Literatuur geneest Vlaanderen van oorlogstrauma

 Leestijd: 11 minuten1

Canvas zoekt getuigen voor een reeks documentaires over ‘kinderen van de repressie’. Jeroen Olyslaegers legt in zijn belangrijke roman Wil, zonder te vergoelijken, de complexiteit van de collaboratie bloot. Doorprikken tv-makers en schrijvers de mythes die al zeventig jaar meegaan? Is het eindelijk tijd voor de waarheid? Niet met een hoofdletter, maar in al haar nuances.

Toen Georges Wildemeersch vorig jaar Hugo Claus, de jonge jaren publiceerde ging er even een kleine schokgolf door Vlaanderen. Het feit dat een van de grootste Vlaamse auteurs aller tijden op jonge leeftijd lid was geweest van het NSJV, de jeugdvereniging van het collaborerende VNV, leek voor velen een inconvenient truth. Wildemeersch schreef dat er tijdens de repressie een strafdossier tegen Claus was aangelegd, maar dat werd zonder gevolg geklasseerd.

Claus staat in het Vlaamse collectieve geheugen gegrift als een voorvechter van de progressieve zaak. Zijn taboedoorbrekende romans en gedichten bevrijdden Vlaanderen uit de kneuterigheid en de preutsheid en zijn zelfgekozen levenseinde was een krachtig statement voor de menselijke vrijheid en zelfbeschikking. Claus behoorde, zoals de (extreem-)rechterzijde het noemt – tot de ‘linkse kerk’.

Claus

Dat zo’n monument in zijn jeugd nazi-sympathieën heeft gehad, kwam voor velen als een verrassing. Trouwens: ‘jeugd’ is hier een relatief begrip. Tot 1949 publiceerde Claus in flamingante (lees: ‘zwarte’) tijdschriften als het KVHV-orgaan Ons Verbond en Branding, het blad van Manu Ruys en Frans Van Mechelen. Hij was toen al twintig jaar en de oorlog was al vier jaar voorbij.

Claus-kenners vielen niet uit de lucht. Zij wisten dat onderzoeker Kevin Absilis in 2010 op het ‘collaboratiedossier‘ van Claus was gestoten in de militaire archieven. Die vondst deed zes jaar geleden trouwens veel meer stof opwaaien dan het boek van Wildemeersch. Claus was toen nog maar twee jaar dood en de publicatie werd als ‘onkies’ beschouwd. Zijn broer Odo nuanceerde dat Claus niet Duitsgezind maar Vlaamsgezind was geweest.

In feite is het onbegrijpelijk dat het ‘oorlogsverleden’ van Claus 70 jaar later nog ‘nieuws’ blijkt te zijn. Er zijn in ons taalgebied weinig auteurs die zo gedetailleerd geschreven hebben over hun ‘foute’ jeugd tijdens de bezetting. Het verdriet van België, samen met De Kapellekensbaan van Louis-Paul Boon, geroemd als het beste Vlaamse boek van de vorige eeuw, is veel meer dan een verzonnen verhaal over ene Louis Seynaeve. Wildemeersch toont aan dat wat Seynaeve meemaakt in de fictieve West-Vlaamse gemeenten Walle, Bastegem en Haarbeke, gebaseerd is op historische feiten. In een interview, in 1983 aan Piet Piryns (voor Vrij Nederland), had Claus ook al ‘opgebiecht‘ dat hij in de oorlog lid was geweest van het NSJV.

Hugo Claus (Foto Michiel Hendryckx - Wikimedia commons)

Hugo Claus (Foto Michiel Hendryckx – Wikimedia commons)

Vreemd genoeg deed die bekentenis toen geen stof opwaaien. Daarmee is Claus een grote uitzondering. Een tijdgenoot als Ivo Michiels wordt tot op vandaag door de Nederlandse kritiek scheef bekeken omdat hij te dicht bij de ‘zwarte’ kant stond. De positie binnen de Nederlandse literatuur van coryfeeën als Walschap, Streuvels, Claes en Timmermans is zo mogelijk nog hachelijker, ook al zijn hun ‘repressiedossiers’ vaak flinterdun of onbestaande. In Vlaanderen voedt die Nederlandse kritiek bij sommigen ook het gratuite dédain en het misplaatste wantrouwen over deze ‘Vlaemsche’ schrijvers.

Wildemeersch schrijft de unieke positie van Claus toe aan de inspanningen die de schrijver zich getroostte om “de zaken te verdoezelen, om zich onvatbaar te maken, niet gefixeerd te kunnen worden.” (interview met Yves Desmet in De Morgen van 30 september 2015). “Ik neem al mijn verschrikkelijke geheimen mee in mijn graf,” zei Claus. Hij was een meester-leugenaar.

Volgens zijn voormalige biograaf Piet Piryns had hij van elke episode uit zijn leven diverse versies.
Piryns heeft het over ‘de paradox van de Kretenzer’: “Hij liegt dat hij liegt”. Er moet natuurlijk nog heel wat onderzoek gebeuren, maar wie Hugo Claus, de jonge jaren, leest kan niet anders dan concluderen dat Louis Seynaeve in Het verdriet van België veel dichter bij de echte Hugo Claus staat dan zijn lezers ooit dachten.

Wildemeersch zegt dat het werk van Claus in het teken staat van de ‘onbepaling’. Hij zag Claus geconfronteerd worden met “een heel eenvoudig maar onoplosbaar dilemma. ‘Ik wil mezelf niet vastleggen, anderen mogen dat nog minder doen, maar hoe kan ik dan kunstenaar zijn, want ieder werk legt me sowieso voor een stuk vast? Hoe kan ik mezelf los schrijven uit dat vastleggen?’ Die dualiteit tussen de zoektocht naar de absolute vrijheid en het besef dat dat eigenlijk niet kan, tekent hem ten voeten uit.”

In zijn doctoraat toonde Koen Aerts aan dat Vlaamse collaborateurs milder werden gestraft dan Waalse

Kort gezegd: zijn hele leven lang worstelde Claus met de demonen uit zijn jeugd. Hij deed dat gelukkig in schitterende kunstwerken.

Onbepaling

‘Onbepaling’. Het woord is van toepassing voor het hele naoorlogse Vlaanderen (en België, maar dat is voer voor een ander artikel). Wie collaboreerde tijdens de Tweede Wereldoorlog (in min of meerdere mate) weigerde nadien ‘zichzelf vast te leggen’. Ze stonden (staan) ook niet toe dat anderen dat in hun plaats doen. En ze sla(a)g(d)en er niet in om zichzelf “los te schrijven uit dat vastliggen.”

Het aantal Vlaamse auteurs dat over zijn ‘foute’ oorlogsverleden geschreven heeft, is op één hand te tellen.

Maar ook de minder literair aangelegde kinderen van collaborateurs slaagden er maar zelden in om hun eigen trauma’s onder woorden te brengen. Historicus Koen Aerts (UGent) verricht al jaren onderzoek naar kinderen van collaborateurs. Die interesse ontstond vanuit de vaststelling dat het beeld dat door ex-collaborateurs en hun nazaten wordt geconstrueerd over de repressie, niet strookt met de realiteit. In zijn doctoraat toonde hij aan dat Vlaamse collaborateurs milder werden gestraft dan Waalse en dat de straatrepressie in België niet gruwelijker was dan elders in Europa. Toch is de naoorlogse, “gruwelijke”, “anti-Vlaamse” repressie van het Belgische gerecht zowat de founding myth van het naoorlogse Vlaams-nationalisme. De Volksunie en dus ook het Vlaams Blok/Belang en de Nieuw-Vlaamse Alliantie vinden hier hun oorsprong.

Koen Aerts en zijn studenten interviewen nu al een hele tijd kinderen van collaborateurs. Samen met Canvas werkt hij nu ook aan een documentairereeks over dat onderwerp. Gisteren lanceerde Canvas een oproep waarin ‘kinderen van’ worden gezocht:

Was uw familie in stilzwijgen gehuld, of werd er openlijk over het verleden gepraat? Hebt u zelf te lijden gehad onder de (gevolgen van de) repressie? Weet en begrijpt u waarom uw ouders na de oorlog werden gestraft? Zijn er spanningen die nog tot op vandaag doorwerken? Hoe heeft de oorlog uw latere leven beïnvloed? Canvas wil een taboe doorbreken, en voor het eerst die mensen uitgebreid op tv een stem geven die nog nooit eerder hun verhaal konden doen: de kinderen van de repressie.

Romans over de collaboratie

Dat Vlaanderen nog steeds in stilzwijgen gehuld is over de collaboratie en de repressie, kan ook worden afgeleid uit het aantal romans dat over het onderwerp is verschenen. Zopas promoveerde Babette Weyns aan de Universiteit Gent tot Master in de Geschiedenis met een Masterproef over dat ontwerp: Uw oorlog. Maar wij hebben hem geërfd!’ – Tweede en derde generatie getuigenissen van nakomelingen van Vlaamse collaborateurs tijdens Wereldoorlog II en het Vlaamse fictionele proza (1970-2000). (nog niet gepubliceerd, kvdb).

Ze onderzoekt vooral wat in academische kringen ‘postmemory’ wordt genoemd: een herinnering die een volgende generatie heeft aan gebeurtenissen die ze niet zelf meemaakte. Ze acht literatuur bij uitstek geschikt om ‘postmemory’ onder de loep te nemen. Daardoor begeeft ze zich wel op glad ijs voor haar collega-literatuurwetenschappers. Die doen er sinds de jaren tachtig alles aan om grote muren op te trekken tussen de auteur en zijn werk. Een roman staat op zichzelf en verwijst niet rechtstreeks naar de werkelijkheid. Het is dus volgens hen heel heikel om personages en gebeurtenissen in romans te relateren aan de werkelijkheid. Dat veel auteurs aan cryptografie doen, is gelukkig ook een inzicht dat aan belang wint in de literatuurwetenschap.

Babette Weyns onderzoekt boeken, tussen 1977 en 2000, van kinderen (Jan Emiel Daele, Greta Seghers, Monika Van Paemel, Pierre Platteau) en kleinkinderen (Erik Vlaminck en Erwin Mortier) van (groot)vaders die voor of tijdens de oorlog, in min of meerdere mate, meegeheuld hebben met de Duitsers.

Al die romans hebben gemeen dat ze zich concentreren op de problemen en de trauma’s waarmee de nazaten van collaborateurs zelf worstelden in hun jeugd. Vaders die werden weggevoerd voor hun ogen. Vaders die lang in de gevangenis zaten. Vaders die nadien hun frustraties botvierden op moeder. Moeders die voor ‘hoer’ werden versleten. Vaders die wegkwijnden van schaamte. Kinderen die zich moesten verdedigen tegen de buitenwereld die hen confronteerde met het oorlogsverleden van hun ouders. Er zijn ook herinneringen aan strafmaatregelen die werden opgelegd: het verlies van burgerrechten, het niet kunnen solliciteren voor een baan bij de overheid.

Zijn hele leven lang worstelde Claus met de demonen uit zijn jeugd. Hij deed dat gelukkig in schitterende kunstwerken

Opvallend is dat slechts weinig auteurs echt onderzoeken wat hun vader/grootvader precies heeft gedaan tijdens de oorlog. Ook worden de Vlaams-nationale representaties meestal zonder veel kritiek overgenomen. In élk boek duikt ook het beeld op van de kaalgeschoren vrouw: het beeld van de straatrepressie.

Uiteraard is er ook schuld. Alle auteurs schamen zich voor de opvattingen en daden van hun vaders en grootvaders; ook al weten ze niet precies wat ze hebben gedaan of gedacht. De ‘onbepaaldheid’, die zo centraal staat in leven en werk van Hugo Claus is – ook in een vrij recent boek als Marcel van Erwin Mortier – nog alomtegenwoordig.

Babette Weyns schrijft in haar conclusie dat het geen zin heeft om te ontkennen dat nazaten vaak verschillend reageren op het verleden van hun ouders. Ze verwerpt ook de idee dat kinderen van collaborateurs behoren tot een “trauma- of schuldbeladen homogene generatie”. Maar om dat in kaart te brengen is nog veel meer onderzoek nodig.

Nieuwe generatie

Het is te hopen dat Babette Weyns haar onderzoek ook uitbreidt naar drie recent verschenen boeken. Zo schreef Joachim Pohlman (de woordvoerder van Bart De Wever) een interessante ideeënroman (Unie van het eigen)  waarin hij drie generaties van de familie Verdickt-Ickx opvoert.

De eerste generatie collaboreert met de nazi’s, de tweede is in de ban van het communisme/stalinisme en het derde verkoopt zich uit aan het casinokapitalisme. Ik wil me hier beperken tot de eerste generatie: oom Mon die zich inschreef voor het Oostfront. Zijn vader Charles werd rijk omdat hij handel dreef met de bezetter. Hij zag daar geen graten in, werd zwaar aangepakt tijdens de repressie en noemde zich daarna Karel.

Pohlmann doet een verdienstelijke poging om een beetje grijs aan te brengen in het zwart-wit-debat over de collaboratie. Hij maakt ook geloofwaardig dat kinderen van collaborateurs, precies door het maatschappelijke isolement, vaak radicaliseerden; vooral wanneer hun vaders te zwaar werden gestraft voor ‘milde’ vormen van collaboratie. (Charles rolt een beetje nietsvermoedend in een systeem waarbij hij de Duitsers moet bevoorraden).

Unie van het eigen laat echter een wrange nasmaak na. Pohlmann geeft een wel heel eenzijdig beeld van de collaboratie. Hij had bijvoorbeeld ook de familie van een kampbeul kunnen beschrijven of van notoire verklikkers. Dat doet hij niet. Over de jodenvervolging wordt ook amper gerept.

Babette Weyns maakt komaf met de idee dat kinderen van collaborateurs behoren tot een “trauma- of schuldbeladen homogene generatie”

Een tweede recent boek haalt Babette Weyns wel aan in haar inleiding: Zwijgen van journaliste Ingrid Van der Veken. Toen haar moeder overleed in 2009, ontdekte ze liefdesbrieven waarin het oorlogsverleden van moeder en vader naar boven kwam. Zo bleek haar vader zich vrijwillig ingeschreven te hebben voor de VVAV (Vrijwillige Arbeidsdienst Vlaanderen). Zwijgen is een pareltje. Een kleine roman met grote impact. In interviews zei Van der Veken dat ze het boek wilde schrijven omdat we “de verhalen van grote oorlogsmisdadigers kennen, maar al die kleine menselijke verhalen in de zachte schemerzone niet”. Hopelijk volgen er zo nog tientallen romans, zoals de voorbije decennia in Nederland. Daar is er haast sprake van een dijkbreuk van ‘mijn vader was fout’-boeken.

Zwijgen past in het rijtje boeken van de eerste generatie-nazaten en kan op één lijn staan met Je onbekende vader van Jan Emiel Daele. Hij was, in 1977 al, een van de eerste Vlaamse auteurs die wél de archieven indook om de details te leren kennen van het oorlogsverleden van zijn vader.

Wil

En dan is er Wil, het nieuwste boek van Jeroen Olyslaegers. Al van bij het verschijnen werd het vergeleken met Het verdriet van België en het lijkt goed op weg om niet alleen een bestseller, maar ook een klassieker te worden.

Jeroen Olyslaegers (foto: Koen Broos)

Jeroen Olyslaegers (foto: (c) Koen Broos)

Olyslaegers is zelf een kleinzoon van een collaborateur maar zijn boek gaat niet over zijn grootvader. Hij voert een fictief personage op: Wilfried Wils. In zijn binnenste is Wilfried een dichter (zoals Claus, zoals Van Ostaijen) maar om den brode is hij hulpagent. Wanneer de Duitsers Antwerpen bezetten en razzia’s organiseren om joden (‘werkweigeraars’) uit hun huizen te halen en naar de kampen te voeren, wordt het spannend. De Antwerpse politie krijgt de opdracht om de Duitse soldaten te helpen. Eerst moeten ze de straten van de jodenbuurt afsluiten en toezien hoe de Duitsers de doodsbange joodse families op vrachtwagens laden. Maar in de zomer van 1942 moeten de Antwerpse politiemensen zelf joden gaan oppakken. De Duitsers zijn nergens te bespeuren.

De razzia van 28 augustus 1942 wordt een bloedbad, een horrorscène. Wie Olyslaegers het hoofdstuk hoort voorlezen, kan niet anders dan de vuisten ballen en de tranen bedwingen. Dit is de échte gruwel van de Tweede Wereldoorlog. Rauw en onversneden.

En toch blijven Wilfried Wils en zijn collega’s mensen van vlees en bloed (sic). Slechts een heel kleine minderheid van de agenten is echt fanatiek pro-nazi en anti-joods. De meesten zijn meelopers, attentisten, die de kat uit de boom kijken, gehoorzamen en hopen dat het allemaal wel zal overwaaien.

Het échte conflict binnen het korps draait rond ‘collegialiteit’. Wanneer een van de politiemannen weigert om mee op razzia te gaan, wordt hij niet om ideologische redenen zwaar aangepakt, maar wel omdat de andere agenten niet alleen willen opdraaien voor het vreselijke ‘karwei’.

Wanneer de Antwerpse procureur nadien fijntjes laat weten dat de razzia’s eigenlijk onwettig waren omdat ze zonder huiszoekingsbevel werden uitgevoerd, zijn de agenten helemaal radeloos. Precies door hun afwachtende, gehoorzame houding (aan hun burgemeester) hebben ze een oorlogsmisdaad gepleegd.

Maar het boek krijgt een verrassende wending wanneer Wilfried Wils ook ongevraagd wordt ingeschakeld om een ondergedoken jood te helpen. Waarom wordt die (door zijn schoonbroer) geholpen? Uit overtuiging of in ruil voor een paar ‘steentjes’ (lees: diamanten)?

Het verdriet van België

Wil is een belangrijk boek en het is ook een uitstekend boek. Olyslaegers zoekt de nuance op en vervalt niet, zoals Joachim Pohlmann, in al te simpel sjabloondenken. Voor hem is collaboratie niet de schuld van ‘het systeem’, maar wel degelijk het resultaat van een proces én een bewuste keuze.

“Het proces dat die agenten meemaakten om uiteindelijk een razzia te gaan houden, interesseert me,” zei hij vorige week zondag op Overlezen in Turnhout. “Ik wil kunnen begrijpen hoe het zover is kunnen komen. Maar wat ik niet wil doen is die kennis gebruiken om het resultaat goed te praten. Wie het bevel krijgt om deuren in te stampen en onschuldige vrouwen en kinderen met grof geweld af te voeren, wéét dat hij een grens overschrijdt”.

Wat heeft Wil gemeen met Het verdriet van België? Het is ook geschreven in een wervelend kunst-Vlaams dat de lezer bij de nek pakt. Olyslaegers wil vooral jongeren boeien met zijn boek en daar zal hij in slagen; zeker als hij er ook zelf uit gaat voorlezen in scholen. Want dàt heeft hij alvast wel gemeen met Hugo Claus: hij kan schitterend voorlezen.

Het andere parallel is uiteraard dat Wil ook gaat over de oorlog en de collaboratie. In de (lovende) kritieken die Olyslaegers kreeg, bleven de recensenten wel iets te vaak steken in dit soort uiterlijke overeenkomsten. En daardoor is er weinig aandacht voor het wezenlijke verschil: Olyslaegers wil de waarheid kennen. Claus wil er vooral aan ontsnappen. Om zichzelf te redden.

Er is tot nog toe bitter weinig aandacht voor de historische achtergrond van Wil. Olyslaegers is schatplichtig aan onderzoek van eminente historici als Herman Van Goethem, Koen Aerts en Lieven Saerens. Zij corrigeerden de voorbije jaren de visie die zowel aan de ‘zwarte’ als aan de ‘witte’ kant van Vlaanderen op de collaboratie en de repressie heerst. Vooral het onderzoek naar de Antwerpse razzia’s van Lieven Saerens was een goudmijn voor Olyslaegers.

Olyslaegers wil de waarheid kennen. Claus wil er vooral aan ontsnappen

De vorm die Olyslaegers koos voor zijn boek is ook belangrijk. Hij laat Wilfried Wils zelf aan het woord. Het boek is een brief aan zijn achterkleinzoon. Hij wil dat die weet wat er gebeurd is om er dan conclusies uit te trekken. Hij doet dat omdat zijn eigen dochter nooit in het reine kon komen met het oorlogsverleden van haar vader.

In die zin is Wil ook een boek dat een nieuw tijdperk inluidt in de Vlaamse literatuur over de Tweede Wereldoorlog. Na de generatie die worstelde met haar eigen ontreddering en telkens botste tegen de muur van stilte die aan de koffietafel werd opgetrokken, is het nu de beurt aan een nieuwe. Olyslaegers, maar ook een auteur als Erik Vlaminck, gaan niet gebukt onder de wetenschap dat ze uit een zwart (of grijs) nest komen. De kleinkinderen van de collaborateurs zijn zich wel bewust van hun sleutelpositie in de Vlaamse samenleving. Op een moment dat het neo-populisme de kop opsteekt en de jeugd van vandaag amper een benul heeft van de fascistische wortels van die ideologie, is het aan hen om een venster te hakken in de muur van stilzwijgen.

En misschien is Olyslaegers dan toch een beetje de Hugo Claus van zijn tijd. Claus heeft – tot spijt van wie het benijdt – vanaf de jaren vijftig in zijn leven en werk duidelijk afstand genomen van zijn totalitaire jeugddromen, ook al kwam hij er nooit mee in het reine. Hij is dat consequent blijven doen en hij heeft zo bijgedragen tot de ontvoogding van een hele generatie Vlamingen.

Op een moment dat Vlaanderen (en de wereld) opnieuw begint te twijfelen aan de fundamentele rechten en vrijheden die in de oorlogsjaren werden gekluisterd, is het hoopgevend én bewonderenswaardig dat auteurs als Jeroen Olyslaegers zowel in hun werk als in hun leven een streep in het zand trekken: de waarheid heeft haar rechten. De hele waarheid en niets dan de waarheid.

 

Auteur: Karl van den Broeck

Apache.be-hoofdredacteur Karl van den Broeck (°1966) is journalist sinds zijn 20ste. Eerst 18 jaar bij De Morgen, dan vijf jaar als hoofdredacteur bij Knack en sinds 2011 freelance. Cultuur (en dan vooral literatuur) politiek en geschiedenis zijn zijn passies. Tussendoor maakt hij tentoonstellingen en schreef hij een boek waarin hij probeert te verklaren waarom we nog altijd de indianen willen redden. Sinds 2014 is hij deeltijds Agora-coördinator bij BOZAR. In 2001 won hij de Vacature Persprijs. Op Twitter gekend als kvdbroec

Word nu lid van Apache en geniet van deze voordelen:

  • Toegang tot alle ruim 4.000 artikels
  • Deel de artikels gratis met je vrienden
  • Toegang tot alle dossiers en het volledige archief
  • Treed in discussie met journalisten en andere lezers
  • Korting op events en andere journalistieke producten, zoals e-books