus en ik dwaal door de tentoonstelling die hier plaatsvindt. ‘Conn3ct’ toont werken uit de begindagen van de boekdrukkunst, en noemt Antwerpen de Silicon Valley van de zestiende eeuw. De tentoonstelling voegt er eerlijk aan toe dat een goed deel van wat in die oude boeken als feiten geboekstaafd staat, in werkelijkheid propaganda was. Dat weet deze tentoonstelling, omdat er inmiddels het licht van de geschiedenis er valt. Ze zegt: ga er niet van uit dat wat waar lijkt, ook waar is.

Maar de tentoonstelling duikt niet alleen in de geschiedenis. Ze wil ook hedendaags zijn, ze vraagt mij bij voorbeeld waaraan ik de voorkeur geef: Wikipedia (toch een béétje geschiedenis, Twitter, Whats’app of Facebook of. Uit de keuzes die ik interactief op dit soort vragen maak, besluit de tentoonstelling dat er een grote kans is dat ik een man ben. Terwijl nu net een van mijn zeldzame zekerheden is dat ik dat niet ben.

Ik denk: misschien was niet alles wat in de Silicon Valley van de zestiende eeuw verkocht werd waar. Maar in die van vandaag lijkt het dat nog véél minder. Ziedaar wat deze ervaring me heeft geleerd. Ik denk ook: misschien moet ik dààr wel bij op zoek naar wat waar is. Van mijn ervaring weet ik tenminste dat ik ze kan betrouwen, zodat u dat op uw beurt met mij kan.

Ik neem me voor dat te doen en ik beloof u plechtig dat ik niet zal liegen. Dat betekent a) dat ik vaak ‘ik’ zal zeggen, bij wijze van methode maar niet van navelstaarderij en b) dat wàt ik zal zeggen waar is, maar daarom nog niet dè waarheid.

Om het ik-zeggen toch een beetje tegen te gaan en een beetje dichter bij dè waarheid in de buurt te komen, bestaat er nog een methode. Ze heet ‘meervoudig bronnenonderzoek’ en ik neem me voor ook daar aan te doen. Dus zal ik, ook dat beloof ik plechtig, ook anderen aan het woord laten.

Zullen we beginnen?

Ingrid Vanderveken in de Nottebohmzaal (foto: (c) Koen Broucke)

# ERVARING

Ik ben een kind dat boekjes schrijft en daar tekeningen bij maakt. Dat kind wordt zeventien en het heeft nog zekerheden. Dat ze het fijn zal vinden naar de Academie te gaan, bij voorbeeld. Maar haar vader  betwijfelt dat, hij vindt dat ze rechten moet studeren, en belooft dat ze daarna naar de Academie mag.

Ik ben er zeker van hij dat meent. Maar het is – om maar meteen een modieus woord te gebruiken – een fake belofte. Daar kom ik vijf jaar later achter, als ik met mijn doctoraat op zak blut op straat sta. Wéér een zekerheid kwijt, het is niet de eerste en het zal niet de laatste zijn.

Er is in die dagen in Antwerpen een stadskrant die De Nieuwe Gazet heet. Die heeft een van de beste culturele pagina’s van de Lage Landen, zegt Jeroen Brouwers. Dat is waar, onomstootbaar, dat weet ik omdat ik die pagina elke dag zie. Daar wil ik voor schrijven. Ik mag dat, en dat gaat een tijdlang goed en in grote vrijheid.

Dan wordt die krant een kloon van de grote nationale moederkrant en word ik naar het hoofdhuis in Brussel geroepen. Daar werk ik aanvankelijk eveneens voor de – ietwat traditionelere – culturele pagina, een beetje later voor wat daarvan overblijft, een hoekje tussen de overlijdensberichten. En nog wat later voor wat dààr dan weer van overblijft, kruimels in de weekeindbijlage. Tot ook die verdwijnen.

Niet toevallig gebeurt dat op het ogenblik dat ik daar ook verdwijn. Tegen dan heb namelijk gekozen voor een ander schrijven, dat van daarover straks meer. Misschien denkt u nu, gesterkt door het steeds meer ingang vindende denken: jaja cultuur, wat wil dat mens ook, dat verkoopt immers voor geen meter. Dat is waar, of toch een beetje waar, en ik zal u vertellen hoe die halve waarheid is gemaakt.

Er zijn nieuwe woorden aan te pas gekomen, woorden als ‘degelijk’ en ‘diepgravend’ zijn wegens te muf vervangen door ‘kort’ en ‘sexy’ en ‘lekker lezend’

Terug naar het begin. Ik ben journalist en denk te weten wat dat is. Iemand die zich begeeft naar waar iets gebeurt en vertelt wat hij of zij daar ziet. Maar op een dag klopt dat niet langer: een journalist is nu iemand die a) zich alleen ergens heen begeeft als daar geld voor is, en dat is er steeds minder, en b) of hij of zij nu gaat of niet, over wat er gebeurt een vooraf vaststaand verhaal vertelt. Ga ik wat kort door de bocht? Ja.

Want die dag is er natuurlijk niet ineens gekomen. Er zijn nieuwe woorden aan te pas gekomen, woorden als ‘degelijk’ en ‘diepgravend’ zijn wegens te muf vervangen door ‘kort’ en ‘sexy’ en ‘lekker lezend’. Die waardering new look wordt niet afgemeten aan de graad van informatie, laat staan aan schouderklopjes van de hoofdredacteur, maar aan cijfers.

Oplagecijfers, luistercijfers, kijkcijfers, kortom: verkoopcijfers. Die berusten op onderzoek, en dat onderzoek berust op zijn beurt dan weer bij marketeers. En waarnaar peilen die? Niet naar wat mensen horen te weten, maar naar wat ze willen weten. Welke feiten ze lusten, met welke saus.

Ik moet dat begrijpen, en ik begrijp dat. Een bedrijf moet rendabel zijn, ook dat is een waarheid. Dus kan je maar beter weten aan welke informatie je klanten 6 de voorkeur geven, en hoe die verpakt moet worden. De lezer, luisteraar, kijker als consument. Het nieuws als product. Ook dàt zijn nieuwe woorden.

Alleen, ik ben er altijd van uit gegaan dat één bedrijf ontsnapte aan die logica van rendabiliteit, omdat wij het met z’n allen betaalden. Dat bedrijf, dat wij de openbare omroep noemen, dat zich cultuurprogramma’s kon veroorloven zoals die cultuurpagina in de krant waarvoor ik werkte. In de tijd van ooit, die van dat andere ouderwetse woord: volksverheffing.

Neen dus. Ook daar zijn marketeers aan de slag. Ook daar worden programmamakers afgerekend op luistercijfers en kijkcijfers. Cultuur wordt onderdeel van het nieuws, wie aan cultuur wil doen, moet ophef maken. En aan het hoeveelste plan voor een boekenprogramma dat er maar niet wil komen zijn we inmiddels?

Een minuut of wat geleden duwde ik op de terugspoelknop. En kijk eens aan, we zijn inderdaad terug waar we waren. Cultuur, als de spreekwoordelijke kanarie in de koolmijn. En jazeker, die mijn is best renderend, maar is het daar wel zo gezond? Ik maak me daar zorgen over, en ik ben niet de enige.

# ERVARING

Ik ben intussen volop van dat andere schrijven, dat van daarover later meer, maar het eerdere schrijven verleer je nooit helemaal. Als iets me hoog zit, of er een vraag mijn richting uitkomt waarvan ik denk mmmmmja, wil ik mijn oude petje nog wel eens op zetten. Of ik geen zin heb om een reeks interviews met tenoren van de journalistiek te maken, vraagt de jonge en onafhankelijke nieuwssite Apache. En ik denk: mmmmmja.

Ik neem mijn notablok en mijn voice tracer (soms ben ik ook een beetje mee met mijn tijd). Ik stap op de fiets als ze vlakbij wonen, neem de auto als ze wat ver wonen, tik de gps in als ze héél ver wonen – en sommigen wonen héél ver. Ik ga naar Bert Verhoye, Walter Zinzen, Pol Arias, Rik Van Cauwelaert, Piet Piryns, Tessa Vermeiren, Hugo Camps.

Daarna komt Chris Van Camp mij interviewen. Maar mij hoort u hier voldoende, en Chris hoort u op een volgende Notthebomlezing – noteer die alvast. In afwachting zal ik me in deze kleine bloemlezing dus beperken tot de anderen. Ik citeer.

Bert Verhoye (© Sigrid Spinnox)

Bert Verhoye (Foto: (c) Sigrid Spinnox)

Bert Verhoye: “In de oppervlakkigheid van haar voer weerspiegelt zich de oppervlakkigheid van deze maatschappij. Kranten worden nog wel gemaakt op basis van nieuws, maar geven aan dat nieuws geen interpretatie meer. Ze praten hun lezers naar de mond, en wat die vragen is voor 90 % zelfbevestiging.”

 

 

Walter Zinzen (Foto Julia M. Free)

Walter Zinzen (Foto: (c) Julia M. Free)

Walter Zinzen: “Met de vermarkting van de openbare omroep en alle andere media is ook de vermarkting van de politiek begonnen. Een kijker heeft het misschien bij het rechte eind als hij de ene voetbalmatch beter vindt dan de andere. Maar als een kiezer de ene partij beter vindt dan de andere, omdat die ene uitpakt met een sympathiek ogende mijnheer of mevrouw, en de andere met een vertegenwoordiger die niet goed uit zijn woorden komt, dan klopt dat niet. Dat men niet probeert die onwetendheid te overbruggen, te wijzen op fouten, dat neem ik ze kwalijk.”

 

Pol Arias, 2016 (Foto: © Sigrid Spinnox)

Pol Arias (Foto: (c) Sigrid Spinnox)

Pol Arias: “Vandaag zijn verslaggevers, net als acteurs, freelancers geworden. Ook bij hen is het miserie troef voor wie zijn werk niet kan combineren met een jobke in het onderwijs. Zoals het vak van acteur hoe langer hoe minder een beroep is, zo voorzie ik dat het ook dat van cultuurverslaggever zal vergaan.”

 

 

Rik Van Cauwelaert (Foto: © Katleen Gils)

Rik Van Cauwelaert (Foto: (c) Katleen Gils

Rik Van Cauwelaert: “Dat infotainment de bovenhand is gaan halen, is rampzalig. Dat heeft geleid tot een tweesporenjournalistiek,” en hij haalt er de Franse journaliste en grande dame Christine Ockrent bij, die zegt: “een groot deel van de bevolking wil geamuseerd worden, en het gedeelte dat goed geïnformeerd is en wil blijven, neemt geen deel meer aan het debat’.”

 

 

Piet Piryns, 16 september 2016 (Foto: (c) Katleen Gils)

Piet Piryns  (Foto: (c) Katleen Gils)

Piet Piryns: “De aandacht voor buitenlandse verslaggeving is substantieel gedaald. Overal. Nog nooit hebben we zo parochiaal en provinciaal gedacht als in deze tijden van internet. Uitgerekend in tijden van globalisering steekt nationalisme weer de 9 kop op, ja. Wij meenden dat het voorbij was, maar het is veel taaier dan wij dachten, zoveel is duidelijk.”

 

 

Tessa Vermeiren, 5 oktober 2016 (Foto: © Sigrid Spinnox)

Tessa Vermeiren (Foto: (c) Sigrid Spinnox)

Tessa Vermeiren: “De kwaliteit van de media gaat erop achteruit, maar dat ligt heus niet alleen aan de journalisten. Het ligt ook aan de omstandigheden waarin nieuws wordt gemaakt. Redacties worden gereduceerd, er vallen ontslagen. En niemand durft te reageren, omdat iedereen daar zit als freelancer of met een tijdelijk contract.”

 

 

Screenshot column Hugo Camps in De Morgen

Screenshot column Hugo Camps in De Morgen

En nog eentje, Hugo Camps: “Het perfide is dat er roofbouw word gepleegd op de angst van de mensen. Ik vind het bijzonder kwalijk dat media daarin meegaan en geen tegengewicht bieden. Dat ze de zogenaamde grote leiders, de ware bedoelingen hierachter, niet ontmaskeren.”

 

 

Tot zover deze kleine bloemlezing. En voor wie er belangstelling voor heeft: de integrale interviews zijn via Apache of Uitgeverij Polis te verkrijgen als e-book.

Salman Rushdie: “Als Google ten tijde van mijn fatwa had bestaan, zou de agressie tegen mij zich zo snel hebben verspreid dat ik geen schijn van kans had.” (foto: (c) Wikimedia/Commons)

Niet toevallig loopt er in deze gesprekken zoveel parallel. Wij, mijn perscollega’s en ik, komen uit de koolmijn. Wij hebben daar rondgekeken, wij vertellen wat wij gezien hebben. En wij delen gelijkaardige ervaringen.

Zijn wij grumpy old man and women? Ja. Zien wij alleen maar het slechte?  Neen. Wij zien heus wel dat er ook goede programma’s worden gemaakt, dat achtergrondnieuws of opiniestukken hun plaats vinden naar kranten en tijdschriften. Wij zien onafhankelijke nieuwssites als Apache of De Correspondent, die gedragen worden door hun lezers, en nog wel aan degelijk en diepgaand onderzoek doen. Wij zien dat er nog altijd journalisten zijn die hun werk doen met hart en ziel, en met de nodige sérieux. Maar: het is minder evident, het wordt steeds moeilijker.

Het onderzoek, om te beginnen. Zou dat überhaupt nog plaatsvinden, als daar niet de steun was van een Fonds Pascal Decroos of enig ander mecenaat? Wat een zegen, maar ook: wat een schaamte! Dat daar moet gebeuren, wat elders werd afgeschreven. Ooit was het in dat elders nochtans evident, meer nog, was het de trots van elk zich respecterend persorgaan. Het is een beetje zoals vandaag de burgerbewegingen het overnemen, waar de politiek het laat afweten, nietwaar? Kan je/mag je tegelijk het een toejuichen en het ander betreuren? En welke garantie biedt die slingerbeweging op termijn?

Vragen. En er komen er meer. U was gewaarschuwd. Dit was pas het onderzoek, nu nog de journalisten.

# ERVARING

Ik heb ze zien gaan, de oude. En ik heb ze zien komen, de jonge. Hopend op een vaste baan, desnoods genoegen nemend met een slecht betaald en beschermd freelance statuut. Vers van de pers-journalisten met een voltijds werkende partner en twee kleine kinderen en een op afbetaling gekocht huis. Die evenmin als hun voorgangers op een uurtje kijken maar die, in tegenstelling tot die voorgangers, wèl bereid zijn te vertellen wat producent en consument willen dat ze vertellen. Omdat ze het anders helemààl kunnen vergeten, en wie zal dan dat huis afbetalen of opdraven voor de crèche of de school, waar ze hoe dan ook pas toekomen aan het eind van de nabewaking, aangezien wat kort en sexy en lekker lezend is voorrang heeft op kinderen?

Ik heb ze zien gaan, de oude journalisten, maar niet alleen omdat ze te oud of te duur waren. Omdat ze konden of durfden wat veel van hun jongere collega’s niet meer kunnen of durven. Je kritisch opstellen, de tijd nemen, doorgraven. Lastpost zijn. Zeggen, wanneer redactiechefs van te voren willen bepalen wat er in je stuk moet staan. “Gasten, ik ben niet eens vertrokken en jullie màken het al.”

De uitspraak is niet van mij maar van Marijke Libert, ervaringsdeskundige met dertig jaar op de teller. Ze komt uit een interview met haar in het laatste nummer van De Journalist, het ledenblad van de Vereniging van Vlaamse Journalisten. Marijke is pakweg een generatie jonger dan de tenoren die ik sprak, en in deze context is dat niet onbelangrijk. Want in hetzelfde interview staat verderop nog dit: “Ik hoor van journalisten op redacties dat het nu nog allemaal veel straffer is, dat ze complete scripts meekrijgen omdat alles precies moet passen in een omlijnd concept. De chefs weten nu op voorhand op welke pagina het stuk staat, hoe lang het mag zijn, welke vragen je moet stellen, welke foto erbij zal staan, hoe groot die zal zijn…”

Dit is de koolmijn van vandaag. De koolmijn, waar niet alleen de politiek en de journalistiek aan de orde is. Getuige de site van de prestigieuze London School of Economics, waarop twee jonge academici schetsen hoe solide academisch onderzoek het voortaan aflegt tegen stukken die enkel worden geschreven voor provocatie en controversie.

En hier komen de vragen. Als dit het nieuwe normaal wordt, waar is dan de dag dat niemand daar dan nog bedenkingen bij zal hebben? Geen marketeer – ha nee, uiteraard niet -, maar ook geen uitgever of chef, geen jonge of minder jonge journalist, geen lezer of kijker of luisteraar, geen academicus. En: wat komt er van de waarheid dan nog aan bod?

En dan is er nog een ander vandaag. Ik ben halfweg mijn interviews als tegen Apache een rechtszaak wordt aangespannen. Land Invest en Joeri Dillen, voormalige kabinetschef van de Antwerpse burgemeester, eisen schadevergoeding voor de artikels over belangenvermenging op de vastgoedmarkt. 100.000 euro, een doodsteek voor Apache, gedaan met grumpen. Is dit toeval?

Laat ik dat bewuste nummer van De Journalist er nog eens bij nemen. Het opent met een editoriaal van Kris Van Haver, voorzitter van de Journalistenvereniging, misschien wel grumpy maar beslist niet old. Het draagt de titel ‘Het recht op vervelend te zijn’ en het gaat als volgt:

Smalend doen over de media is ‘bon ton’ geworden. Politici die het na een ‘slechte pers’ nodig vinden om op de boodschapper te schieten, zijn de laatste tijd niet op twee handen te tellen en laten zich in alle partijen opmerken. Ook bij ons gebruiken politieke partijen sociale media om journalisten te tackelen, mediaverhalen uit hun context te rukken of als fake news te brandmerken.”

En Kris Van Haver besluit: “Zonder betrouwbare informatie is een democratische politiek niet mogelijk. En die betrouwbare informatie vergt door de wol geverfde redacties die met respect voor journalistieke principes, onafhankelijkheid en hard werk de feiten blootleggen die verteld moeten worden. Leuk of niet. Stop dus met de jacht op media en journalisten. Geef ons de ruimte en de kans om vervelend te zijn.” Sluit de aanhalingstekens.

Wat wij, de grumpies, zien is: een hellend vlak. Wij maken ons daar zorgen over, want wij zien nog iets anders. Dat zich op dat vlak twee andere spelers hebben genesteld dan de media zoals wij die kenden. En als u de volgende vijf minuten denkt dat ik weer kort door de bocht ga, zal ik u nu al zeggen waarom ik dat doe. Omdat het mij gaat om wat er achter die bocht ligt.

Ik begin bij de eerste speler, en jawel bij… #ERVARING

Straks mag ik weer naar het kieshokje, en dat koester ik echt waar als een voorrecht. Alleen valt het mij almaar moeilijker bolletjes kleuren, nu ik van politici wel weet waar ze op vakantie gaan of hun frieten kopen, en met welke saus, maar veel minder waar ze voor staan

Straks mag ik weer naar het kieshokje, en dat koester ik echt waar als een voorrecht. Alleen valt het mij almaar moeilijker bolletjes kleuren, nu ik van politici wel weet waar ze op vakantie gaan of hun frieten kopen, en met welke saus, maar veel minder waar ze voor staan. Dat komt ook, denk ik, doordat ze niet elke dag voor hetzelfde staan. Ze veranderen al eens van plaats.

Iemand als ik, met mijn vele twijfels en vragen, mag daar eigenlijk geen kritiek op hebben. Ik heb tenslotte ook niet op alles een antwoord en alleen dwazen veranderen nooit van gedacht. Alleen heb ik niet de indruk, dat het andere gedachten zijn die hen naar die andere plaats voeren. Dat het meer is: als ik hier sta, verkoop ik meer.

De politiek, met de p van perceptie. En ook van: pas op, ik begrijp dat. Probeer maar eens aan politiek te doen als je de media niet op je hand hebt. Dus kan je maar beter opdraven voor een foto-shoot of een quiz, als men het je vraagt. En als het dan toch over je corebusiness moet hebben, in of buiten de media, spiegel je dan aan hun regels.

Hou het kort en sexy en lekker. Verlies je niet in nuances of compromissen, doe datgene waarvan geweten is dat het hoge cijfers oplevert. Verpak je boodschap in quotes van hooguit tien woorden, zo scherpgeslepen dat ze tegen andere kunnen worden uitgespeeld. Want met zwart-wit scoor je in kleur nog altijd het best. Kijkcijfers of kiescijfers, zoek de zeven verschillen.

Mag ik u even uitnodigen bij mij thuis. Het is een kleine klim, drie verdiepingen, maar dan bent u er. Kijk, daar staat mijn bureau en op dat bureau staat een doos. Daarin verzamel ik knipsels, die mij om een of andere reden hebben getroffen.

Dit bijvoorbeeld. Het gaat over politiek en het laat iemand aan het woord die zegt: “Alle middelen zijn goed om de perceptie te voeden. En spijtig genoeg: het werkt.” Het is een vergeeld knipsel, zo lang zit het al in die doos, zo lang is dit dus al bezig. En die iemand is een marketingstrateeg, dat is familie van die marketeers waar ik het eerder over had, weet u nog? Toen het nog niet ging over politiek maar over de oude media, en het vlak stilaan begon te hellen. En zo komen we vanzelf we bij de tweede speler: de nieuwe media. Degene die mij, afgaand op mijn voorkeur, klasseerden bij de andere sekse. Wikipedia, Twitter, Whats’App, Facebook

# ERVARING # Bekentenis, ook.

Ik mag daar, net als de meesten onder u wellicht, graag in rondstruinen, in deze virtuele Efteling. Ik zie er poezen opduiken, heel veel poezen, veel kinderen en kleinkinderen, hele grote pompoenen en tomaten. Ik vind er oude schoolvriendinnen en verre familie terug, en maak er schaamteloos reclame voor mijn boeken. Ik heb er mijn vaste adresjes waar ik aanklop omdat ik weet dat ik er altijd verrijkt weer buiten stap. Ik ontmoet er dappere journalisten en commentatoren, die met de moed der wanhoop tegen het hellend vlak op klimmen. Maar net zo goed bots ik op alles wat ik eerder beschreef, maar dan in veelvoud en uitvergroot. Nieuws dat er geen is, ongecontroleerd, al dan niet opzettelijk verdraaid. Een wildgroei van oprispingen, die zich laten doorgaan voor meningen.

Of, zoals wijlen Umberto Eco het omschreef: “Sociale netwerken hebben recht van spreken gegeven aan legioenen imbecielen die vroeger alleen maar hun zegje deden op café, na een glas wijn, en zo geen kwaad berokkenden aan de gemeenschap. Ze werden onmiddellijk het zwijgen opgelegd, terwijl ze vandaag evenveel recht van spreken hebben als een Nobelprijswinnaar.”

Umberto Eco zal het in zijn eeuwigheid bespaard blijven. Maar ik loop daar dus nog altijd rond in die Efteling met mijn rugzak vol vragen, en stel vast dat er heel hard geroepen maar weinig geluisterd wordt. Dat er veel gepolariseerd wordt, terwijl wij misschien beter gediend zouden zijn met wat meer verbondenheid. En ook: dat er meer aanstoot wordt genomen aan een blote borst dan aan een haatpost. Dat heeft dit flower power meisje ooit anders gekend, geloof me.

Mijn Efteling is een onuitputtelijke bron van zowel informatie en desinformatie, en hoe kan het anders? Hier hoef je niet terug te vallen op ervaring, niets te weten om de grootste onzin te verkopen. Hier kan iedereen journalist of politicus zijn. Hier hoef je niet eens jezelf te zijn.

Ik maak mijn rugzak open, haal er de vragen uit. Moet ik dat heerlijk of vreselijk vinden, zoveel vrijheid? Is dit een doorgedreven vorm van democratie, heeft Eco gelijk of is hij hooghartig? Maar toch vooral: wat is waar en onwaar, in dit onoverzichtelijke dal van echte en valse feiten en identiteiten? En: welke geschiedenis wordt hier geschreven? (Ik ben, ziet u, nogal gesteld op geschiedenis, zoals bij dat daarover straks meer zal blijken!).

Ik kuier nog wat verder en bots op een interview waarin Salman Rushdie zegt: “Als Google ten tijde van mijn fatwa had bestaan, zou de agressie tegen mij zich zo snel hebben verspreid dat ik geen schijn van kans had.” Ik denk dat Salman Rushdie gelijk heeft. Ik denk dat er nog veel meer is dat anders geen schijn van kans zou hebben gehad.

Maar! Laten we toch niet vergeten dat het zondag is. En ja, misschien tekent zich zoiets af als een hellend vlak. En er is de politiek en er zijn de nieuwe media. Dat is allemaal waar, maar al bij al hebben wij het goed. Dat is net zo goed waar. Daar bent u het beste bewijs van. U bent op deze zondagochtend niet blijven uitslapen, anders zat u hier niet, lekker warm in deze prachtige zaal. Maar misschien heb u al een koffietje en een croissantje tot u genomen, straks wacht u hier nog een glaasje, en dan is deze zondag pas halfweg.

Wij hebben het goed. En wat meer is, wij kunnen nog altijd zeggen wat we willen. Ook dat is waar, anders stond ik hier niet te grumpen. Kortom, het kon allemaal veel erger, en wat volgt is daar het beste bewijs van.

# ERVARING

Deze speelt zich af in de nadagen van die bewuste fatwa tegen Salman Rushdie. Ik ben intussen van dat andere schrijven, en verder wat ik altijd al was: van de nogal solidaire soort en niet zo van onder de kerktoren. Ik word bestuurslid van PEN, de wereldwijde auteursvereniging die opkomt voor vrijheid van mening en auteurs die daarom vervolgd worden. PEN heeft Salman Rushdie helpen onderduiken, het gaat hem nu wat beter. 9/11 is dan nog veraf. Wij denken dat het mooi zou zijn een plek te hebben, waar zulke auteurs terecht zouden kunnen – voor het geval dat. Wij zijn geen luxeclubje, dus gaan wij aan de slag, en exact vijftien jaar geleden opent met de steun van de stad, de provincie en de universiteit Antwerpen de PEN Schrijversflat haar deuren. Binnenkort gaan wij dat vieren, daar hoort u nog wel van.

De eerste tien jaar ben ik kotmadam van die flat. Een Columbiaanse schrijfster zet haar koffer neer en zegt: eerst bliezen ze mijn auto op, en daarna kreeg ik telefoon, de volgende keer ben jij het. Een uit Irak gevluchte schrijver zegt: als ik mijn echte naam en adres opgeef, weten ze meteen waar mijn familie in Bagdad woont, ik ben niet gek – het is daar dan nog oorlog. Maar er komen gelukkig ook minder getergde gasten langs, zoals Luz, de topcartoonist van Charlie Hebdo. Ook die aanslag is dan nog veraf.

PEN heeft zo zijn tradities. Eén daarvan is het adopteren van auteurs in moeilijkheden. Op aanraden van Orhan Pamuk doen wij dat met zijn vriend en collega Hrant Dink. Hij heeft het meer nodig dan ik, zegt Pamuk, een Nobelprijswinnaar durven ze niet zo vlug iets doen. Hrant is amper geadopteerd, als hij voor de deur van de krant waarvoor hij schrijft, wordt doodgeschoten. Zijn Nieuwjaarswensen voor 2007 bereiken ons postuum. Zelfs het Turkije van vandaag is dan nog veraf – ik kom daar nog op terug. Nog een traditie van PEN. Op het podium een lege stoel zetten voor een auteur die er niet bij kan zijn. Die andere Nobelprijswinnaar Liu Xiaobo, die het internet nota bene een geschenk van god aan China 20 noemde, krijgt zo een stoel nadat hij, omwille van een stuk op datzelfde internet, voor de zoveelste maal is opgepakt. Zijn straf loopt tot 2020, maar die einddatum heeft hij niet gehaald. In juli jongstleden is hij gestorven. In hechtenis.

‘Hoe zou ik durven/mogen wanhopen zolang ik ze tegenkom, de journalisten en schrijvers die zich niet laten muilkorven. Ook al hebben ze af te rekenen met heel wat grotere demonen dan het gebrek aan nuance en diepgang in pers en politiek of de onbetrouwbaarheid van het wereldwijde web.’

Een derde traditie van PEN. Het Writers in Prison Committee belegert officiële instanties met protestbrieven, in de hoop gevangen schrijvers vrij te krijgen. Vaak lukt dat helaas niet, soms lukt dat wel. Ik ben op een congres in Berlijn, hij – een andere Chinese schrijver – is nog niet lang uit de gevangenis. Acht jaar, maar die heeft hij niet in ledigheid doorgebracht, bij zijn vrijlating had hij een dichtbundel klaar. Hoe hij dat deed, vraag ik, want hij heeft me net toevertrouwd dat hij pen noch papier, laat staan een laptop kreeg. Geschreven in mijn hoofd, en van buiten geleerd, zegt hij.

Zoveel tradities, mooie tradities. En desondanks stel ik vast dat er de jongste tijd meer en meer brieven moeten worden geschreven. Dat hier veel, heel veel lege stoelen zouden kunnen staan.

Word ik daar niet wanhopig van? Nee. Hoe zou ik durven/mogen wanhopen zolang ik ze tegenkom, de journalisten en schrijvers die zich niet laten muilkorven. Ook al hebben ze af te rekenen met heel wat grotere demonen dan het gebrek aan nuance en diepgang in pers en politiek of de onbetrouwbaarheid van het wereldwijde web. Met ontzag zie ik hoe onverschrokken zij de waarheid op de hielen zitten,  hoe zij hun stem blijven verheffen in artikels, gedichten, romans.

Want als hen het pad wordt afgesneden, vinden zij altijd wel een sluipweg, volgens een door de eeuwen heen beproefd recept. Dat heet verbeelding, of zo u wel: oprecht liegen.

Leugens, zoals die over een moeder die weet dat ze de gordijnen van haar appartement niet mag sluiten. Maar ze doet het toch, want het raam van dat appartement kijkt uit op een immens plein, waar gigantisch grote beelden staan van Karl Marx en Kim-II-Sung. En daar is haar zoontje heel erg bang van. Het vervolg vindt u in een verhalenbundel, die zopas uit Noord-Korea is gesmokkeld.

U vindt dat we nu wel heel ver van huis zijn? Geen nood, ik keer terug op mijn stappen. Ik neem u mee naar wat ik al een paar keer in het vooruitzicht stelde. Met daarover straks meer.

Wijlen Umberto Eco in zijn met boeken volgestouwde huis (foto: (c) Wikimedia-Commons)

# ERVARING

Een vraag. Daar begint het altijd mee, weet ik uit ervaring. En als die vraag maar lang genoeg blijft knagen, komt er een boek van. Dat boek is er intussen, het heet ‘Zwijgen’ en ik heb er alles aan gedaan om die titel te ontkrachten.

Mijn moeder gaat dood. Naast haar bed vind ik een koffertje met brieven van haar minnaar. Mijn vader is dan al dood, ook hij heeft me een pak papier achter gelaten. Zijn en haar geheim, zijn en haar fout, de ene amoureus, de andere politiek. Ik zie hoe die twee geheimen met elkaar verbonden zijn, en plots is ze daar: de vraag.

Een vraag. Daar begint het altijd mee, weet ik uit ervaring. En als die vraag maar lang genoeg blijft knagen, komt er een boek van. Dat boek is er intussen, het heet ‘Zwijgen’ en ik heb er alles aan gedaan om die titel te ontkrachten. Om de stilte te doorbreken, te spreken. Om te proberen de waarheid te achterhalen. Of minstens een stukje ervan. Mijn stukje.

De vraag in kwestie is: “Hoe kon dit gebeuren, waarom heeft niemand halt geroepen?” En echt nieuw is ze niet, als ik aan dit boek begin. Ik ben achttien als ik ze voor het eerst aan mijn vader stel. “Al die mensen die tijdens de oorlog weggevoerd werden, het kàn toch niet dat jullie daarvan niets gemerkt hebben?” Ik krijg er geen antwoord op.

De vraag borrelt opnieuw op als ik in 1999 op reportage ben in de Culturele Hoofdstad van Europa. Ik laaf me in Weimar niet enkel aan Goethe en Bauhaus, ik bezoek ook wat er nog meer aan deze vruchtbare culturele grond ontsproten is. Het nabijgelegen concentratiekamp Buchenwald. Dat die vraag zich toen andermaal stelde, en nu in alle hevigheid, had niet enkel te maken met de plaats waar ik me bevond, maar ook met wat er de voorbije tijd gebeurd was.

Uit ‘Zwijgen’: “In heel Europa was extreem rechts bezig aan een opmars, die onthutsend veel parallellen vertoonde met die van voor de Tweede Wereldoorlog. Ook België had zich daarin niet onbetuigd gelaten, met de verkiezingszege van het Vlaams Blok op Zwarte Zondag. Een nationalistische partij, die het betoog hervatte waardoor zovelen zich destijds hadden laten verleiden: op volkseigenheid geënt racisme, Vlaamse idealen als vehikel voor onversneden vreemdelingenhaat, en dat alles aangewakkerd door verdachtmakingen en stemmingmakerij.”

download-6‘Zwijgen’ is niet mijn eerste boek. Ik herken het patroon: het begint met een vraag, en al schrijvend zoek ik daar een antwoord op. Dat is nu niet anders, maar: bestaat er in dit geval wel zoiets als één sluitend antwoord? Is geschiedenis niet onvermijdelijk een wisselwerking van factoren? En is het dan niet belangrijk is de vraag te benaderen langs zoveel mogelijk kanten.

Ik begin te lezen, ik duik in archieven, ik praat met mensen. Voor een stuk ontdek ik waaraan mijn vader zich schuldig heeft gemaakt: geen zware oorlogsmisdaden (oef!), wel de foute kant gekozen. Voor een stuk ontdek ik ook waarom hij die keuze heeft gemaakt. Ik probeer dat te begrijpen, en zelfs dat doe ik voor een stuk.

Maar één ding begrijp ik niet, weiger ik te begrijpen. Omdat het mij heel, heel kwaad maakt. Dat door dit zwijgen hele generaties de lessen worden ontzegd die uit de geschiedenis kunnen/moeten worden getrokken.

Maar één ding begrijp ik niet, weiger ik te begrijpen. Omdat het mij heel, heel kwaad maakt. Dat door dit zwijgen hele generaties de lessen worden ontzegd die uit de geschiedenis kunnen/moeten worden getrokken. Dat daardoor ondergronds, en helaas hoe langer hoe meer ook schaamteloos bovengronds, kan voortkankeren wat het niet/nooit zou mogen. Ook de Zwarte Zondag van Angela Merkel is dan nog veraf.

Een boek schrijf je niet enkel in de maanden dat je het schrijft. Je schrijft het met alles wat je # ERVARING hebt meegemaakt. Het wordt mij snel duidelijk, wat ik eigenlijk al veel vroeger wist. Dat wat ik wil vertellen niet alleen gaat over mijn vader en zijn zwijgen.

Dit gaat om het veel grotere zwijgen. Dat van wie spreken kàn. Zonder vermoord of gevangen genomen te worden. Zonder bedreigd worden aan de telefoon, zonder zich zorgen te maken over ouders in een oorlogsgebied. Het gaat om het zwijgen van wie niet zou mogen zwijgen. Waarom niet?

Omdat zwijgen betekent dat je je niet meer afvraagt wààr waar is. En ja, ik heb veel twijfels en weinig zekerheden. Ik weet niet of er zoiets bestaat als dè waarheid, en nog veel minder of die op één enkele plaats te vinden is. Maar ik geloof wel dat het je niet ontslaat van de plicht haar te zoeken. En dat mensen bijgevolg niet alleen geëntertaind, maar ook geïnformeerd moeten worden. Kijk eens aan: een zekerheid. Eén van mijn zeldzame.

Ik ben niet de enige die ze heeft. In mijn doos met citaten belandt tijdens de voorbereiding van deze lezing ook dit. “Voor ons wordt het hoe langer hoe moeilijker om met jonge mensen te praten. We voelen dat als onze plicht en tegelijk als een risico: het risico dat we als een anachronisme worden beschouwd, dat er niet naar ons geluisterd wordt. Maar er moet naar ons geluisterd worden: wij allen zijn, boven onze persoonlijke ervaringen uit, getuigen geweest van een fundamenteel, onverwacht gebeuren, fundamenteel juist omdat het zo onverwacht was, omdat niemand het had voorzien. Het is gebeurd, tegen alle verwachtingen in: ongelooflijkerwijs is het gebeurd dat een heel volk, een beschaafd volk dat de bloei van Weimar nog maar juist achter zich had, zich achter een charlatan schaarde om wie men nu alleen nog maar kan lachen; en toch is hij gehoorzaamd en bejubeld tot de catastrofe toe. Het is gebeurd en kan dus weer gebeuren; dat is de kern van wat we te zeggen hebben.”

Het zijn woorden van Primo Levi, joods-Italiaanse schrijver en één van de Auschwitz-overlevenden. Vallen u ze ook op, de echo’s die hierin doorklinken? Van Hitler en Weimar, van spreken met jongeren en de noodzaak te getuigen, van een volstrekt onverwachte ommekeer in het hart van de beschaving? En ziet u bij de omschrijving van de lachwekkende charlatan – “a buffoon whose figure inspires laughter”, heet het in Engels – ook dezelfde man voor u?

Als ik op 9 november 2016 de radio aanzet, hoor ik wie de nieuwe president van Amerika wordt. Iemand die het als geen ander in zich heeft te zeggen wat mensen willen en niet wat ze zouden moeten horen. Die praat in tweets, en die wie het niet met hem eens is leugenaars noemt, pers en kunstenaars voorop. Iemand die, wanneer neonazi’s op straat komen en een wagen inrijdt op de tegenbetoging, zegt dat je ook eens naar alt-links moet kijken in plaats van naar alt rechts. En die, als een journalist daarop een vraagt stelt, zegt dat die journalist moet zwijgen. Iemand van nu die, net als de buffoon van toen, bewierookt wordt. Die een poosje later, tijdens een andere persconferentie, het woord geeft, uiteraard niet aan een journalist maar wel aan een predikant. Waarna deze op zijn beurt god dankt, omdat die Amerika Donald Trump heeft geschonken.

Ongeloofijk. Ook dat echoot in het citaat van Primo Levy. Maar is het al niet langer ongelooflijk, veel dichter bij huis? Het is 15 juli 2016, haast 10 jaar nadat Hrant Dink werd doodgeschoten. In zijn Istanboel vindt een staatsgreep plaats tegen president Erdogan. Dat is niet zoals het hoort, want president Erdogan is democratisch verkozen. Een maand later zijn er volgens officiële cijfers 40.000 mensen opgepakt en meer dan de helft formeel gearresteerd. Dat is wel zoals het hoort, zegt president Erdogan, want dissidente stemmen brengen zijn democratie in gevaar.

Twee maanden later zijn 110.000 ambtenaren ontslagen en meer dan 100 media verboden, waaronder tientallen kranten en televisiestations. Het wordt almaar makkelijker om enkel officiële cijfers over te houden, het zoeken naar de waarheid te vervangen door het opleggen van een waarheid.

Een jaar later is het curriculum van het middelbaar onderwijs herzien: de evolutieleer is geschrapt en er is minder aandacht voor Atatürk, grondlegger van de republiek. Wetenschap is te moeilijk bevonden, geschiedenis aan herziening toe. In hoever is dit zoals het hoort?

En hoe zit nu eigenlijk met dat hellend vlak? Ik ga te rade bij Wikipedia. Ik lees: Als A gebeurt en B onherroepelijk volgt, is dat een argument. Als niet onomstotelijk vaststaat dat B uit A volgt, is het een drogreden.

Maak ik mij misschien onnodig zorgen? Ben ik u aan het bedriegen? Bedrieg ik mezelf? Moet ik wachten tot het bewijs is geleverd dat B uit A volgt? En wat als dat bewezen raakt? Fundamenteel en onverwacht. Kunnen we dan nog terug naar A? Of is het dan te laat?

Wààr is in dit alles waar? Ik tast in het rond, op zoek naar woorden. Kostbare woorden zoals degene die ons hier omringen. Woorden waarin geschiedenis wordt geschreven, waarmee waarheid vorm wordt gegeven, hoe moeizaam ook. Woorden die duidelijk maken in welke wereld we leven. Vanwaar we komen, en misschien zo naar waar we gaan. Of toch zouden moeten gaan. Woorden, die ons toelaten achter die bocht te kijken, waar ik het over had. De bocht waar ik wellicht wat te kort doorheen ging. Wat ligt daarachter en wat achter de daaropvolgende bochten? Nog meer entertainment en minder informatie? Nog meer buffoons en meer gevangenen? Nog meer zwijgen?

Maar! Zover zijn we gelukkig nog niet, er zijn nog zondagen zoals deze! Uw glaasje wacht, en ik ga u niet naar huis sturen zonder een cadeautje. Ik maak de strik los, open het pakje. Er zitten geen feiten in, daar hebt u al voldoende van gehad. Wel pure poëzie, geschreven door Liu Xiabo aan zijn vrouw, tijdens één van zijn vele gevangenschappen – of moet ik zeggen, zijn “modes de vie”.

Geef me één druppel regen

die de betonnen vloer laat glanzen

geef me één straal licht

die laat zien wat de bliksem wil

Zeg me één woord

en je opent deze deur

waardoor de nacht naar huis kan gaan.

Het is tijd, dames en heren. Tijd om samen het glas te heffen. Maar vooral: tijd om de wacht op te trekken en te zorgen dat ze open blijft. Die deur, waardoor de nacht naar huis kan gaan.

 

Auteur: Ingrid Vander Veken

Ingrid Vander Veken koppelde een loopbaan van journaliste aan die van auteur. Zij schreef net zo goed reportages en columns, als theater en romans. Haar jongste boek is “Zwijgen” (Polis).
www.ingridvanderveken.be

Word nu lid van Apache en geniet van deze voordelen:

  • Toegang tot alle ruim 4.000 artikels
  • Deel de artikels gratis met je vrienden
  • Toegang tot alle dossiers en het volledige archief
  • Treed in discussie met journalisten en andere lezers
  • Korting op events en andere journalistieke producten, zoals e-books