Het nobele, wilde zakje van polyethyleen

0

Columniste Duchka Walraet analyseert het postmodernisme door ‘Lost in Translation’, Erik Kessels, ‘American Beauty’ en Stockhausen met elkaar te combineren. Zowaar ontdekt ze in haar kritisch stukje over het postmodernisme het bestaan van ‘steekvlamcriticasters’.

Yeah. I just don’t know what I’m supposed to be, you know. I tried being a writer, but I hate what I write. I tried taking pictures, but they were so mediocre. You know, every girl goes through a photography phase. You know, horses… taking dumb pictures of your feet.

Dit fragment uit Lost In Translation staat loepzuiver in mijn geheugen gegrift. Ik was nochtans slechts achttien jaar oud toen ik de film zag. Ondertussen is meer dan een decennium verstreken en toch veruitwendigen de woorden van de afgestudeerde Charlotte, in emotionele quarantaine in het Hyatt Hotel van Tokio, nog steeds die onstilbare zucht naar meer en mijn eigen rusteloosheid. Die zijn niet van voorbijgaande aard geweest.

Dat ik het allemaal niet weet wat betreft de zin van het leven en dergelijke, ook.

Voeten

Wie het wel weet is Erik Kessels. Een Nederlands ondernemer/kunstverzamelaar/reclamemaker/fotograaf; multiple slash/slash-man. In de krant Libération stootte ik onlangs op een plaatje van zijn gigantische installatie: ‘My Feet’. Een massa-selfie, een gigantische driedimensionale mozaïek van 2.500 foto’s van gegoogelde voeten die Kessels vond door de zoektermen ‘my feet’ en I’m bored’ in verschillende talen in te toetsen in de zoekmotor. De installatie heeft hoge ogen gegooid op het International Festival of Photography van Leipzig.

De Nederlander gaat prat op het gebruik van amateurfotografie die hij ruimdenkender en minder steriel vindt dan professionele fotografie. Met zijn installatie wil hij aantonen hoe makkelijk en hoeveel foto’s we van onze voeten maken. Wat Charlotte in Lost In Translation nog taking dumb pictures of your feet en so mediocre noemde, is blijkbaar wel goed genoeg voor het International Festival of Photography van Leipzig en voor Kessel zelf.

Banaliteit en willekeur zijn esthetische kwaliteiten an sich geworden

Naar eigen zeggen is Kessel gefascineerd door wat hij de renaissance van de fotografie noemt. De hyperkorte cyclus die beelden tegenwoordig volgen tussen het schieten van het beeld, het delen en het vernietigen van het beeld, zijn volgens Kessel een onschatbare bron aan kennis over het menselijke gedrag. Fotografie is even banaal geworden als een deur sluiten, stelt hij euforisch vast.

Het discours van deze artistieke parvenu, in de eerste plaats ondernemer, nadien ongeschoold fotograaf en kunstenaar, is tekenend voor het veranderd esthetisch kader waarin we nu evolueren. Banaliteit en willekeur zijn esthetische kwaliteiten an sich geworden. Het plakboekje, het nieuwe chef d’oeuvre.

(Dat is niet uitsluitend beeldspraak. Ik heb al verschillende tentoonstellingen gezien die bestonden uit geëxposeerde Moleskines van de respectievelijke kunstenaars.)

American Beauty

In American Beauty, de cultfilm die inmiddels vijftien jaar oud is, zagen we hoe Ricky Fitts zijn buurmeisje Jane het mooiste liet zien wat hij ooit op beeld had vast gelegd: een polyethyleen zakje dansend tussen de dode bladeren op een trottoir, met een rode bakstenen muur op de achtergrond. Sam Mendes, de oscarwinnende regisseur van de film, begeleidde het dansende zakje met intens pianogepingel om een moment van transcendente schoonheid te suggereren. De hele wereld knikte instemmend: ‘Dit is zo fokking mooi.’.

Een nieuw esthetisch ijkpunt werd geboekstaafd, de esthetiek van het nobele, wilde zakje van polyethyleen. Cineast zijn werd plotsklaps even banaal als een deur sluiten.

Het dansende zakje uit American Beauty is niet meer dan de verstoffelijking van de mythe van de nobele wilde, zoals die twee eeuwen eerder gepopulariseerd werd door Jean-Jacques Rousseau. Maar de mythe dient ditmaal geen ethische doeleinden meer en fungeert uitsluitend als vaag esthetisch mal. Een esthetisch mal met als voornaamste criterium een suggestie van hyperauthenticiteit, louter gekenmerkt door de selectie van een lukraak object uit de grote willekeur: de eigenhandige verheffing van een nietszeggend zakje tot canon van de schoonheid.

De prijs voor authenticiteit was volgens Rousseau eenzaamheid en vervreemding

Rousseau beweerde dat men de waarheid enkel kon leren kennen door zich vervreemd te voelen van de wereld. De prijs voor die authenticiteit was volgens hem eenzaamheid en vervreemding. De willekeurige selectie van zogezegde hyperauthentieke objecten als hedendaagse kunstvorm verloopt enigszins analoog met de ideeën van Rousseau en resulteert al te vaak in een onbehaaglijk gevoel van vervreemding dat men vervolgens poogt te esthetiseren, maar dat zelden uit haar oorspronkelijke toestand van hyperauthenticiteit slaagt uit te stijgen.

Dit soort postmoderne zwendeltechnieken verdringen de ware schoonheid genadeloos naar de achtergrond. Nietszeggende flarden banaliteit worden eindeloos verbogen. Een gevoel van onthechting is alles wat resoneert. Een dieper inzicht openbaart zich op die manier haast nooit.

Stockhausen

De inmiddels overleden moderne componist Karl Heinz Stockhausen verklaarde in 2002 dat 9/11 het grootste kunstwerk aller tijden was. De essentie van zijn betoog ging verloren in wat een sterk staaltje was van gedecontextualiseerde verontwaardiging.

Want wat Stockhausen bewonderde in 9/11 was niet de terreur en het geweld, maar de transcendente kwaliteit van de daad. Waarmee hij terecht onrechtstreeks de tergende vrijblijvendheid van de hedendaagse kunst aan de kaak stelde. Tevens het feit dat kunstenaars het nog zelden opnemen tegen God zelf. Dat zo weinig kunstenaars in competitie willen gaan met de zinloosheid van het bestaan. Nochtans de kernopdracht van kunst.

Hoe vaak stuiten we tijdens een tentoonstelling op een kunstenaar die niet kan of niet wil uitleggen waarom hij een kunstwerk heeft geschapen? Is het niet zo dat wie niet enkel het kleine eert, ook een grotere schoonheid, een grotere waarheid kan ontbloten?

Het is dat gebrek aan artistiek engagement dat de componist met een bommetje wilde aanklagen.

Het paradox is dat de woorden van Stockhausen een enorme golf van verontwaardiging deden oplaaien. Plots konden critici van allerlei pluimage haarfijn uitleggen hoe het nu zat met de dood, geweld, verdriet en het leven. Het is niet alsof veel kunstenaars dat nog voor ons willen doen. De steekvlamcriticasters du jour schijnbaar wel.

Auteur: Duchka Walraet

De biografie van deze auteur is niet beschikbaar.

Word lid

Word jij lid van Apache? Lees direct verder en steun onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Nu al vanaf 6,25 euro per maand.


Ja, ik word lid