Algemeende staking: Een scenario (34-35/41)


I would prefer not to. In de aanloop naar de algemene staking van 15 december schreef Bartleby, het prototype van de (individuele) staker een scenario in 41 afleveringen. Apache.be laat u dagelijks meelezen.

Wat voorafging

1 Tom

Eindelijk is het ogenblik daar.

Het moment waarop hij jaren gewacht heeft, waarvan hij nachten gedroomd heeft.

Als zo veel anderen, brengt hij zijn leven door met vooruitlopen op benauwenissen, met uitkijken naar gelukzaligheden – carpe diem, mon oeil, maak het een ander wijs – de mens denkt alleen aan morgen. Als zo veel anderen, oefent hij, herkauwt hij voor de dag waarop het zal gebeuren, en aanvaardt intussen een leven achter de schermen, een leven buiten de schijnwerpers, een leven bezijden het gedroomde schouwspel.

Als zoveel anderen, gaat hij niettemin door met zijn voorbereidselen en zijn dromen.

Alleen: het ogenblik is daar. Hij moet alleen maar. Hij heeft zich het ogenblik al zo dikwijls voor ogen gehaald, al zo vaak tot in de kleinste details voorgespeeld dat hij bijna tastbaar de ijdelheid voelt om het eindelijk ook te beleven.

Zoals in zijn dromen, gaat hij oprukken, adem uitblazen wanneer zijn voet de bal raakt – het langzame traject, de magnifieke vertraging, o bal blijf in de lucht, de plof tegen de netten, het gezicht van de doelman, de omhelzingen van de ploegmaten, het gebrul van de supporters, de felicitaties van de coach, van de voorzitter, de koppen in de krant.

Hij staat voor doel, hij gaat schieten, zijn hoofd is een caleidoscoop van beelden, geluiden en kleuren: de PM die zijn gelukwensen uitsprak voor de match, de handen gekruist, de duimen naar boven als een Romeinse keizer – de vlag, en zijn eigen kop, zijn kopje van voetballer, los van zijn lichaam, verdronken in een glanzend zwart met rode strepen. Verdronken verliest hij grond onder de voeten, zoekt een steunpunt, ziet de bal.

De bal: willoos, dof, domweg op het gras. Een bal heeft geen gevoelens, geen gemoedsgesteltenissen. Niks. Een bal kan alleen stom en dom zijn.

Niet erg. Je moet er alleen maar tegen trappen, voor de magnifieke boog, het doel, de omhelzingen, het gebrul, enz.

Een soort formaliteit.

Zoals de wensen van de PM. Formaliteiten vermoeien mij, denkt hij. Wat een onnozele kop, die PM. ‘Een land dat wint…’ Altijd hetzelfde liedje, hetzelfde afgezaagde deuntje. Hup, gelukkig nieuwjaar, waarde landgenoten, ik win, u wint, wij winnen, magnifiek. Vooruit, hup, gelukkig nieuwjaar, afgemeten glimlach, winnaar vol laatdunkendheid, mijn waarde leefgenoten.

Hij kijkt naar de bal.

Die wacht. Net als de toeschouwers, de scheidsrechter, de andere spelers. Hij moet doen wat hij moet doen. Wat voorzien is. Zijn rol spelen, zijn partituur. Het is zijn beurt, er is geen souffleur op deze groene toneelscène, maar hij kent zijn replieken op zijn duimpje. Hij heeft ze vaak genoeg gerepeteerd.

Maar nu, nu voelt hij dat hij het, nee, niet zal kunnen.

Een hoofdschudden, een vage groet aan de bal, stommiteit of niet, sans rancune, even goeie vrienden, waarna hij zich omdraait, en kalm richting kleedkamer stapt. Hij, Tom De Schutter.

2 Charles

Vanaf het wakker worden: die oorsuizingen. Sommige dagen heeft hij de indruk op een slecht afgesteld radiostation te leven. Dat gebrom, dat gegons, dat gemompel, dat hem van meet af aan begeleidt, en de moeite die hij moet doen om er zich van te ontdoen: de aandacht afleiden, andere geluiden zoeken, elders gaan luisteren. Een afmattende strijd. Tijdelijk – gelukkig maar. Hij heeft z’n blancodagen en z’n ruisdagen.

Ruisdag vandaag. Vermoeiend vooruitzicht.

Dit en de rest. Hoe het uitleggen. Benijdenswaardige positie, bliksemcarrière, aardige populariteit, lastig om jezelf te beklagen wanneer je bent wat hij is, eerste minister van een welvarend land, 38 jaar, in de bloei van het leven, sportieve allure, scherp getekend gelaat, modieus baardje, heldere ogen die openbaren wie hij eigenlijk is: een dichter, een man met een wijde horizon, gevangen in een politieke wereld waarvan de middelmaat hem, naargelang de dagen, verbaast of verveelt – hij die graag verhaaltjes neerkrabbelt op de kleine papiertjes die hij overal bij zich heeft.

Hij houdt eraan ’s morgens, in bed, voor het opstaan, vlug mentaal het bestek van de dag op te maken. Hij overschouwt het etmaal, evalueert vooraf het tempo, de waarschijnlijke log- en grofheden, en logeert er meteen enkele comfortabele momenten tussen. Zoals anderen al vooraf de sigaretten rollen die ze straks met genoegen zullen roken, organiseert hij al ’s morgens de uitstapjes en ontsnappinkjes van de dag.

Gisteravond was hij bij de gelukwensen aan de Burgermeester, op ’t Schoonst Verdiep – voorrecht der bevoorrechten. Hij kende de tekst al, had die bijna woord voor woord kunnen reciteren, maar toch heeft de toespraak hem, een beetje onverwacht, bevreemd. Iets te nadrukkelijk, aan het eind, of over het geheel, afin, hij had een onaangename verbale gijzeling gevoeld, een lichte walging. Hij kende nochtans goed diens heftigheid, tegenpool van zijn eigen flegma, de drang van de man die geen dode tijd kan begrijpen, die altijd streeft naar meer, meer hebben, meer bevelen, meer provoceren, meer agiteren. Altijd die toespraken vol oorlogszuchtige metaforen over ons geweldige land dat een hele reeks veldslagen moet winnen. Niks nieuws, routine, maar onverklaarbaar had hij zich beklemd gevoeld. En deze morgen weer die oorsuizingen.

Dat zal hem niet beletten om op te staan en te doen wat van hem verwacht wordt. Hij meesmuilt dat hij een dappere soldaat is, een dichter-soldaat, zoals velen voor hem, de geschiedenis barst van de mannen die zowel de pen als het zwaard gehanteerd hebben. Maar poëzie doet de Burgermeester grinniken. Die wil net op hetzelfde moment tegen hem gaan fulmineren: de telefoon rinkelt, op het nachttafeltje, zoals elke morgen, maar vanmorgen zegt hij bij zichzelf dat hij zal opnemen, maar nu niet, eenmaal is geen maal, hij wil zich enkele ogenblikken gunnen, adempje halen, luchtje scheppen, drie keer is telefoonrecht.

3 Mon

Nooit vroeg wakker, Mon. Nachtraaf, zei zijn moeder, God hebbe haar ziel. Man voor de bewaking in een bar, nooit thuis voor 5 of 6 uur ’s morgens. Veiligheidsagent? Ja, videur, had zijn moeder gezegd, maar dat is wel rustiger dan gangster of trafikant. Eigenlijk had ze geen ongelijk: Mon leidt z’n leventje zoals hij een bootje zou sturen over het meer van Genval. Meer dan min tevreden over z’n lot. Overdag tijd voor zijn keukenpassie, en voor martiale kunsten.

Deze morgen uit zijn bed gevallen, koffie, paraat, in glansvorm, dus vlug een aanvalsplan. Naar de markt voor het schapraai, dan de keuken in, daarna naar de training, en de dag is alweer gevuld.

Zonder monomaan te zijn, is Mon een van die mannen die zich altijd intens investeren in wat ze doen. De voorbije acht maanden Japans koken, nu de Renaissance-keuken – blancmange, sauce cameline of poudre de duc. De woorden alleen al doen van genot de mond opengaan bij wie het ongekende zoekt en dat vindt in het oude, het zeer oude – onder het stof van wiegedrukken, de reuk van ragoûts, brouets en pasteien, bij de tijd gebracht door de moderne warmte van kookplaten in retro-keramiek.

Aarzelen doet hij tussen een pastei van wortelen in sap van onrijpe druiven en beignets van pompoen met azijn en honing.

Maar omdat aarzelen niet zijn sterkste kant is, trekt hij een trui aan en zegt tegen zichzelf dat hij wel ter plekke zal kiezen aan de hand van de staat van de groenten. Deur dicht, trappen af, in dertig seconden is hij op straat.

4 Tine

‘Wat een straf om, zoals mijn grootmoeder, officieel Celestine te heten, van de orde van de ‘hemelsen’, als je je leven onder de grond moet doorbrengen.’

Zij die zich deze zuurzoete bedenking maakt, draagt die voornaam al 37 jaar en bestuurt metro’s al ruim 10 jaar. Ze mompelt het half glimlachend: ‘Ik realiseer me dat eigenlijk pas nu, geen onderaardse maar een bovenaardse naam, voorzeker omdat ik blond ben.’ Behalve dat zo’n vooroordeel, zoals iedereen weet, alleen maar van toepassing is op vrouwen met lange haren, die bevallig hun schouders kunnen ophalen en laten terugvallen in de beste blondinestijl. Maar Tine heeft het kapsel van een halve jongen, en behoort daarmee tot de blondines die ontsnappen aan voorspelbare moppen.

Maar dat is het enige waaraan ze ontsnapt. Allemaal leven we in een tunnel, metrobestuurders of niet. Vroeg opstaan om je brood te verdienen met dagelijks labeur, doodgewerkt weer thuiskomen, om dan een beetje te leven. Het leven, la vie en rose, la vie en noir, c’est la vie, soms maak je in dat leven zelfs kinderen, word je verliefd – zonder jou is m’n leven niks – geloof het of niet, krankzinnig wat je allemaal doet wanneer je geen tijd hebt om iets te doen. Werk, moderne godheid, die zonder ophouden moet aanbeden worden, want levert rantsoen. Werk, zo heeft de PM, de Meester-President, gisteren in zijn kerstwensen gezegd, Werk is een waarde, een Fundamentele Waarde. Niet zoals Lediggang, moeder van alle ondeugden, en van alle problemen voor elke regering.

Dus is Tine die morgen, voor het krieken van de dag, in haar metro afgedaald, met het nieuwe gevoel dat ze er zich gaat begraven. En met een korte gedachte aan haar buur beatnik, die nog altijd heel de dag zwerft, zonder te beseffen dat hij weldra zal achterhaald worden door de waarde Werk, dat hij maar oppast!

Lijn 13 van de metro is een nachtmerrie: helse kadans, propvolle wagons, rechtlijnig traject van een doodvervelende monotonie. Perrons waarop reizigers zich verdringen tot op enkele centimeters van de rand, die zijn het spookbeeld van alle bestuurders. Er zijn glazen voorzetdeuren beloofd, die worden elders al getest, maar in de plaats komen steeds weer sukkels en sullen in oranje hesjes, die de reizigers de rijtuigen induwen. En dan word je geacht je tijden te respecteren en uitleg te geven voor de minste vertraging.

Tine doet moeite om recht voor zich uit te blijven kijken. Ze ziet weer het grimassend gezicht van de PM, hoort weer de woorden die in lus terugkeren, vervormd door de geluiden en schokken van de metro: Arbeid, Fundamentele Waarde, Vlaamse Waarde, Vale Waarde, Valse Waarde, Ware Vlaanderen…

Voor een goed begrip: de PM is de Politicus Maximus, de Opperpoliticus van het land. Doet niet aan besturen, maar aan bijsturen. Richt en snoert de MP, de mini-ster-president en diens ministers in Vlaanderen, zowel als de eerste minister en diens regeringsleden in België. De PM heeft geen (grond)wettelijk statuut, hij kan daarom zijn PM cumuleren met een partijvoorzitterschap en een ander politiek ambt, bijvoorbeeld burgemeester (meester van een burg) of burgermeester (meester van burgers). 

5 Lucien

Laatste sigaret. De kwajongens en -meisjes van de vierde wachten ongetwijfeld al op hem, altijd op hun qui vive– dat is het voordeel van de leeftijd dat ze om 8u ’s morgens al opgewekt een klaslokaal met bleek neonlicht binnengaan.

De beste sigaret van de dag, beter nog dan de eerste koffie: hij inhaleert buiten, sinds luchtbezoedelaars de leraarskamer ontzegd is. Hij betreurt dat verbod wel, hij mocht graag verwarmd roken, maar de kou herinnert er hem tenminste aan dat hij een soort held is, iemand die behoort tot de volhouders, sigaret in de mondhoek totterdood, kwestie van principe, geen sport, geen gedoe om de nieuwe universele lijn te volgen, de lijn die, tussen twee footings door, verplicht tot een stormloop op bio-winkels, speurend naar vezels en vitaminen, anti-oxidanten en mineralen, vegetale eiwitten en complexe glucines, die, samen met zoutarme sojasaus en ronde rijst, gezondheid, vreugde en goed geweten garanderen, en vooral een lang leven – een nog langer leven, wat een verschrikking, en zonder alcohol, zonder hartig vlees – arm mensdom, dat zichzelf verliest in verfoeiing van zijn genoegens, bezig met zichzelf te haten, zichzelf smaakloze regimes op te leggen, zonder genot, maar zo gezond voor zichzelf, voor de Aarde, al die pseudoecoherauten van de Natuur, een zoete Natuur ingekrompen tot twee of drie stereotypen: foto’s van babypanda’s, babybeertjes, babyvogeltjes en andere lieve dingetjes die moeten beschermd worden; foto’s van arme maar waardige vrouwen, gehuld in pittoreske lompen in tropische zonsondergangen, magnifieke wezens in mooie landschappen, esthetisch genoegen gewaarborgd…

Stop.

Die zurige gedachten overvallen hem vroeger en vroeger ’s morgens, hij moet gaan opletten, de kinderen wachten op hem, opletten dat hij niet verglijdt tot grienen, dreinen, zeuren, een beetje over zichzelf waken, zij verdienen beter dan een bittere leraar, nog ene, het beroep is er vol van.

Lucien is graag leraar. De mensen vinden dat vreemd, zij hebben liever dat onderwijsvakbonden mopperen en klagen, hun malaise breed uitsmeren, dan kunnen zij weer zeggen dat zij dit beroep alleen maar gekozen hebben voor de vakanties, en dat ze voor de rest brompotten zijn. Zo’n etiket is gemakkelijk, gerieflijk, laten we er maar niet aan krabben.

Nochtans is Lucien dol op zijn klassen, op die bruisende adolescenten die hem uitputten, ja, maar die hem meer stimuleren dan de ouwe knarren en korsten met wie hij zou werken als hij boekhouder, informaticus of inkoper in een grootwarenhuis was. Het is veeleer de rest van de wereld die hem te moede is.

Hij duwt de deur van lokaal 407 open. De leerlingen zijn er al. Tommy, Bilal, Andrea, Khadija, Jordan, Maëlle, Aylan, Sandra en de anderen, ze wachten op hun leraar. Daar is hij.

6 Charles

Een deur die dichtklapt. Dat moet Adelina zijn. Lusofoon?, had die ezel van een Theo gevraagd, in de ministerraad. Armtierige vent, gebombardeerd tot fractieleider en daarna regeringslid, maar dom en kwaadwillig, onwetend en ongeletterd bovendien. Lusofoon, ja!, ze is Portugese, had hij neerbuigend gepreciseerd. Ah, ik was uw precieuze taal vergeten, had die kloot geantwoord.

Charles zucht en zegt bij zichzelf dat hij deze morgen een beetje tijd zal nodig hebben om uit het water te komen. Eerst het bed uitglijden om Adelina te zeggen, dat ze niemand tot bij hem doorlaat voor hij ietwat uit die verdoving, die vertraging van geest geraakt is. Zelden dat hij zijn tijd neemt, zelden dat hij een paar minuten gerust gelaten wil worden. Ik ben er voor niemand, ik weet het, de telefoon gaat, laat ‘m gaan. Weet je, Adelina, ik zou graag hebben, echt graag, dat je die koekjes, die met crème, nog eens maakt, die van Kerstmis vorig jaar, die waren zo heerlijk, met dat vleugje kaneel. Ik ga nog een beetje liggen, een beetje maar, nee, nee, ik ben niet ziek, ternauwernood een beetje moe, er zijn die oorsuizingen, maar zeg maar dat ik ziek ben, dan laten ze me gerust, en jou ook, om je koekjes te bakken, ik schuim al!

Charles was beginnen schrijven op een dag dat hij zich heel alleen gevoeld had. Om een leegte te vullen: woorden zijn als stopverf, als cement, om te vermijden dat water sijpelt tussen de dingen, de mensen of de gevoelens. Daarna was hij ermee doorgegaan en er verzot op geworden. Zijn papiertjes hadden uiteindelijk de aandacht getrokken en deden sindsdien imbecielen en theofielen grinniken. Als ze zouden weten. Als ze zijn geluk zouden kennen. De luxe je leven te kunnen uitvinden en tegelijk beleven. Als hij Theo nog sereen in de ogen kon kijken, dan omdat hij hem al had opgehangen, gevierendeeld, vernederd, vertrappeld in talloos veel verhalen, inderhaast neergekrabbeld, voor het plezier, voor het leedvermaak, voor de schoonheid soms ook. Alhoewel, schoonheid… Dat had hij zich ooit in het hoofd gehaald wanneer hij ermee begonnen was, maar al vlug had het dagelijks leven, de kleingeestigheid en het piepend raderwerk ervan, de bovenhand hernomen, en was schrijven voor hem vooral een manier van overleven geworden.

Hij schrijft allerlei soorten verhalen. Wrede, boosaardige poëzie, maar ook heldendichten, waarin hij vastberaden schittert. Zwier en branie, dapperheid en moed – een waar feest!

7 Mon

Een pastei met wortelen en sap van onrijpe druiven. Mon loert naar de producten op de schappen. Appetijtelijk, jawel. Maar helemaal niet wat wortelen waren in de Renaissance: van wisselende kleur, dichter bij de pastinaken dan deze dikke, bolle en vooral intens oranje groenten. Hoe kun je zo oranje zijn? Dat is een kleur die een beetje vulgair is dezer dagen, na het treurige misbruik ervan in de jaren ’70, maar voor wortelen kan ze aanlokkelijk blijven. Een oranje pastei, waarom niet? Ten slotte moet een gerecht niet als dit of dat zijn, niks is verplicht in een kunst die alleen maar kortstondige, vluchtige, vergankelijke werken kan opleveren, die gegeten, gekauwd, verzwolgen worden zodra ze gecreëerd zijn.

Mon kiest voor de wortelen, hij zal de oranje vulgariteit wegwerken door toevoeging van een scheut citrussap en een mespunt komijn.

Maar hij begint opnieuw te twijfelen. De markt lijkt abnormaal verlaten, de kraampjes zijn weinig talrijk, de schappen en stalletjes karig gevuld. En de gezichten van de verkopers op onvriendelijk. Die klanten niet toeroepen, niet extatisch doen over de versheid van hun waar of de onklopbaarheid van hun prijzen, nee, allemaal bekijken ze vies de enkele humeurige klanten.

Hij, Mon, waart gewoonlijk wel met schrikaanjagend gezicht door deze altijd rumoerige en vrolijke markt. Hij, die niet genoeg slaapt en altijd klaagt over de kilte of de warmte, en zijn bed dat hij mist. Zij, de marktkramers, zij lijken altijd onverwoestbaar levendig en vrolijk, stentorstemmen en ongezeglijke smoelen, zij vergloeien en verwarmen zich met bier en wittekes.

Iets klopt niet, maar wat? Mon spreekt de groenteman erover aan, een jonge gast die ongetwijfeld de aanbevolen vijf vruchten en groenten per dag consumeert, maar die desondanks – waarom zou het leven rechtvaardig zijn? – een fastfoodvel vertoont. Niks aan de hand, nee, niet dat ik weet, da’s drie euro. Nog iets?

Nee, niks meer. Mon heeft gehoord hoe de visvrouw daarstraks luid tegen de keurslager zei dat de PM een jaar vol hoop aangekondigd had. Ze moet het gehad hebben over die fameuze toespraak van 31 december die verdaagd is naar 4 januari. Waarom al die trammelant met data? De 31ste, de 1ste, de 4de, ach, het volk maalt er niet om, heeft er zelfs schijt aan.

Het volk kan die paar dagen niet schelen, allei, we gaan niet zeveren en ambeteren, de PM moet zijn vakantie in de zon niet bekorten voor een televisietoespraak, al dat gedoe, laten we modern zijn, hervormen, stof wegblazen,taboes doorbreken, gewoonten veranderen, mentaliteiten schrobberen, vooruitgaan, m’n waarde gewestgenoten.

De 4de januari kondigde de Politicus Maximus, namens de minister-president en alle mini-sters, dus hoop aan.

8 Tine

Aankomst in het station. Stop. Deuren open.

Wat nu? Beetje wachten, het signaal laten horen, deuren sluiten, vertrekken? Vertrekken voor weer een ronde, twee, drie…

Tine ziet de reizigers uitstappen, velen gaan weer open lucht happen, ontsnappen uit de tunnel waarin zij nog ettelijke uren moet blijven.

Ze volgt ze, ziet ze uitstappen op het perron, stappen, weggaan. Uitstappen op het perron, lopen, buitengaan.

Zij ook stapt het perron op – haar grote zak schuin over haar rug, het portier van haar cabine afgesloten. Zij stapt naar de uitgang. Ze volgt de mensen die naar de straat opklimmen, ze mengt zich onder de mensen die hun conversatie voortzetten of zich onder muzikale perfusie houden.

Ook zij is nu buiten.

Op dat levendige plein dat ze bijna elke dag ondersteekt zonder het te zien, opgesloten in haar cabine, waar ze van de wereld boven alleen maar brokjes ontvangt via de mannen en vrouwen die ondergronds gaan: het weer bijvoorbeeld, staat op hun kleren ingeschreven, net als de rijkdom of de armoede van de buurt waar ze in- of uitstappen.

Vooruit met de geit.

Op het Muntplein zet Tine zich in beweging. Na braaf gepauzeerd te hebben bij de verkeerslichten, steekt ze de Anspachlaan over, maar maakt dan bruusk rechtsomkeer, naar de Nieuwstraat. Smallere straat, lelijke straat. Ze loopt terug, zuidwaarts. Als je niet weet waarheen, zet dan je steven naar het zuiden, dan heb je nog alle tijd om je te bedenken, wist haar grootmoeder. Kijk, oma, ik volg nog altijd je raad, ik loop nu in een sombere en kille straat, waar de pollutie van bussen en al wat rijdt sinds lang neergeslagen en vastgezet lijkt, tussen grijze gebouwen met soldenwinkels, maar ik ga zuidwaarts, en zal me later bedenken.

9 Lucien

Routine zet zich vlug vast in een klaslokaal. Een beetje als in een bejaard koppel. Soms is alles alleen maar verzenuwing, provocatie, aandrang tot oorvijgen. Maar meestentijds ken je elkaar, en ook al irriteer je elkaar af en toe, dan weet je elkaar toch naar waarde te schatten en ben je eigenlijk een haven, of toch een kaai voor elkaar.

De leerstof van deze morgen geeft echt de warmte van een familiale cocon. Het loopt op wieltjes.

Dan stelt Sandra een vraag. Ze heeft, tot ieders verbazing, gisteravond de wensen van de PM op televisie gezien. (Wat? Heb jij naar die clown gekeken?) Hij heeft iets gezegd, over een wet die hij naar de letter en naar de geest zal toepassen en zij begrijpt dat niet goed, dat van die letter en die geest.

Ja, reageert Lucien, dat is een onderscheid dat wel eens gemaakt wordt, men zegt dat de letter van de wet doodt wanneer ze niet naar de geest toegepast wordt. Het is een beetje als wat ik daarnet geantwoord heb aan Tommy, die me zijn huiswerk afgeeft met drie weken vertraging, omdat ik zo goed geweest ben om jullie te zeggen dat ik niet te streng zou zijn voor lichte vertragingen. Tommy zegt dat zijn vertraging klein is, ik zeg dat ze enorm is, alles is kwestie van interpretatie. Je kunt vitten en haren klieven over het woord ‘licht’, de letter, of je proberen te houden aan wat ik jullie daarnet heb willen zeggen, de geest.

Jaja, akkoord, maar men zegt ons heel de tijd dat de wet de wet is, dat je daarover niet moet discussiëren, dat de wet in marmer gehouwen is, maar in feite is het een andere truc, van de onbetrouwbare soort, ook weer een kwestie van interpretatie, de ene keer de geest, de andere de letter, het hangt er allemaal van af, van wat?

De tussenkomst van Bilal lokt diverse reacties uit, maar Lucien kanaliseert alles minzaam. Hij luistert. Afin, hij luistert niet echt, hij doet alsof hij luistert, laat de draad los, volgt nog enkel vaag, laten we zeggen, de geest van de discussie, maar is de letter volledig uit het oog verloren. En begint zich plots af te vragen of hij er wel goed aan doet daar te blijven, onder het neonlicht, of hij niet wat afstand zou moeten nemen, naar de rokerszone gaan, de poort van de school uit.

Hij doet een stap naar de deur. Een tweede stap. En nog een.

En alsof het vanzelf gaat, legt hij zijn hand op de klink, draait zich naar de leerlingen en zegt: ik laat u, tot ziens.

10 Charles

De koekjes worden gebakken.

Charles dagdroomt. Hij ziet zich terug als student, flaneert door Brussel, jaren 90. Hij denkt terug aan die meneer die hij toen tegengekomen is, die zei, voilà, we gaan een weg aanleggen, een lange weg, om de Wetstraat, die toch wel veel te kort is, uit te rekken, uit te rollen tot aan de zee, kwestie van de Brusselaars een beetje perspectief te bieden. De zee aan de einder van het asfalt, kwestie van te kunnen herademen. En Brussel ja, dat zou best verlengd of verlegd worden naar de Ardennen, de Brusselaars zouden daar wat luchtiger kunnen leven. Dat spreekt toch allemaal voor zich.

Het spreekt inderdaad vanzelf, maar niemand die het voorstelt, niemand die er nog aan denkt, je gaat nog geloven dat vanzelfsprekendheden niet veel mensen meer interesseren. Hij, hij wil sommige onrechtmatigheden rechttrekken, een aantal schandelijkheden die ons fier landje in de loop van de tijd verzameld heeft. Weinigen die bijvoorbeeld weten dat de vrouw van de Onbekende Soldaat nooit enig pensioen getrokken heeft.

Alleen De Zwever, die meneer van toen, deed verontwaardigd over de kwestie, wou de vergetelheid herstellen. Hij was bezorgd om de kleine man en vrouw, hij gaf ze in zijn programma oprecht aandacht. Aandacht volstond niet, energieke maatregelen zou hij nemen als hij tot premier verkozen was. Een van zijn blikvangende maatregelen, afschaffing van het pauperisme na 10u ’s avonds, deed veel inktpotten overlopen, maar weinig commentatoren wisten de draagwijdte en het resoluut vernieuwend karakter van het voorstel naar waarde te schatten.

Hij was ook de enige die roltrottoirs voorstelde, om het werk te verlichten van de prostituees – die andere onbeminde misdeelden. Hij wou ze hun ware waardigheid teruggeven.

De politieke scène kent vandaag geen De Zwevers meer, alleen nog maar stomme ezels: die hebben het over pragmatisme, realisme, aanpassing aan de economische en sociale Context, zonder nog één voorstel om die context te veranderen. We moeten ons aanpassen aan de omgeving en die vooral niet doorkruisen, niet in de rug duwen, ook niet een klein beetje, opgepast, laten we de context niet wakker maken, niet voor het hoofd stoten, hij zal rood aanlopen, en dan, oei oei, hel en verdoemenis, de gevolgen zullen onvoorzienbaar maar wel voorzienbaar rampspoedig zijn, derhalve is voorzichtigheid geboden, laten we alleen maar afgemeten rijden op de heel kleine afgebakende wegstrook, nauwgezet de witte lijnen volgen, geen ongeluk riskeren, dan kan de Context op zijn twee oren slapen.

De Zwever, die bekommerde zich niet om de context. Die beloofde onvervaard de invoering van een feestdag de dag na elke feestdag. Die bleef stoutmoedig, weigerde zijn programma te detailleren, uit schrik dat het hem, nog voor zijn verkiezing, zou ontstolen worden. Je kunt nooit voorzichtig genoeg zijn met politici.

Hij heeft zich bij alle soorten verkiezing kandidaat gesteld, ondanks het hardnekkig en luidruchtig verzet van de anti-Zwevers. Zijn beste score, bij een federale verkiezing, liep op tot 151 stemmen.

Gevolg: de Wetstraat reikt niet tot de zee.

Ander gevolg: politieke toespraken, eindeloos, van politieke kannengieters, van pragmatische ezels. En de minister die terugspreekt. Meanderende zinnen die over hetzelfde onderwerp lijken te gaan, maar die bij nader inzien uit de handleiding voor de montage van een Pax garderobekast van Ikea blijken te komen, zo eentje met complexe dubbele schuifdeuren.

Nog een gevolg: de Context snurkt nog altijd vreedzaam, zonder dat iemand er ooit nog aan denkt hem een beetje opzij te duwen: dikke luilak, je ligt in onze weg, je verdikt met de dag, en de zee verwijdert zich dag na dag van de Brusselaars, jij,zwaarlijvige context, jij belemmert ons het zicht, neemt alle plaats in, paffer, terwijl de weduwe van de Onbekende Soldaat haar ellende draagt door trieste straten, voor en na 22u, de mensen merken het niet, ze hebben wel andere zorgen, ze werken zo veel en zo lang, zelfs de dag na een feestdag, ik zeg het u, terwijl ze almaar dunnere lucht moeten inademen.

En toch…

Ons is de zee beloofd.

11Mon

De wereld gedraagt zich vanmorgen enigszins verbijsterd – een houding die Mon wat graag helder zou kunnen identificeren, kwestie van met een licht hart te kunnen huiswaarts keren en zich in alle gemoedsrust aan zijn oranje pastei te kunnen wijden.

Goed, een karig voorziene markt, een ronduit knorrige sfeer, mensen die smoelen trekken, gotjes, ze hebben er het recht toe, niks verbazingwekkends, misschien maal ik mij de hersenen te veel voor twee keer niks.

Net als elke Brusselaar op zoek naar een antwoord, besluit Mon halt te houden in het café op de hoek. Heilzame stap die almaar moeilijker lukt in buurten die recent opgelapt zijn, waar sommige ouwe staminees opgeknapt zijn, stijl bobo, met een duidelijke voorkeur voor auberginetinten, zetels in plaats van stoelen, kunstzinnig gezeefde lichten en – onvergeeflijke ketterij – geen toog. In zo’n kader krijgt de geest het zwaar en het gezicht een doodskleur.

Mon heeft nog dicht bij huis een echt café, bevolkt door zijn traditionele pijlers, vasthoudend aan een traditionele toog, waarachter een baas heerst die alles heeft wat een cafébaas moet hebben, moustache, vaatdoek over de schouder en prompt commentaar op alles.

Hij stapt er binnen, gaat recht naar de toog, een koffie alstublieft, spitst de oren, hier weet men alles en spreekt men over alles.

De cafébaas, half over de toog, is in discussie met twee kerels. De eerste verwerft zich wat centen door de honden van oudjes in de buurt uit te laten, de andere verdient zijn leven niet, is een van de onbegrepen kunstenaars uit de buurt. Niemand heeft hun voornamen ooit gekend, Mon groet ze met een hoofdknikje.

‘Ik, ik heb die zet van dat uitstel tot 4 mei niet verteerd.’

‘Bah, we komen er toch mee weg, niet? Of het nu die dag of een andere is…’

‘Nee, ik kom er niet mee weg, meneer, ze houden ons voor stomme kloten. We vragen hem toch niet veel, alleen maar dat hij er is op 31 december, en ons een korte speech geeft, heel lang moet dat niet zijn, 10 minuten, maar nee, hij heeft geeneens 10 minuten voor ons, gelooft gij dat, gij? Waarom zouden we dan die paljas blijven verdragen, ons uit de naad blijven werken voor hem?’

‘Je hebt gelijk, per slot van rekening, het leven is geven en nemen, donnant donnant, recht en plicht, als jij mij respecteert respecteer ik jou ook, anders gaat het om zeep.’

‘Voilà, dat is het, het is om zeep.’

 

12 Tine

Zij is nog altijd op de loop, de ogen geloken: de Nieuwstraat, ingekapseld tussen te hoge gebouwen, doet nu eenmaal de ogen niet opslaan, de neus niet verheffen. De winkels zijn bijna allemaal gesloten vandaag, in volle week, de geranten lijken zich een geïmproviseerd dagje vrij gegund te hebben, een welgekomen time out. De straat wordt er nog luguberder door.

Tine vermijdt de reten in het trottoir, zoals ze als kind deed. Haar geest, zwieriger dan gewoonlijk, zwerft rond en keert weer naar vergeten spelletjes. In een hoek aan de Finistèrekerk ontwaart ze een flikkering. Haar geest springt op de gelegenheid en gunt zich een nieuwe zwenking naar vroeger, naar haar fantasietjes als klein meisje: op een dag zou ze een ring vinden, een ring met een heel grote edelsteen. Vandaag beeldt ze, 37 jaar, zich in dat ze eindelijk dat juweel gaat oprapen, dat juweel dat daar in de hoek fonkelt, en vandaag gaat ze doen wat je in zo’n geval moet doen: erover wrijven tot er een dikke wolk uit oprijst, die versnelt, al vlug een kleine tornado wordt, nog versnelt, tot de finale explosie. Waarna de rook oplost en plaats laat voor een opmerkelijke man: groot, slank en niettemin sterk, glimlachend, met sprankelende ogen.

‘Dag. Ik ben de geest van de ring.’

‘Pardon?’ (De scène, hoewel menigmaal verbeeld, blijft daarom niet minder pakkend – dromers zijn nooit geblaseerd.)

‘Ik ben de geest die uit de ring ontsnapt elke keer als je erover wrijft. Je hebt recht op drie wensen, en die zullen vervuld worden zodra je de ring weer weg, ver weg geworpen hebt , zodat iemand anders hem op een dag weer kan oprapen.’

‘Ik kan echt vragen wat ik wil?’

‘Ja. Wat zijn je drie wensen?’

Tine aarzelt. Volwassenheid was tot nu toe telkens weer een wanhopige logenstraffing van al wat sprookjes haar geleerd hadden: de Prins op het Witte Paard blijkt nergens te bestaan, padden veranderen nooit in schone jongelingen, geen fee komt ooit moede en slecht opgedirkte meisjes omtoveren in prinsessen. Men doet kinderen dromen, en dan moeten die zich vervolgens de rest van hun leven aan die zoete illusie schuren en schaven. Maar, deze morgen, treft ze zowaar wel een geest, een magische geest en nog wel een verdraaid aardige verschijning ook, die mij zelfs het kunstje met de drie wensen voorschotelt, knijp mij, ik droom, het is heerlijk.

‘Oké. Ik zou graag mijn vermoeidheid ergens achterlaten en nergens weervinden.’

‘Vervuld.’

‘Ik zou mijn dagen niet langer willen doorbrengen in een lange tunnel.’

‘Vervuld.’

‘Drie: ik zou graag een beetje meer onder de mensen komen, vrienden en vriendinnen hebben met wie ik een hele hoop dingen doe, kleine dingen, maar als het kan ook grote dingen, niet noodzakelijk het Grote Ding, le Grand Soir, maar toch, een paar dromen, enkele mythen, broeder- en zusterschappen – ik weet niet of ik duidelijk ben.’

De geest veroorlooft zich een kleine glimlach. ‘Het is heel duidelijk. Vervuld.’

Tine bekijkt de geest. Mooie man. Verdomme, een man. Helemaal vergeten. Een man had ze zich ook kunnen wensen. Te laat. Dat is het probleem met wensen. Je krijgt nooit de tijd om je erop voor te bereiden.

Iedereen is gehaast, zelfs geesten.

13 Lucien

Eentje opsteken, op weg naar het metrostation, de gedachten op wandel, je laten meevoeren door de stroom reizigers, de wagon binnenstappen, gaan zitten op een klapstoeltje, rustig wachten, regelmatig schokken, stads gewieg, vertrouwd geknars. Plots: stop.

De mensen die recht staan verroeren zich niet. Onregelmatig rijden behoort tot de dagelijkse routine. Maar de stop blijft duren, zonder uitleg. Niemand die een vraag stelt, iedereen blijft zitten, in gedachten elders, nauwelijks betrokken.

Voortrijden of blijven staan, het lijkt ze niet te deren, denkt Lucien bij zichzelf, en deelt ook dat gevoelen. Alleen dat jonge kaderlid, zwart pak, graatmager, kort haar, klein brilletje, maakt zich nerveus in zijn gsm: ‘Je weet het Ivan, het is altijd hetzelfde, voor hoeveel geld wedden dat het weer een stoot is van die mannen, het is ze niet genoeg om ons ettelijke keren per jaar te gijzelen met hun stakingen, die moesten verboden worden, nee, ze verknoeien heel de boel heel de tijd, nu weer, mijn metro staat stil, zit vast, zeker weten dat een van die idioten aan het onderhandelen is voor een bijkomende rookpauze, en wie is weer de pineut? Mensen als ik, de werkers, de echte werkers, de harde werkers – nog altijd geblokkeerd, als ik een syndicalist tegenkwam, zou ik zijn bakkes tot moes kloppen.’

Lucien hoort het jonge kaderlid aan, stapt dan uit, naar boven, naar de uitgang, naar de rookzone, de lucht moet er beter in te ademen zijn.

14 Charles

De telefoon blijft rinkelen. Die zou beter afgelegd worden. Maar het gerinkel heeft iets hypnotisch, het scandeert de verdoving waarin Charles zich laat dragen, het is een alarmsein, een sirene of een zeer schone vrouw, denken aan sirenenzang, je laten meevoeren, de Aarde vergeten, de stroming zal je meenemen, de nevellucht zit vol zoete geuren, kaneel en zilt.

Gehoorzame soldaat is hij. Die ’s morgens opstaat, ’s avonds gaat slapen, van ’s morgens tot ’s avonds zijn leven leidt. Het is de orde der dingen, denkt Charles, die is zo gemaakt, van zonsopgangen en -ondergangen, een onbeweeglijke orde, een loop der dingen, die door de vingers glijden en langzaam uitdruipen, stukjes leven die in alle richtingen wegvloeien. Al die luttele eindjes die verloren gaan, die je vergeet, die je zou moeten bijhouden, sommige toch.

Denk even: er wordt aangebeld, het is voor een levering. Ik doe open: het zijn een hoop vormeloze zakken. In die zakken alle eindjes van je leven die je verloren waande. Ze hebben natuurlijk alles door elkaar verzameld en verzakt, grote eindjes, kleine eindjes, alle soorten duimpjes en pulkjes van het leven, een onwaarschijnlijke hoop. Wat ga je dan daarmee doen? Ondoorschijnende zakken die je appartement versperren? Een zotte bazaar, een afschrikwekkende karwei van uitschudden en rangschikken, wat moet je ermee, met al die levenseindjes? Een zak even openen, en je ziet meteen dat niet alles roze is daarin, alles uitspreiden over het tapijt, walgelijk.

Kom, mijn besluit staat vast: weg ermee, ik sta ze af aan mijn biograaf, hij mag ze sorteren, dat is trouwens zijn werk, het zou er nog moeten aan ontbreken dat ik mijn leven zou verpassen door ouwe levenseindjes te klasseren, wanneer zou ik het ten andere moeten doen tussen opstaan en slapen gaan, denken ze dat ik niks anders te doen heb, opstaan, slapen gaan en tussenin leven. Die zakken, alleen al het zicht put me uit, mat me af, ik ben moe, dood, nee, die zakken kan ik er niet meer bij doen, ik heb al te veel werk, opstaan, slapen gaan en daartussen leven.

15 Mon

Eerst de fond. De meeste mensen kopen hun beslag al kant en klaar, en denken daarmee te kunnen kokkerellen. Alsof architecten hun funderingen kopen in kits, klaar om in de grond te planten. Zoveel lichtvaardigheid is beangstigend. En deeg, eenmaal bereid, geeft een korst. En de korst van een taart, die is fundamenteel. Zoals iedereen weet, is de mensheid opgedeeld in twee grote families: zij die de korst van taarten opeten, en zij die ze laten liggen. Fenomeen uit en te na gekend, maar daarom niet minder onverklaard. Geen enkele serieuze poging tot interpretatie tot op vandaag.

Mon heeft korsten altijd gegeten, hij kan zich niet voorstellen dat hij die kleine knapperige brokjes zou terzijde schuiven. Hij kijkt altijd met een blik van verdenking naar al diegenen die er zich, subtiel of brutaal, van ontdoen. En hij raakt geïrriteerd elke keer als hij recepten tegenkomt voor quiches zonder deeg – waarom dan geen soepvlees zonder rund of paella zonder rijst? Waarom moeten korstonthouders zo nodig komen met zo’n absurde recepten? Blijft dat als er één terrein is waar de posities zo ferm en de meningen zo onomstotelijk zijn, dat van de korst is. Mannen, vrouwen, bejaarden, jongeren, rijken of armen, we zijn niet gelijk voor de korst.

Mon steekt zijn hand uit naar de radio, duwt op de knop, een beetje muziek zal de kwestie tot bedaren brengen.

Het bromt, dat is alles. Stomme radio. Nieuwe batterijen van nog maar een week geleden. Tenzij er weer staking is. Maar het gebrom en geknetter is algemeen, geen enkel station is te beluisteren – algemene staking, hij zou er toch van gehoord hebben. De mannen in het café zouden het erover gehad hebben, zouden niet blijven zeuren zijn over de toespraak van de PM.

Er was dus een toespraak geweest, en daarna niks meer, doodse vlakte, zielloze routine, dagen die elkaar opvolgen en op elkaar gelijken. De batterijen blijven het niet doen. Alhoewel. Mon vindt uiteindelijk toch iets. Een station dat de meest ouwelijke muziek laat horen, muziek die zich onomwonden schatplichtig toont aan de figuur van de PM en de partij van de Burgermeester. Vreemd.

De batterijen moeten van elke schuld vrijgepleit worden.

16 Tine

Jaren geleden dat ze zich nog zo werkeloos gevoeld heeft. Ben je volwassen, is je tijd altijd geteld: voor werken, voor carrière, voor vakanties, voor vrienden, voor liefhebben en kinderen, daarvoor moet je tijd hebben, veel tijd. Je moet ook iedereen doen geloven dat je niet gierig wil zijn met je tijd, terwijl je toch vreselijk inhalig bent: je berekent, je pingelt af, een beetje meer tijd, een beetje minder, geen tijd, ik loop, jij rent, hij holt, de tijd achterna, moe.

Laten we de tijd bedriegen, denkt Tine, laten we hem verbeuzelen, verprutsen, voorbijslenteren.

Aan het werk! Aan het werk! Aan het werk!, schreeuwt de PM lang en hard, ik wens u allen een leven van labeur, een vermoeiend leven, en als u de ganse dag opgesloten zit onder de grond in een kleine cabine, jammer voor u, een leven van labeur, zeg ik u.

Maar het is mijn leven, en waarom zou meneer de PM me dat afpakken, mijn leven willen schoonmaken zoals hij dat met een vis zou doen, de ingewanden eruit halen, alles wat niet naar roze ruikt en niet presentabel is, en daarmee is het beestje goed voor het offer, op het altaar van het labeur, waar je, dat is geweten, alleen maar bloed, zweet en tranen aantreft. Een leven van labeur, labeur van een leven, diefstal van het leven. Voor mij het labeur, voor u de diefstal, ieder zijn rol, altijd dezelfde.

Dag meneer, mijn leven zint me niet meer, ik denk dat ik niet het goeie model gekozen heb, ik zou het graag ruilen, ik heb het ticket niet meer maar u ziet wel dat het ongetwijfeld van bij u komt. Maar natuurlijk, mevrouw, onmiddellijk, het model labeur bevalt u dus niet? Nee, ik ga het model dief proberen, als u er nog een hebt. Ha, u hebt geluk, hier is er een, het laatste, ze gaan weg als warme broodjes, we zijn geplunderd, een waanzinnig succes. Dankuwel, meneer, dat zit perfect. Alstublieft, mevrouw, mooi dievenleven gewenst. Merci meneer, tot ziens.

Tine denkt dat ze op een dag zoals vandaag wel iets zou kunnen stelen, ontfutselen, aftroggelen. Ja, stelen na gewerkt te hebben, stelen als keuze, stelen uit ergernis, maar ook uit plezier of uit overtuiging, zoals in die roman die ze ooit gelezen heeft, lang geleden, De Dief, formidabel, soort anarchistische vader van Arsène Lupin, zonder diens elegantie, maar die wel kordaat zei – ongeveer, moet de juiste woorden opzoeken: sommige dieven zetten alles terug op hun plaats in de huizen waar ze inbreken, ik nooit.

Waarom niet? Nu ze erover nadenkt, zou ze wel een juweel kunnen meegrabbelen. Als je dan toch iets wil stelen, doe dat dan niet minnetjes, een beetje branie kan nooit kwaad. Een diamant? Nee, te vulgair. Liever goud, of een mooie, kostbare steen, ja, een compleet sieraad, om prinses te worden, je ziet je meteen veranderen, prinsessen leiden formidabele levens, zij hebben alvast tijd, alle tijd. Niet vergeten ook een ring mee te nemen, een mooie ring, ringen bergen soms verrassingen.

17 Lucien

Juist: half protesteren heeft geen zin. Beetje protesteren, kieskauwen, als een boer met kiespijn. Waarom? Woorden – Lucien is ze een beetje moe. We moeten ze vaker opzijschuiven, de handen uit de mouwen steken. Er is veel materie om te bewerken: hout, steen, aarde. Zucht: zoek maar eens een kei in de straten van Brussel. Veel couragie.

Het trottoir waarover hij loopt, ziet er wel drollig uit. Beklad met slierten van gebroken eieren, van vastgeplakte bloem en scheerschuim. De bodem steekt schril af tegen de strenge gevel van de aangrenzende school. Natuurlijk weet Lucien wel dat scholieren en studenten niks liever doen dan elkaar regelmatig met slijmerige goedjes bevechten, bij het begin van het schooljaar, met carnaval… Kennelijk zijn de festiviteiten dit jaar verschoven. Er zijn geen seizoenen meer, geen kalender, sinds alles, ook de tijd, in de war is.

Voorbijgangers stappen vertraagd voort, zetten met gefronst voorhoofd hun voeten omzichtig rond de vlekken. Plak en slijm zijn geduchte wapens. Lucien heeft ooit meegemaakt hoe een van die onvermoeibare activisten zijn heroïsche kunst van de taartaanslag bedreef. Niemand is immuun voor slagroom. Hij ziet de scène opnieuw, en vindt dat ook hij wel eens, zo delicaat mogelijk, vette room zou willen platdrukken op het gezicht van een verbijsterde ergermens.

Hij steekt de straat over, gaat de supermarkt daar binnen, kiest zich slagroom en kartonnen borden uit, niemand bij de kassa, niemand ten andere tussen de rekken, het is een spooksupermarkt, als een verlaten filmzaal, alleen maar één kassierster, zij lijkt wel elders, ze bekijkt hem aarzelend en besluit dan toch zijn artikelen op de kassaband te nemen, scant ze snel en geeft ze hem met afwezige blik terug.

18 Charles

Ze heeft op de deur geklopt, Adelina, en een paar warme gebakjes binnengebracht. De hele kamer verspreidt een heerlijke geur. Charles, behaaglijk geïnstalleerd in bed, smult met de toppen van de vingers van een eerste gebakje, blaast er even over om zich de vingers niet te branden, hapt in de knapperige korst en dan in de vettige crème, denkt: ik zit hier goed, ik heb hier een formidabel moment.
Wat niet dikwijls gebeurt, mompelt hij er achterna.
Er bestaan misschien ergens op een andere planeet simpele situaties, zonneklare mensen, oprechte gevoelens, onwankelbare meningen.
Maar hier? Ik weet het niet.
Het is niet zo simpel.
Laten we zeggen, voor mij toch niet. Nochtans ben ik geen gecompliceerd wezen. Ik heb me altijd voorgenomen gelukkig te worden. Dat was mijn doel. En ik ben eerste minister geworden. En het geluk… In mijn diepste ben ik nooit ambitieus geweest, ik wou iets vriendelijks, iets sereens, niks anders, niks meer. Maar elke keer als ik dacht: het is er, zijn de dingen in een knoop geraakt, om te huilen. Dat verdomde geluk glijdt me telkens weer tussen de vingers zodra ik denk het in mijn handpalmen te hebben. Het tart en hoont me vanop afstand, en verzwindt wanneer ik dichterbij kom. Het lijkt zich wel te amuseren met mij. Het ergert me onderhand, ik ben het lot beu, dat het me met rust laat, vooruit, ga liggen, daar, verroer niet meer.
Omdat ik niks gedaan heb om dit te verdienen, verdubbel ik mijn inspanningen, ga ik te keer, sloof ik me uit, goede wil te veel, energie te over. Altijd met dezelfde lange olifantensnuit aan het eind. Weer mislukt. Ik begin er genoeg van te krijgen. Laten gaan … Hoewel.
Ik weet het, ik beleef geen interplanetaire drama’s, geen afschuwelijke gebeurtenissen, geen onoverkomelijk hartzeer. Nee. Mijn tragedies zijn bespottelijk, en mijn verwardheid maakt me een beetje beschaamd. Want mijn functie brengt me in contact met ware rampen. Die men mij schildert, die men mij ontleedt, die ik zie, die ik betreur, maar het zijn niet mijn rampen. Mijn drama’s zijn minuscuul. Alleen, hoe minuscuul ook, ze zijn er goed en wel. En geven mijn leven soms een bittere nasmaak.
Hoor me weeklagen.
Allons, allons. Een beetje manieren, cher monsieur, een beetje waardigheid, verdomme, een beetje allure, merde. Wat had je verwacht? Nog iemand die te veel gelezen heeft. Waar, ja, heel waar. Al die woorden, al die idiote dromen opzuigen, en wat is het resultaat? Heb medelijden, hou ermee op, asjeblief. Heb je geen karwei op te knappen? Ja ja, wel zeker. Dus rol je mouwen op, cher monsieur, het is voor niks goed om je domweg te verwijven. Ik sla de hand aan de ploeg, gek wat ik allemaal moet doen. Goed, ik ga niet meer aan mijn historietjes, aan mijn ijdele hersenspinsels denken, ik ga niet langer zoeken wat ik nooit zal vinden. Aan het werk, nog een of twee koekjes, en, zonder fout, ik zet me er weer aan.

19 Mon

De wortelen stoven zachtjes in de pan met de witte wijn, de honing en de kruiden. De radio staat uit, het appartement is vreselijk stil, Mon krijgt mieren in de benen. De wortelen stoven niet snel genoeg, het maakt hem ongeduldig, de keuken weet hem voor een keer niet te ontspannen, hij moet naar buiten, lopen, mensen zien. Zinloos om ertegen te vechten, hij geeft het op, dooft de kookplaat, doet een deksel op de pan, zal de taart later afwerken. Eerst zijn tas pakken en naar de oefenzaal, die is, gelukkig, dichtbij, het zal daarna beter gaan.
De vestiaire ruikt vandaag naar javelwater. Eenmaal in zijn kimono, voelt Mon zich meteen beter. De kleren helpen, gelukkig, om niet altijd dezelfde man te maken. De vlekkeloze witheid van de kimono heeft iets vertroostend. Kimono’s hebben ook geen zakken, geen van die verborgen plooien vol geheimen en schaduwen, kimono’s zijn recht, strak en wit, allemaal identiek. Armand, een ancien van de club, zwarte gordel sinds oudsher, vertelde vorige week nog dat er in Portugal een dorp is, Nazaré, waar de vissers kleren met zakken mijden, want de duivel kan zich erin verstoppen. Op de tatami bestaat het probleem niet, iedereen deponeert zijn persoonlijke omhaal vooraf elders.
Hij stapt in de Japanse sandalen om naar de tatami te gaan. Het zijn traditionele sandalen, met een zool van stro. Hij trekt de strik van zijn gordel aan. Hij groet en het kan beginnen.
Opwarmen, technieken repeteren, gestileerd vechten. De ademhaling, de inspanning, de precieze gebaren, de grepen, lichaam en geest gespitst op één doel. De rest verbleekt: de markt en zijn deprimerende doorgangen, het café en zijn brompotten, de oranje taart, de radio en zijn kouwe drukte, het verdwijnt allemaal.
Mon denkt alleen nog aan de imposante massa van zijn partner, aan zijn voeten en vuisten, soepel blijven, ontwijken, vooruitstappen, wippen, vallen, vastzetten. De sparring partner blijkt niet erg in vorm, zwaarder dan gewoonlijk, trager, onder ballast, alsof zijn kimono zakken vol zorgen heeft. Nicolai is nochtans een hardgekookt ei, nooit eerder kon Mon hem zo domineren, trap van voren, trap achterom, swing in de ribben, Nicolai blijft verstijfd, de wereld draait in de goede richting vandaag, maar het heeft niet alleen nadelen.
Verzamelen voor de groet. Rust.
Tijd voor het rituele glas na de sessie, verplichte overgang waaraan niemand zich gemakkelijk kan onttrekken.
De hondenuitlater en de onbegrepen artiest zijn er, trouw op post, de baas droogt zijn glazen, Mon en zijn kameraden nemen plaats, een pintje voor elkeen, het toneeltje is meermaals gespeeld, maar blijft niet minder gesmaakt, alles is vertrouwd, tot en met de amberen frisheid van het bier, dat, onontkoombaar, zal gevolgd worden door nog een en, wie weet, door nog vele.

 

20 Tine

De Louisalaan, luxueus en onveranderlijk: Tine voelt pijnlijk de lompheid van haar aanwezigheid, haar oude jeans en haar plompe schoenen zijn miscast naast de uitstalramen van de grote couturiers en juweliers. Je moet hier rijk of toerist zijn. Haar glorieuze dromen van juwelenroof zijn belachelijk, mensen van haar soort gaan niet binnen in dit soort boetieks.
Zij moet weer denken aan dat fait divers van een paar jaar geleden: een Franse actrice aangehouden terwijl ze juwelen probeerde te stelen op de place Vendôme in Parijs. Alleen: die demoiselle was geen dievegge in jeans en klompschoenen, zij had de juwelen handig in haar boots laten glijden. Haar steltlopers. Sommige vrouwen hebben cuissardes, andere niet. Sommige zijn actrices, andere besturen metrostellen; dat doen in hoge botten ware volslagen ridicuul. Misplaatst. Alles heeft zijn plaats, boots voor actrices place Vendôme, geschuurde jeans en dikke schoenen voor metrobestuursters. Voor actrices sublieme of tragische liefdesgeschiedenissen, voor metrobestuursters een vredig leven van sympathieke of authentieke liefdes, van rustige nachten en dagen, de eerste besteed aan slaap, de tweede aan een banaal leven zonder melodrama, vol kleine vreugden zonder grote gevolgen.
Tine, vergis je niet van leven. Vind een jongen die je hart een beetje doet versnellen, met wie je op pad gaat, langs een goed onderhouden baan, en kom je aan een kruispunt staat alles keurig aangegeven. Hoe bijziend de reizigers ook zijn, de borden zijn hel verlicht, heel groot en zonder de minste dubbelzinnigheid. Links: ‘goed geasfalteerde weg naar het geluk’. Rechts: ‘oneffen weg naar het ongeluk’. Ik draai me naar mijn rustig maatje en zeg hem met overhalende glimlach: ‘Welke weg nemen we, schatje?’ En hij antwoordt me op de hem eigen bedaarde toon: ‘Laten we links inslaan, zoetje, dat lijkt me het aantrekkelijkst.’
Dan sla ik links af, en we rijden, rijden, rijden lange tijd, en zijn formidabel gelukkig.
Ik lach er niet mee.
Tine vordert met slepende tred, denkt: ik zou beter elders rondlopen, deze laan is eigenlijk tamelijk lelijk, grijs, arrogant, de trottoirs zijn te breed, je loopt er verloren tussen de etalages vol onfatsoenlijke prijzen, niks te stellen hier, verkeerde gps, verkeerd verzette wissels. Waarom een pretentieus juweel stelen? Het is nutteloos. En in de ringen hier huizen geen geesten, het zijn ringen met een steriele glans. Ik moet iets anders zoeken.
Zij versnelt haar pas, weer gerustgesteld dat ze een doel heeft – en vluchten is een doel als een ander – wanneer ze plots die man opmerkt, ze blijft staan, bekijkt de neergehurkte man, ook ongepast hier, nog meer ongepast, gelet op de activiteit waaraan hij zich overgeeft.

21 Lucien

Een augurk. Een augurk vinden. Een schone, een echte cornichon.
Lucien loopt sneller en sneller, wel wetend dat hij de subtiele regelen van de taartkunst niet respecteert, de minutieuze voorbereiding, het collectief werk en de uitgewerkte strategie. Maar hij, hij beoefent die kunst enkel als amateur, als bewonderaar, bewust van zijn beperkingen, maar niettemin vol goesting om het spel te spelen, één enkele keer, vandaag.
Hij loopt vlugger en vlugger, instinctief de kant uit waar de augurken zich genesteld hebben: de schone straten.
Op de Waterloolaan realiseert hij zich dat hij zo dadelijk de duurste straat van de Monopoly gaat inlopen. Hij versnelt zijn pas, het vakje Vertrek is nabij.
Vanaf de Louisalaan voelt hij een lichte duizeling – die straat, die grijze plaveien, die imposante auto’s. Het is een goeie hoek.
Hij pakt zijn aankopen uit. Opent het pakket kartonnen borden, hij heeft rode gekozen, rood signaleert gevaar, alarm, rode kaart, mulete van de matador, rood maakt onoverwinnelijk.
Hij stapelt er een heel aantal op elkaar, de basis moet stevig zijn, smeert de slagroom uit, die schuimt, knarst zachtjes. Slagroom is een geweldige materie, veronachtzaamd door artiesten. Hij maakt zich vrolijk over zijn luchtige sculptuur, modelleert die met zorg. Als de kwajongeren van 4°3 hem zagen, trappelend van plezier voor zijn valse roomtaart, zouden ze zeggen: godjezus, bij de prof is een kabel gesprongen, zoiets gebeurt soms met leraars, daarna stopt men ze in speciale huizen met andere ineengedoken leraars, vervangt ze door jongere exemplaren, maar soms kraken die jongeren ook, zoals de leraar wiskunde vorig jaar, tijdens zijn les in 5°2, alle huiswerken die hij ging teruggeven gooide hij door het venster, lachte sinister en zei: kijk, uw papieren, ik heb er vliegende schotels van gemaakt, en die zijn neergestort op de speelplaats, en daar ga ik erop pissen, ja, pissen, al heel lang droom ik daarvan, hahaha, maar toen kwam de onderdirecteur binnen en die zei: meneer Morbier, gaat alles wel goed?, kom mee, wij zullen ons over u ontfermen, jij daar, hou je kameraden even in de gaten, kom meneer Morbier. We hebben hem niet meer teruggezien.
Lucien zet zich weer recht, de jongens en meisjes zijn er niet om hem te zien, hij is alleen op de hoek van Louisalaan en Waterloolaan, met zijn room en zijn rode borden. Hij is klaar en plots ziet hij ‘m.
Een prachtige augurk.

22 Charles

Er was eens een teerbeminde vrouw. Zoveel liefde, lieve woorden en kussen, daarna niks, de leegte. Hij bewaart ‘m nog in de la van zijn nachttafeltje, de brief die hij geschreven had, of toch een van de vele kladjes die eraan voorafgingen, zij had alleen maar heel kort geantwoord, zij nam akte, dat was alles, zij was al terug bij haar echtgenootje, van wie zij niet meer hield, of misschien toch wel, maar die haar oneindig geruststelde – de klamme cocon van de gewoonte, wie daarin gaat schuilen loopt eigenlijk alleen maar het risico om er langzaam in te verrotten, trage, onmerkbare ontbinding, te midden van weeïge, suikeren maar dodelijke uitwasemingen.

Hij strekt zijn arm uit naar de schuif en haalt er een hele hoop paperassen uit, een handvol officiële brieven met het zegel van het Koninkrijk, benoemingen, diverse verzoeken gericht aan mijnheer de Eerste Minister, en vindt onderaan dé brief. Het papier voelt al een beetje vodderig, je zou liefdes- of verbrekingsbrieven niet eindeloos moeten bewaren.

Hij vouwt ‘m zorgvuldig open en leest de woorden die hij uit het hoofd kent:

Geen nieuws goed nieuws, soms is het waar, mon bel amour.

Ik ben ermee verzoend dat tussen ons het gordijn valt dit weekend, we hebben die uitdrukking ooit samen gebruikt, en soms, zoals nu, duurt het vallen van het gordijn een beetje langer, waar ben je, ik weet het niet, wat doe je, ik weet het niet, wat voel je, je bent zo ver. Ik heb het moeilijk met die halve eenzaamheid of dit liefderijk halfleven. Ik ben bij je en dan, een uur later, ben je er niet meer, ik weet dat je leeft en dat ik van je zal horen binnen 1, 2, 3 dagen, soms langer, maar in afwachting is er een zwart gat.

Wanneer ik niks meer hoor, word ik elke keer weer geconfronteerd met wat mijn leven sinds enkele maanden is, een mengsel van gebrek, droefenis en frustratie. Vandaag heb ik nagekeken of ik niet al was het maar één woord gekregen heb voor ik naar de Zestien in de Pretstraat/rue de la Joie vertrok, opnieuw en opnieuw heb ik gekeken, als een klein jongetje, het kan me niet schelen, het kan me niet meer schelen, ik kan een harnas aangorden, zelfs een kinderlijke wapenrusting, dat schermt af maar ik heb de leeftijd niet meer.

We hebben al vaker met elkaar gepraat over onze historie, wat ze aan moois maar ook aan ongevoeligs heeft, voor ons beiden, en die gesprekken kwamen er gewoonlijk na mijn gemoedsgolven, die komen en weer gaan, ik heb het gevoel de wereld te beladen met mijn klachten.

Ik heb mensen rondom mij zich zien schikken in een intiem leven dat ze niet echt aanvaarden, dat ze deed lijden, dat ze zuur, wrevelig en lelijk deed worden. Ik weet niet meer wie gezegd heeft dat de enige metgezel met wie iedereen heel zijn leven wil doorbrengen, dat dat zichzelf is. Ik wil geen griener, geen zeur worden, want ik wil me wel kunnen verdragen tot het eind van m’n leven.

In de mooie tocht die we samen gemaakt hebben, was ik alleen maar clandestiene reiziger, blindganger, met al wat dat veronderstelt aan ongerief.

En wanneer ik dan denk aan je zwijgzaamheid van de laatste dagen, zeg ik tegen mezelf dat het zaterdag je verjaardag was, dat je zonder twijfel, terwijl je dat in familieverband vierde, serieus getwijfeld hebt aan wat je beleeft met mij, of wat je al helemaal vergeten bent.

En dan is het weer zomer, ik denk er al lang aan, de scheiding die dan wacht, al lang denk ik eraan als een bedreiging voor ons beiden, als iets dat ik waarschijnlijk niet te boven kom, en jij misschien ook niet. Elk van ons gaat wekenlang leven zonder de ander. En gaat die misschien wel vergeten. In afwachting beleven wij een soort amoureuze doodsstrijd.

Daarom, om een eind te stellen aan wat me pijnigt, me ondermijnt en ten gronde richt, ook al weet ik dat er tussen de scherpe keien ook enkele goudklompjes zitten, verkies ik je nu ‘tot ziens’ te zeggen. Er is geen plaats voor jou in mijn leven, en mijn leven kan zich niet beperken tot een tweederangs rolletje in een vage vaudeville. Adieu dus, m’n liefste, m’n tweelingzus, m’n smart, ik wens dat je gelukkig bent.

Intussen op de radio Nothing really ends van Deus:

Do you still love me?/ Do you feel the same/Do I have a chance/Of doing that old dance/With someone I’ve been/Pushing away/And touch we touched the soul/The very soul, the soul of what we were then/With the old schemes of shattered dreams/Lying on the floor.

Charles vouwt de vellen dicht. Misschien heeft ook zij haar brief bewaard, misschien is ze die ook op dit moment aan het herlezen, of heeft ze die allang weggegooid. Hij heeft de brief bewaard want hij is bang te vergeten; hij zou nooit helemaal vergeten, zoveel is zeker, maar hij zou een beetje kunnen vergeten. Het geheugen is verraderlijk, het vervalst, verdraait, verkleurt de dingen mettertijd, snijdt ons af van wat we meegemaakt hebben, dus moet je terug naar de bronnen, snuffelen in de archieven, de brieven herlezen, en hun kladjes.

Hij legt ‘m terug in de schuif, onder de hoop officiële missives.

23 Mon

Yannick heeft een pint en het woord genomen. Hij traint hen al jaren, met vuistslagen, beenworpen, sleutels, onvermoeibaar, met kracht en overtuiging, zonder dode tijd.

Hij drinkt zoetjes zijn pils en heeft de blues, Yannick. Opvallend. De man die nooit veel zegt, zich nooit laat gaan, intimiteit is niet zijn genre. Terughoudend zodra het gaat over zijn leven buiten de tatami. Maar nu, nu heeft hij het over de voetbalmatch van gisteren: hebben jullie dat gezien, die penalty, op een schaaltje aangeboden, ik zat op mijn knieën voor de televisie, het hele scherm gevuld door de toekomstige held, de camera die trilt, de speler die een beetje te veel aarzelt, je ziet zijn ogen zoeken, zoeken naar wat, en dan zijn we hem kwijt, de camera heeft hem opnieuw, helemaal in de rug, jezus, de kloot laat ons in de steek, ja, hij gaat terug de kleedkamer in, zo maar, de stilte van de verblufte commentator, en het beeld, de man op de rug die kalm opstapt, die weggaat, geloof me, dat was iets!

Ik zou hetzelfde kunnen doen, ik begin aan de training, de opwarming, de gebruikelijke bewegingen op de tatami, en dan ineens, saluut jongens, trek jullie plan, zonder mij, alles welbeschouwd, waarom al dat lopen en springen, tikken en slaan, één, en twee, en drie, altijd dezelfde bewegingen, dezelfde cadansen, nooit een beetje vermoeid, ik bedoel in het hoofd, waar lijkt dat op, per slot van rekening. Terwijl ik andere dingen had kunnen doen, een ander leven had kunnen hebben, elders, dit uitputtende ritme, welke zin heeft het?

Jullie zullen verrast zijn als ik zeg wat ik bijna gedaan had, en wat ik had willen doen. Nee, jullie kunnen het niet raden, dus zeg ik het jullie wel, mijn droom was bloemist. Werken op een plaats die goed ruikt, bloemen schikken en onderwijl aan iets anders denken, dat had ik graag gedaan, zeker weten. Ik hou van bloemen, vooral bloemen die nog niet helemaal wakker, nog niet volledig ontloken zijn, anemonen bijvoorbeeld. En ranonkels en boterbloemen, wat een rondheid! Maar bloemisten moeten van alles verkopen, ook chrysanten, die vreselijke herfstbloemen die vies ruiken en de vulgariteit zo ver drijven om zich in schreeuwerige kleuren te verven. In elk geval, mijn meest geliefde bloemen, klaprozen, die verkopen bloemenwinkels niet. Dat kan me trouwens geen barst schelen, want ik ben geen bloemist.

Yannick drinkt zijn glas leeg. De anderen duiken allemaal weer in het hunne, dat geeft een houding.

Mon zwemt in volle verwarring. Wat hebben ze allemaal vandaag? Zelfs Yannick, die rots, die natuurkracht die alle ontmoedigende liedjes, alle kwijnende wijsjes doet zwijgen, nooit een woord of een toon hoger dan een ander, de soort die stalen zenuwen in de ijzeren hand houdt, en zie hem nu, natte ogen en bloemen in de mond.

Iedereen drinkt met regelmatige kleine slokjes. Mon zou graag weten waarom vandaag alles omgekeerd loopt. Onfeilbare mechanismen bestaan natuurlijk niet, alles draait, keert, en op een schone dag, paf, panne, een zandkorrel ergens, en alles draait door of alles stopt. Nee, de ware vraag, de werkelijk beangstigende vraag luidt anders: waarom als alles nu scheef of anders draait, waarom blijft hij, alleen hij, in dezelfde pas lopen?

24 Tine

De man is groot en mager, hij is geruisloos recht komen staan, alsof zo’n lang lijf alleen maar langzaam kan opengevouwen worden. Tenzij al die voorzorgen alleen maar bedoeld zijn om het rode plateau in zijn hand in evenwicht te houden – een plateau, of eerder een bord, vol met een soort vlekkeloze schuim.

Hij lijkt op een witte clown zonder schmink, lunair en serieus, die aanstalten maakt om het podium te betreden. Tine vindt hem mooi, ze heeft altijd van clowns gehouden, vooral witte clowns en hun luchtige elegantie. Kort haar, donker, heldere huid, zijn jeans en zijn vest lijken verfomfaaid, maar zijn schoenen glanzen.

Hij kijkt om zich heen, maar dan blijft zijn blik haken. Als een jachthond die blijft staan, fixeert hij intensief de overkant van het plein, neus in de wind, woeste lach. En schiet vooruit. Elastische, vastberaden stappen.

Tine volgt hem, zonder dralen, de grote stappen van de dolleman verplichten haar bijna wijdbeens te lopen. Hij stapt naar de zwarte officiële wagen die aan het eind geparkeerd staat. En stopt op een tien meter ervandaan.

Wat doet een witte clown op deze onheilspellende plaats? Misschien zoekt hij z’n Gust, zijn kameraad met de rode neus en de extravagante kleren die altijd aan zijn slippen blijven hangen, zijn Gust is waarschijnlijk zijn streken elders gaan uithalen, en de witte clown is nu overal aan het snuffelen, vraagt zich af waarin hij zich nu weer heeft kunnen verstoppen, maakt zich zorgen, want in het koppel wit-rood schuilt er wijs- en domheid, meester en dienaar, autoriteit en rebellie, orde en chaos, althans in normale tijden, te weten de dagen dat de metro normaal rijdt, de winkels allemaal open zijn, geesten niet uit ringen oprijzen, maar vandaag is het anders, en zou de orde der dingen best een beetje verstoord kunnen zijn, wie weet hoe gevoelig witte clowns en gusten zijn voor de tijdgeest.

Een man stapt uit de auto, als hij de Gust is verbergt hij dat goed, de vlegel weggestopt in zijn driedelig grijs pak, dit is een dag van listen en voetangels. Hij trekt zijn vest in de plooi met een paar rukjes – een te bruusk gebaar zou de Gust kunnen verraden. Hij doet een stap vooruit, een tweede stap, niet meer. Omdat de witte clown zijn pas versneld heeft, aan de neus en de baard van zijn kameraad getrokken heeft, om hem dan zonder mededogen in het gezicht te drukken wat de facto een slagroomtaart is.

Tine heeft al jaren geen gelegenheid gehad om naar het circus te gaan, zij is in de wolken, in volle straat zo maar op een schouwspel van clowns vergast te worden, wat een buitenkansje, alles lijkt zo geïmproviseerd, zo levendig, dit is spektakel, en de gust die roept en schreeuwt, die trappelt en stampvoet, die gebaren maakt en zijn maten te hulp roept, mag hij dat zo maar? De maten zijn ver, maar komen eraan, waarop de witte clown het hazenpad kiest, weg glipt zonder zijn overschot aan de andere kant mee te nemen.

Zonder nadenken volgt Tine hem.

25 Lucien

Lucien loopt, loopt zo ver zijn longen toelaten, hij loopt om niet door de handlangers van de Augurk ingehaald te worden, hij heeft voorsprong, geen probleem, maar hij moet weg van dit plein, en vlug wat, het oude dametje met de violette haren ontwijken – opgelet, oudjes met violette haren zijn geen punks, zoals de jongens van 4°3 zich vorige week afvroegen, nee, het zijn elegante oude dames die niet willen weten van witte haren die vergelen, jawel, violet is toonbaarder dan geel – vooral niet weglopen langs de Regentstraat, maar langs het Poelaertplein naar de Miniemenstraat.

Op de hoek van een kort straatje stopt hij om op adem te komen. Verdorie, zowaar per ongeluk op gouwleider JanJam vallen, wat een geluk, ik bof, ik had met tweeën moeten zijn om het te filmen, te filmen en ook erover te praten, om de scène terug te zien, te delen, te proeven en te smaken, het was een fraai schouwspel, JJ onder de slagroom, zijn uitpuilende ogen, zijn gutturale kreten, magnifiek, knap werk.

Bravo, dat was geniaal.

Lucien springt recht. Iemand heeft iets tegen hem gezegd, hij heeft niemand zien komen omdat hij ondergedoken was in zijn dromen, omdat hij weer wou bijkomen van zijn luidruchtige ademhaling. Mijn god, het is een vrouw. Here, een jonge vrouw, beetje klein, maar fijn en blond, jezusmaria, ze is lief en leuk. En wat een glimlach!

Dat was geniaal, die slagroom, paf, pal op de gust, de kop van de gust, de kreten van de gust, uw hordenloop, dat was geniaal, ik heb ervan genoten.

De gust?

Ja, uw kameraad onder de room, fenomenaal, bravo!

Merci. Wel, om eerlijk te zijn, het doet me echt genoegen dat er een toeschouwer was, ik vond het een beetje jammer dat ik voor niemand gespeeld heb.

Ik was er bij toeval, bij vergissing. Ik wou opstappen en ik zag u, ik heb alles gezien, het vooruitschieten, het toesnellen, het taarten, het weglopen. Knap gedaan, ik ben een voldaan publiek, dank u.

En me komen bezoeken, zomaar, in mijn loge, om me te feliciteren, dat is goddelijk van uwentwege.

Dat is niet mijn gewoonte, ik verafschuw groupies, ik loop niet graag de mensen achterna, ik haat het om te zeggen dat ik dol ben op wat u doet, alleen, vandaag vind ik het anders.

Ja. Ik offreer u een koffie of iets anders.

Zij stemt in, zij heeft er nu tijd voor.

26 Charles

Er ligt nog een blad onderaan in de schuif. Nog een brief. Minder voddig dan de andere. Hij heeft die ooit ontvangen als een oorveeg, en er een tijdje een brandmerk van overgehouden. Van een vrouw, een andere, nadien, van wie hij niet heeft kunnen houden, niet kunnen of niet willen, hij heeft toen geschipperd met zijn gevoelens, is schriel en karig geweest met zijn liefde.

Op een dag, want soms zeg je idiote dingen, had hij die zin uitgesproken, had hij haar gezegd, moeilijk te geloven dat hij zo’n stommiteit heeft kunnen zeggen, maar in zijn ongemak van toen, in die rol die hij toen speelde, om niet, vooral niet, opnieuw gebonden te worden door banden die misschien even pijnlijk zouden zijn als die hij in het verleden aangeknoopt had, om zich een houding te geven, had hij gezegd, met een onvaste en weinig viriele stem: het is dat je weet, liefste, dat ik een lonesome cowboy ben.

Nadien kreeg hij die brief, waarin zij zich niet echt tot hem richtte, maar uitlegde, als in een bijtend verhaal aan een vriendin, hem ten tonele voerde, hem ridiculiseerde, en het ergste was nog dat hij niks had weten terug te zeggen, hij had het allemaal verdiend.

Ik ben een lonesome cowboy, dat is wat hij mij gezegd heeft. Hij heeft me dat gezegd en daarna, als om een beetje de absoluut groteske kant van die verklaring te compenseren, heeft hij eraan toegevoegd dat men dat over hem gezegd heeft, dikwijls, in het verleden, in welk verleden, dat weet ik niet.

Ik leef met een solitaire cowboy. Een eenzame koejongen, dat is een man die vaak verblijft in grootsteden, sedentair en huiselijk is (vrouw, kinderen, kat, wasmachine, droogkap, enz.), maar zijn liefde opspaart voor de grote eindeloze vlakten, voor de intense momenten ’s avonds wanneer hij, afgemat, alleen eet met hond en paard dicht bij het vuur, alvorens in te slapen, opgerold in een oud deken, en dan ‘wake up Jack, Elroy is back, ’t schijnt dat gij de boel grandioos op stelten gezet hebt in Eldwood City, dat gaat ge duur betalen…’

Kortom, de eenzame koejongen is nog een groot kind dat zich wat rechter houdt dan de anderen in de metro, de blik gericht op de einder, de kaken en de tanden op elkaar. Zoals de uitdrukking het zegt, hij is solitair, en dat is belangrijk. Wie leeft met een eenzame cowboy moet die immense behoefte aan eenzaamheid respecteren. Ze moet niet proberen haar cowboy mee te slepen in ingewikkelde discussies, ze moet hem geen brief schrijven en zeker geen antwoord verwachten. Die man is solitair, dat moet je terdege beseffen. Er zijn blonde, linkshandige of lamme mannen, deze is SOLITAIR, dus opgepast, respect, de solitaire man houdt er niet van dat hij lastig gevallen wordt.

En nu vraag ik, veel minder solitair dan mijn cowboy, mij af wat hij zo kostbaar diep in hem moet beschermen, en vooral waarom hij zich zo stroef moet beschermen tegen mijn liefde, mijn tederheid. Hij is bang dat ik de kleine schat beschadig die hij heel goed verstopt houdt in het diepste van zijn eenzaamheid, zijn klein tuintje alleen voor hem, wel, hij mag het houden, ik wil het niet meer, ik ga mijn tuin bewerken, mijn eigen tuin, mijn hart, mijn hoofd, adieu cowboy, ik hield van je maar ik laat je met je paard, je hond, je kampvuur, je saloons, je zeer zeer grote eenzaamheid. Je zult zien, ooit word je groot, en eenzaamheid, die is hard voor de groten.

Charles bezit, zoveel is duidelijk, een paar eindjes leven die weinig aanlokkelijk zijn.

27 Mon

Ze bestellen een tweede pint, hetzelfde voor iedereen alstublieft, de cafébaas rept zich, direct mannen, ik zie aan jullie gezicht dat jullie een opkikker nodig hebben.

Armand schudt met zijn hoofd. Het probleem, zegt hij, dat is het ritme, dat beklemt ons, maar het is niet alleen dat. Deze morgen ging ik naar de supermarkt. Ik loop door de gangen, mijn boodschappenlijstje bij de hand, wanneer ik die man zie. Vlak voor de rekken, verstijfd, iets zat hem zichtbaar dwars. Bon, denk ik, weer zo’n geobsedeerde, ik maak een omwegje langs de yoghurt, en kom seffens terug. Ik neem dus de tijd om mijn melkspullen te kiezen. Yoghurt, hoe luxueuzer, hoe zwaarder de potjes, hoe hoger ze staan. Beneden vind je de proletarische yoghurt in plastic en ouderwets karton. Als ik socioloog was, zou ik mijn artikelen illustreren met foto’s van de rekken zuivel in supermarkten.

Afin, om kort te zijn, ik kies m’n yoghurt en loop terug. Ik zie de man nog altijd strak en stijf op dezelfde plek staan. Hij kijkt nog altijd boos naar het rek waar ik me nu wel moet bedienen. Ik heb nu eenmaal een boodschappenlijstje,en dingen die ik in huis moet halen. Ik ga erop af. Ik zie van ver het pak dat ik wil hebben. Het witte. Ik neem altijd wit toiletpapier. Ik moet dat roze niet, dat vuil roze dat men ons altijd opsolfert voor de wc. Ik steek mijn hand uit naar de grote witte en opeens richt de kerel zich tot mij. Nee maar, kijk, ze maken ze nu ook al met groene thee, gelooft u dat nu? Wc-papier met groene thee? Ik zeg: ah ja, dat is ongelofelijk, maar ik zie wel niet waarom hij me dat zegt op die toon, ik heb toch dat groene theepapier niet genomen, juist niet, ik heb het witte genomen, het neutrale, het niet-geparfumeerde, zelfs geen driedubbele laag, gewoon het goedkope basiswit.

Ik vertoon niettemin een lachje, een soort medeplichtig glimlachje dat een zekere solidariteit suggereert. Ik begrijp zijn woede wel, een maatschappij die wc-papier met groene thee produceert is ongetwijfeld slecht bezig, en daarover kun je wel een moment stokstijf vragen blijven stellen, over de zin van een hele hoop dingen, ik kan dat begrijpen, een maatschappij die zich het gat afveegt met groene thee bevindt zich zonder enige twijfel op een slappe koord, klaar om tot een klucht te vervallen.

De verontwaardigde man blijft staan, ik merk heel sterk dat hij net een ontdekking gedaan heeft, en ik heb enig medelijden met hem. Ik wist er wel van, ik had de groene pakken al eerder gezien, en ik geef toe dat mijn geblaseerde geest er niet echt was bij blijven stilstaan, je ziet zoveel, wat wil je, het is allemaal niet glorieus, maar het is zoals het is. Maar ik wist het al, hij, hij valt uit de lucht.

Hij is blijven staan, heeft het etiket nauwgezet gelezen. Toiletpapier met groene thee, hygiënisch, getest onder dermatologische en gynaecologische controle, 140 vellen per rol, zacht papier, drie lagen, bio-afbreekbaar. En hij heeft zich verontwaardigd.

Wat zeggen? Ik ontwijk hem.

Thuis gekomen, ga ik m’n wit papier op het toilet leggen, profiteer van de gelegenheid om me op de wc te installeren, en moet weer aan hem denken: de verontwaardigde, hij had wel een ontroerend kantje, maar bij mij heeft vermoeidheid het gevoel een beetje gedood. Ik zie de PM weer, met z’n goedgelovige smoel vol meel, op de televisie verkondigen dat we onverdroten moeten voortdoen. Onvermoeibaar, m’n kloten. En leve ons land! Maar is dat soms niet moe, ons land?

We travakken en travakken, altijd meer, we gaan braafjes winkelen, we schrokken en slokken, we schijten en vegen ons af met groene theepapier als we het kunnen betalen – allemaal zonder moede te worden, zonder er genoeg van te krijgen, nooit en te nimmer, en als we het ooit een beetje moe worden, dan vinden ze voor ons ongetwijfeld wc-papier met combawa uit, exotisch en verfrissend, een smoothie van een schijtie, en hopla, alles is weer vertrokken voor een nieuwe ronde.

Ze drinken allemaal een slok van hun bier. Hop. Mout. Met groene thee.

28 Tine

Ze heeft de Geest niet gevraagd om een man, ze haalt zich de scène weer voor de geest, en ja, pas daarna, na de drie wensen, heeft ze bedacht: nee maar, ben ik vergeten, hoe jammer!

Nee, ze heeft niks van dat gevraagd, de Geest heeft zich misschien verkeken, met de wensen van iemand anders verward, ofwel is het een heel krachtige geest, die haar spijt gehoord heeft en een van haar drie wensen achteraf vervangen heeft, maar dan zou ik wel willen weten welke van de drie hij geruild heeft …

Ze vindt het amusant zich hier aan een tafeltje te treffen met een witte clown in burger. Hij heeft dan wel niet zijn beroepsplunje aan, maar de Gust droeg die ook niet, het ging misschien wel om een repetitie zonder plunje, het ware optreden is waarschijnlijk voor later.

De clown heet Lucien en zegt dat hij geen echte clown is, alleen een occasionele intaarter, het was vandaag zijn debuut, de gelegenheid maakt de dief, zoals het gezegde luidt. Bij het woord ‘dief’ reageert Tine, zegt dat zij ook, op haar manier, de gelegenheid heeft willen benutten, maar dat ze minder geluk had, dat het haar door de vingers geglipt is. Dat komt door haar haar, antwoordt Lucien, en dat begrijpt Tine niet goed.

De valse clown is een echte leraar die graag verhaaltjes vertelt. Hij vraagt Tine of hij haar het verhaal van de godin Gelegenheid mag vertellen. Tine moet er geen twee keer over nadenken, ze is dol op verhalen.

Wel, de godin Gelegenheid is in feite een grote blote vrouw die heel vlug loopt, ze heeft vleugels aan haar voeten, ze loopt de mensen voorbij, in de ene hand een scheermes, in de andere een zeil dat naar de wind gespannen is. Ze ziet er indrukwekkend uit met haar haren in een vlecht naar voren, wanneer ze loopt komt die vlecht eerst, en dan mag je niet terugdeinzen, bij die vlecht moet je haar vastpakken, laat je haar passeren, dan ben je gezien: de godin is kaal van achteren. Pak je haar niet bij de haren die haar voorafgaan, is het te laat, maar diezelfde haren zijn ook bedrieglijk: ze camoufleren haar, verhinderen dat je haar herkent. Voilà!

Maar waarom houdt ze een scheermes vast?, vraagt Tine.

Het is een aanwijzing, een beeld, het scheermes is in feite niet voor haar, ze zwaait ermee om ons iets te zeggen, om niet te vergeten dat wanneer zij verschijnt, dat je dan alles kortweg moet afsnijden wat je kan verhinderen om haar te volgen.

Afsnijden.

Kortweg.

Tine begrijpt de idee.

29 Lucien

Ik zou er graag mee ophouden, om overal de leraar te spelen, altijd en overal, maar ik kan er niet mee stoppen. Irritant. Die drang om uit te leggen, aan te vullen. Ik geef cijfers, maak aantekeningen onderaan de bladzijden, het ergert me, de dingen vragen soms alleen maar om wazig, om onscherp te blijven, ik zou moeten leren om ze gerust te laten.

Genoeg zo, vandaag ben ik clown, zonder pak, maar wat doet dat ertoe: ik handel, ik ageer.

Lucien is zover met zijn verhalen wanneer de kelner opduikt, plateau op de rechterhand – twee koffie, twee water – vlekkeloos witte schort, licht gekromde rug, vermoeid gezicht. Maar wanneer hij bij hun tafeltje komt, doet hij iets verbazends.

Een Brusselse garçon heeft, net als zijn Parijse grote broer, een erg gecodificeerde rol. Hij moet zich, terwijl hij de consumpties neerzet, een air van verveeldheid en arrogantie aanmeten, een gezicht dat zegt: ‘moi, j’en ai vu d’autres, ik, ik heb al veel volk gezien sinds ik dit doe, ik heb wel iets anders te doen, jullie aardlingen stellen maar weinig voor. Hij mag ook kiezen voor de charmeer-versie: ha, meneer heeft niet weinig geluk met zo’n aardig gezelschap, ik hoop dat hij vriendelijk is voor u, mademoiselle, zo niet, kom het mij zeggen, enz. Of hij kan de beleefde, kille kelner spelen: heel professioneel, heel hoffelijk maar geen familiariteiten, never: ik doe mijn werk, ik doe dat goed, geen vulgaire fiorituren, grote klasse.

Hij die Tine en Lucien hun koffie brengt, ziet er zeer moe uit, zet zijn plateau plomp op hun tafeltje, pakt de twee koffies er af en daarna de twee glazen, raakt tijdens die bewegingen een stoel achter hem, en valt bruusk op hun tafel, zo maar, zonder verwittiging. Genoeg zo, ik ben het beu, ik stop ermee, geen bezwaar dat ik me even bij jullie zet. Nee, natuurlijk niet, doe maar alsof je thuis bent. Hij zegt: ik ben Bertrand. Al 19 jaar kelner.

Bertrand heeft al menige groentjes in het beroep gezien, hij zou ertegen gepantserd moeten zijn, maar soms, een druppel, weet maar welke, en de emmer loopt over. Want al bij al verdraagt hij al jaren die baas die denkt nog de leeftijd te hebben van de almachtige zuigeling: hij schreeuwt, hij dreint en wil al zijn wensen terstond ingewilligd zien. Pathetische, pueriele huistiran. Zoals die beroerling van een PM. Heb je ‘m op televisie gehoord? Die man, in zijn wieg op ’t Schoon Verdiep, brouwt zijn hervormingen, tiert en tempeest, en wij worden geacht te gehoorzamen als een vuil, veel te bedorven kind. Mij, de heerschappen die na hun veertigste nog schreien en stampvoeten, mij vervelen en vermoeien ze.

Zeg, ik heb u een beetje horen praten, ik luisterde niet, maar tijdens het bedienen vang je dikwijls losse woorden op, en van wat ik begrepen heb, doet u in patisserie-activisme en knipt u ook haren, maar dan wel kortaf, een haal met een scheermes en gedaan. Ik kijk naar u, mademoiselle, en ik zie eindelijk een vrouw met niet-lange haren, dat wordt zeldzaam, want wat zie je in film, reclame en op straat: alleen nog zijdeachtig, golvend haar, watervallen in alle kleuren, persoonlijk kan ik er niet meer tegen, en nochtans, sinds Tristan en Isolde zijn de dingen veranderd, kunnen vrouwen van kop veranderen, maar ik vind dat we achteruitgaan. Nu hebben vrouwen lang haar, en mannen kort, ieder zijn rol en de varkens zullen goed gehoed worden, zij vrouwelijk en zacht, wij viriel en vastberaden, formidabel, en ik serveer koffies in een brasserie en ik sloof en tob me af.

30 Charles

Vanuit zijn bed hoort hij Prunille – de enige die door Adelina binnengelaten wordt – woorden wisselen met een of andere adviseur die mijnheer de Eerste Minister per se wil zien. Maar Prunille, zijn secretaresse, zij is perfect geschoold: meneer de Eerste Minister is niet te spreken, voor niemand.

In weerwil van haar kinderlijke naam, is ze sterk en solide, Prunille. Charles zou het gehaat hebben om zijn eigen voornaam met een verkleinwoord toegetakeld te zien. Gelukkig gebeurt dat meestal met vrouwen: de Mariekes, Leentjes en Greetjes, de Philippines, Petronilles en Prunilles die dikwijls heel hun leven moeten bewijzen dat ze groot geworden zijn – een aanslepend gevecht dat wisselende en soms verbazende resultaten oplevert.

Gelukkig heet Charles Charles en niet Charlie of Chareltje, en is hij dus niet gedoemd om heel zijn leven een lieverd te blijven of het tegendeel te bewijzen. Hij is Charles, eerste minister van een belangrijk land. Die vandaag niet opstaat, nog niet. Macht hebben moet op z’n minst het recht geven om, uitzonderlijk, te blijven liggen – waarvoor is het anders goed! Eén enkele dag in het leven van een man, of zelfs van een land.

Merde.

Charles weet dat hij niks heeft van een solitaire cowboy, zoveel staat vast, onnodig om erop terug te komen, het probleem is ten gronde geregeld, al een ogenblik geleden, maar hij wordt niettemin op dit eigenste moment verteerd door het dwingend verlangen om zich te rollen in een oud deken dicht bij het vuur aan de zijde van zijn trouwe merrie, of zijn hond, dan wel een ander geruststellend en loyaal wezen.

De meeste politici hebben een hond of een ander gezelschapsdier: zij willen zich zo verzekeren van een kostbare compagnon, een affectieve uitlaatklep, een onvermoeibare vertrouweling die niet in staat is tot kritiek of verraad.

Charles leeft alleen met zijn papieren, zijn gedichten, zijn verhalen, maar hij voelt vandaag hoezeer een liefdevolle en toegewijde hond in zijn armen hem zou kalmeren. Chihuahua, labrador of cavalier King Charles, van geen belang. Hem strelen, hem toegenegen horen grommen, zijn regelmatige ademhaling beluisteren en zijn onvergankelijke gehechtheid voelen.

Dat soort dingen.

31 Mon

Hé, kijk, het begint weer.

De hondenuitlater wijst met de vinger naar de televisie. In beeld: het Flanders’ Palace, het vroegere Errerahuis in de Koningsstraat. De cafébaas zet het geluid hoger opdat iedereen de Vlaamse Leeuw kan horen.

Wat nu weer? Mon kan een ziertje irritatie niet bedwingen, welk spelletje is dat nu weer, die kwast is niet in staat om zijn korte speech wijselijk op 31 december te houden, en dan tot 11 juli te wachten voor een tweede, daarmee zou iedereen tevreden zijn, vooral tevreden om zich met andere dingen, dingen van de 21ste eeuw, te kunnen bezighouden, want, eerlijk gezegd, de kerstballen van het Vlaamse Paleis, dankuwel, de politiek huist elders, zoals ook de waarheid en zelfs het leven. Maar nee, Meneer speelt weer de interessante, hij zet een hoge borst op, zegt dat hij hervormt, dat hij stof wegveegt, maar door zo te kloppen op het systeem, zouden de bezems wel eens op een dag in andere handen kunnen belanden. Moet niet aandringen.

De PM verschijnt, zijn bezorgd gezicht wordt van dichtbij in beeld gebracht. Benig gezicht, kastanjebruine ogen, bruine haren naar achteren gekamd, uitstaande oren, trapeziumvormig voorhoofd, arendsneus. Niks verroert, ook de blik blijft strak.

En dan begint het versteende gezicht te spreken. Waarde land- en leefgenoten.

Het is weer begonnen. Nieuwe toespraak, nieuw somber kostuum tegen de achtergrond van de Vlaamse vlag. De houding een beetje stuurser dan de vorige keer, de ambiance zichtbaar minder ontspannen, het solariumbruin ietwat bleker.

Waarde land-, gouw- en leefgenoten, ons land wordt geconfronteerd met een zware crisis, even plots als onvoorzienbaar. De oorzaak ervan is op dit ogenblik nog onbekend, maar onze meest bekwame experts zijn op dit moment allemaal gemobiliseerd om ze te identificeren. Ik wil dat u zich gerust voelt, daarom dat wij alles in het werk stellen om het kwaad ongedaan te maken dat onze regio’s is komen belagen.

Gisterenmorgen is een groot deel van ons sociale corpus ziek wakker geworden. Ja, ik durf het woord gebruiken. Talrijke medeburgers hebben hun dagtaak niet kunnen opnemen, een taak waarvan ze zich nochtans dag na dag voortreffelijk kwijten, vaak al vele jaren. Ons land bevond zich plotsklaps in een halfdiepe slaap, getroffen door een ongeziene epidemie, maar wij laten het niet betijen, wij hebben alles in werking gezet om die korte flauwte op te vangen. Mannen en vrouwen, welke behandeling ook moet toegepast worden, we zullen niet terugdeinzen, wees daar zeker van, wij laten u niet vallen, en ons mooie land zal, hersteld, zijn gebruikelijke bedrijvigheid, zijn gewone vaart en zijn gekende geestdrift hervinden. Iedereen zal zijn dagelijkse plicht met hart en ziel weer opnemen, en dit land zal zijn rang en stand weer hooghouden in het concert der naties – een rang en stand die we duur bevochten hebben, met wilskracht en uithoudingsvermogen.

Waarde land- en leefgenoten, ik ken de immense energie die onze maatschappij in petto heeft, ik vraag u daaruit vandaag te putten, daar de opsprong te vinden die ons zal toelaten om deze voorbijgaande zwakte ver achter ons te laten. Ik reken op u zoals u op mij en uw regering kunt rekenen.

De PM zwijgt, plechtig en versteven.

Jullie hebben het begrepen, mannen, steekt Mon van wal. Het zijn zware tijden, Vlamingen en Franstaligen, autochtonen en allochtonen, mannen en vrouwen, staan niet meer op om te gaan werken. Maar opgelet, uit met die pret. Weten jullie waarom? Omdat de PM gezegd heeft: ‘ik wil’, ‘ik vraag u’, en ik denk zelfs dat hij verwacht dat wij gaan volgen en gehoorzamen. Er is iets gebeurd, dat staat buiten kijf, maar stel u geen vragen, de experts zijn ermee bezig, in afwachting, vooruit, hop, aan het werk, en wat vlug, ik weet dat jullie daartoe in staat zijn, en ik vraag het u, ik wil het van u.

32 Tine

De laatste zin van Bertrand wordt afgebroken door de Vlaamse Leeuw. De cafébaas heeft het geluid van de televisie hoger gezet, er is iets gaande, kom kijken. De gesprekken stokken. De kelner trekt, geheel in overeenstemming met zijn moede gemoed, amper een wenkbrauw op tijdens de speech. De PM spreekt, zwijgt dan, en de Vlaamse Leeuw herbegint.

Wel wel, herbegint ook Bertrand, we zijn nu blijkbaar ziek. Goeie grap. En dat heerschap dat ons regeert, hij is niet ziek, zeker? Je moet alleen maar zijn tronie zien in de vorm van een portie Camembert, toe maar, er zijn geen experts nodig om te weten wat er gebeurt, het is zo klaar als een klontje, wat er gebeurt is dat we er de buik van vol hebben, dat we scheermesjes gaan vastpakken en dat we alle ragebollen kort gaan knippen en daarna gaan dansen op iets anders dan de Vlaamse Leeuw …

Tine voelt zich uitgelaten. Sinds haar uittocht uit de metro deze morgen, heeft ze geen enkel ogenblik gedacht aan wat ze gedaan heeft, heeft ze zich helemaal overgegeven aan het nieuwe briesje dat haar toegewaaid kwam in haar rijtuig onder de grond. Ze is op wandel gegaan. Het is waar dat ze haar werk heeft laten staan zonder vooropzeg, het is waar dat ze lange tijd door Brussel geflaneerd heeft, het klopt dat ze zich ver heeft laten meeslepen door vriendelijke hersenschimmen. Maar zijn die altijd hersenschimmig? La chimère, heeft men haar ooit verteld, is ook een vis, een diepwatervis die naar boven komt om zich voort te planten. Het is waar dat veel dingen en veel wezens naar de oppervlakte opstijgen, denkt ze, en dat alles zich, ja voortplant, of tenminste elkaar tegenkomt en ondersteunt.

Lucien en Bertrand tegenover haar lijken ook de gewone draad van hun leven een beetje kwijt, en de woorden van de PM hebben hen duidelijk niet opgepept. Lucien, zijn gezicht naar de straat, lijkt de vorm van de wolken te bestuderen. Bertrand, het hoofd steunend op zijn twee handen, bekijkt de tirannieke kroegbaas, die hem, voorzichtigheidshalve, niks vraagt en zich wijdt aan het opglanzen van glazen die al schoon zijn.

33 Lucien

Ja, natuurlijk, het is algemeen en het is algemeend. Ik ben niet de enige die vandaag spontaan gekozen heeft om te ontsporen. Dat weten is eigenlijk tamelijk verheugend en vermakelijk. Maar het zo horen uitleggen is dan weer irritant. Experts zijn dus op dit eigenste moment bezig het feit te analyseren dat ik, Lucien, deze morgen mijn klas in volle les in de steek gelaten heb, maar wat kunnen zij ervan begrijpen, wat weten zij van hun medeburgers, wat weten zij van de mensen rondom hen, van wat zij voelen op straat, terwijl ze kebab eten, een pint drinken in het café om de hoek, zich verdringen in metro, tram of bus, zich vervelen voor de televisie, de Vlaamse Leeuw ondergaan, hun boodschappen doen in een supermarkt gedrenkt in stroopmuziek, werken in zalen met versleten en zeegroene verlichting, een politieke leidsman intaarten, een prinses kruisen op de Louisalaan, wat weten zij van dat alles? Niets. Het gaat hun competenties te boven, het overschrijdt hun horizon, het overvraagt hun armtierige menselijkheid. Hun concepten, hun geprefabriceerde verklaringen en oplossingen zijn in verlegenheid gebracht, ze kunnen alleen maar doorslaan, over hun voeten struikelen op het tapijt van een veranderende en veelvormige realiteit waar ze te ver buiten staan.

Maar het is eigenlijk van weinig belang. Het essentiële, het wonderbaarlijke is: hier aan tafel zitten, in het ware leven, met mensen, echte mensen, geen experts. Weg zijn het vuile linoleum en het bleke neon, gebleven zijn het vriendelijke gezicht van Bertrand en de guitige blik van Tine. Zij heeft zo’n heldere ogen dat ze wel doorschijnend lijken, kristalwater in voortdurende beweging, crazy dat er hier zoveel licht is, iets heeft zich verbreid, sinds deze morgen, iets hartverheffends.

Lucien drinkt zijn kop leeg en begint tegen Tine en Bertrand te vertellen over zijn vertrek uit het college. Hij realiseert zich nu dat de klas vol afwezigen was, ja, vol, hun afwezigheid benam buitensporig veel plaats, dat beseft hij nu pas: lege banken hadden hem nooit gedeerd, maar nu zegt hij: tiens, wel wel. En nu zit hij hier, met zijn vrienden, maar een uur geleden kende hij ze nog niet.

Grappig, antwoordt Tine, die voortgaat met het verhaal van haar lift naar boven, van lijn 13 naar de open lucht, ik heb me ook niet afgevraagd of de wagons minder vol waren dan gewoonlijk, ik ben uitgestapt en dat was het, zonder aankondiging, zonder vooropzeg, ik heb het gedaan en dat was alles.

Wel, besluit Bertrand, ik heb het langer uitgehouden dan jullie allebei, ik ben pas later gekraakt, ik geloof dat jullie verhaal over haardossen die moeten geknipt worden, ik weet het niet, bij mij iets heeft doen knappen, bij wijze van spreken een signaal dat door de achterkant van mijn hersenen goed ontvangen is, want ik ben altijd van het genre weifelaar geweest, ik zoek altijd uitvluchten of uitwegen, mijn moeder zei, Bertrand, hou op met haarklieven, maar niks aan te doen, ik pak het haar vast, ik klief het fijngevoelig, vier vierden van elk haar, dat ik zorgvuldig uitspreid naar noord, oost, zuid en west, op die manier is iedereen tevreden, maar ik, ik heb nog altijd niet mijn kamp gekozen. Daarom, toen ik jullie hoorde, heb ik aan mijn moeder gedacht, aan mijn leven, al die verdomde haarpuntjes die ik heel de tijd rechtvaardig probeer rond te draaien, en ik heb gezegd: Basta!

34 Charles

Prunille klopt op de deur. Hij weet dat zij het is, zijn secretaresse is een vrouw uit één stuk, een van die mensen die houden van regels, gewoonten, systemen. Prunille klopt dus altijd op dezelfde manier op deuren: drie korte klopjes.

Kom binnen, Prunille, je t’enprie, maar ik zeg je direct, zonder plichtplegingen, dat ik nog een beetje rust behoef, je gaat me hier niet meteen wegkrijgen.

Ik weet het, wel bekome het u, maar ik veroorloof me toch om u te storen, want er is iets dat u moet weten: hij spreekt weer.

Hij spreekt weer?

Ja, hij spreekt weer, een televisietoespraak, die begint binnen één minuut, ik dacht dat u die misschien wel zou willen zien en horen.

En hij spreekt weer waarom?

Hij spreekt weer omdat, wel, ik veronderstel dat hij moet reageren op de situatie, laten zien dat de hoogste leider er zich mee bezig houdt, dat alle maatregelen genomen worden om het probleem op te lossen.

Het probleem?

Het is te zeggen, mijnheer, u bent niet de enige die, hoe zal ik het zeggen, vandaag niet aan de start verschenen is, het land beleeft vandaag een grote panne.

Wat wil je daarmee zeggen? Hoe ben ik niet aan de start gekomen? Ik ben de eerste minister, verdorie, ik werk dag en nacht sinds ik tot de jaren van verstand gekomen ben, voor niks, voor blauwe bonen, ik bedoel, voor anderen dan mezelf, voor de eer, voor de roem, waaraan ik lak heb als aan het jaar 40, en wanneer ik dan één keer, één enkele keer in dit verdomde leven, wil uitrusten, een beetje, een heel klein ogenblikje, dan kan dat niet? Bestaat syndicale rustpauze niet voor mij? Nooit en te nimmer rust? Je vindt dat ik niet aan de start gekomen ben? Terwijl ik niet anders betracht dan het verlagen, het ietsiepietsie terugdraaien van het toerental van deze motor, die oververhit is, al jaren, al sinds mensenheugenis, want de motoren, ze lopen warm, ze stomen, ze stoven, vooruit nog een beetje meer, maar op een dag gaat het van paf en plof.

Prunille is verbijsterd. Zij houdt niet van brutale ritmewisselingen, zij wil dat alles loopt en draait, zij heeft het voor goed geoliede motoren, zij bekijkt de eerste minister, verlegt zachtjes de zwarte bril die wil ontsnappen aan zijn voorhoofd, richt dapper zijn 1m70 op en lanceert zich.

Ik zet de televisie aan, en ik laat u de afstandsbediening, dan kunt u zelf kiezen, dan kunt u die weer uitzetten om nog een beetje te rusten, afin, u doet wat u wilt, ik blijf hiernaast, daar staat ook een televisie.

Hij laat de televisie aan en maakt het spektakel mee.

Geniaal. Het is geniaal.

Merci, Prunille.

Zonder haar zou hij dat groots moment gemist hebben. Diep in zijn hoofdkussens, bedenkt hij, spottend, hoe de heren experts hun theorieën zullen etaleren in het bijzijn van een PM buiten zichzelf, altijd smerig en snerend in crisismomenten. Hij ziet, alsof hij ter plaatse is, de vergaderzaal, de rijke lambrisering, de dikke tapijten, de specialisten van de dag ingerijgd in hun pakken, de PM aan het uiteinde van de tafel, snijdende toon, lastige houding, jullie zijn allemaal imbecielen, wie heeft zo’n brekebenen naar hier gestuurd, en waar is hij, die schoothond van een eerste minister, hou me tegen of ik bega een bloedbad.

Charles weet wat hij gaat doen.

35 Mon

Er hangt een wandklok achter de toog. Die zegt dat voor hem, Mon, het uur van werken gekomen is. Maar er is ook een nieuw gevoel in hem dat zegt dat hij niet gaat. Het is een vreemd gevoel, mengeling van extreme vermoeidheid en ondefinieerbare opgewondenheid – hoe een enthousiasmerende vermoeidheid, een verblijdende ergernis, een sussende woede benoemen?

Mon voelt dat hij deze avond gaat doorbrengen in dit café, hij voelt dat hij zich gevoegd heeft bij de mensen die hij deze morgen nog met verbazing en argwaan bekeek.

Hij staat toch recht, besluit een paar stappen te zetten, twee minuten buitenlucht te gaan opsnuiven, vooraleer zich weer in het café neer te zetten.

Buiten is het overdekt terras niet leeg, ondanks de lage temperatuur, rokers zijn klaarblijkelijk bereid om alle weer te trotseren.

Er zit rechts een sukkel van een man, kastanjebruin van kop tot teen, compleet verwaarloosd, volslagen wankel. Hij heeft allicht op een dag de spons gegooid, op een dag als vandaag, en kijk, zijn leventje gaat toch ook voorbij, zijn tijd vliedt niettemin, maar hij heeft geen spons meer om nog in de ring te gooien.

Links een jongeman, zo’n 25 jaar, die  heeft z’n spons nog. Hij zit rechtop, hij leest en dat slorpt hem helemaal op. Je kunt je moeiteloos indenken met welk hart hij werkt, hoe hij zich uitput voor alle mensen, de fierheid van zijn ouders, ja, het is pakkend, maar pathetisch. En ook een beetje ergerlijk. Het is zijn houding, die manier van lezen, dat verslinden van bladzijden, niks indrukwekkends overigens, simpele bladen samengebonden met een ring, een document voor intern gebruik allicht, intern aan zijn onderneming, voor hem wellicht een vervangfamilie, waaraan hij zich dan ook met hart en ziel overgeeft. Een jongeman die onmiskenbaar behoort tot de soort van de ijverigen, dat zie je, die dag na dag hun positie moeten verwerven in hun onderneming, hij ijvert, hij nijvert, samen met al zijn collega’s die ook ijveren en nijveren, ieder voor zich. In elk geval, wie een positie ambieert heeft een doel, dat is tenminste dat.

Bladzijden na bladzijden, tenminste vijftig, het is een dik document, maar hij leest snel, hij verslindt, toch ontcijfert hij met toewijding, fronst af en toe de wenkbrauwen, legt zich helemaal toe.

Hem zo meegesleept zien door die armzalige zwart-witte bladzijden – Mon voelt een beetje afgunst, hij zou ook graag zo meegesleept worden, zich storten op, het hoofd vooruit.

Opnieuw draait de jongeman een bladzijde om.

Vanuit zijn ooghoeken heeft Mon kunnen zien dat ze allemaal op elkaar lijken: twee gelijke kolommen op elke bladzijde, een hoofding boven elke kolom. Links: ‘Te doen’. Rechts: ‘Niet te doen’. Wat daaronder staat is niet te ontcijferen, de letters zijn te klein.

Te doen, niet te doen. 50 bladzijden.

Hij slaat er weer een om.

Te doen, niet te doen.

Mon zou graag weten wat te doen. Wat gedaan met de triestheid die hem om het hart slaat, de walging die hem bedrukt bij het besef van het schamele leven waarvoor hij niet gekozen heeft – en dat is het probleem – zich platgedrukt voelen door een vage verre kracht.

Wat gedaan, wat niet.

Hij lijkt rustig en kalm, die jongen, hij heeft misschien gevonden waarvoor wij ons totterdood afbeulen om het te vinden.

Wat gedaan, wat niet.

En plots slaat de jongen zijn document met een droge klap dicht. Mon ziet de titel: ‘Werken met Chinezen. Wat doen, wat niet doen.’


Over dit artikel

BronApache [https://www.apache.be]
TitelAlgemeende staking: Een scenario (34-35/41)
Auteur(s)Bartleby
Permalinkhttps://www.apache.be/?p=50163
Gepubliceerd 11 december 2014 @ 09:08. Met update op 11 december 2014 @ 09:12
Opgevraagd17 oktober 2019 @ 17:25
Klik hier om te printen