‘Waarom werden Vlaamse collaborateurs milder gestraft?’

4

De repressie blijft, bijna zeventig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, een uiterst omstreden episode uit de vaderlandse (sic) geschiedenis. In 1991 doorprikte Luc Huyse de mythe dat de repressie een anti-Vlaamse wraakoefening van België was. In 2011 toonde historicus Koen Aerts aan dat de repressie wel degelijk maat en einde had. Nu poneert hij de stelling dat Vlaamse collaborateurs merkelijk milder gestraft werden dan de Franstaligen. Tijd voor een sociale geschiedenis van de repressie.

Collaboratie was geen exclusief Vlaamse aangelegenheid. Op de foto: een 'zwarte' wordt opgepakt in Luik. (Foto RV)

Collaboratie was geen exclusief Vlaamse aangelegenheid. Op de foto: een ‘zwarte’ wordt opgepakt in Luik. (Foto RV)

Over de repressie zijn de laatste twee decennia al een hele reeks hardnekkig vooroordelen en versteende mythes gesneuveld. Zo cultiveerde Franstalig België zichzelf als het landsdeel waar het verzet zeer sterk stond en er haast geen collaboratie was. Vlaanderen zou dan weer voluit gecollaboreerd hebben. Ook zouden de Vlaamse “zwarten” veel strenger gestraft zijn geweest dan de Franstaligen en zou deze “repressie zonder maat of einde” een Belgische poging zijn geweest om de Vlaamse beweging definitief op de knieën te krijgen.

Katholieke families

In Onverwerkt verleden weerlegden Luc Huyse, Steven Dhondt en hun medewerkers die bewering: er zijn geen bewijzen dat de bestraffing van de collaboratie anti-Vlaams was. Ze toonden ook aan dat er in Franstalig België misschien wel minder collaborateurs waren, maar ze werden wel merkelijk strenger gestraft dan de Vlaamse aanhangers van de Nieuwe Orde. Huyse en co. hadden daar geen verklaring voor.

Koen Aerts (Foto RV)

Koen Aerts (UG)

De jonge wetenschapper Koen Aerts, die als postdoctoraal onderzoeker van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen werkt onder de vleugels van Bruno De Wever aan de  Onderzoeksgroep Sociale geschiedenis na 1750 – oorlog en gewapend conflict van de Universiteit Gent, oppert in een nieuw artikel een intrigerende hypothese. De verklaring voor de strenge straffen bezuiden de taalgrens zou niet zozeer liggen in het feit dat de Franstalige collaboratie vooral apolitiek en gemeenrechtelijk was, terwijl Vlaanderen vooral politieke collaboratie kende.

Volgens Aerts moet vooral gekeken worden naar de sociale stratificatie van de collaborateurs. Een sociale geschiedenis van de collaboratie en de repressie zou moeten onderzoeken of Lode Wils (professor-emeritus van de KUL, specialist Vlaamse beweging – KvdB) gelijk had toen hij wees op de “verstrengeling van de nationalistische katholieke families” in Vlaanderen die zou geleid hebben tot een snellere “morele maar eventueel ook juridische rehabilitatie van de collaboratie.”
Koen Aerts stelt in Wetenschappelijk Tijdingen, het tijdschrift van het Archief en Documentatiecentrum voor het Vlaams-nationalisme (ADVN) pertinente vragen. In “De bestraffing van de collaboratie na de Tweede Wereldoorlog: mild in Vlaanderen en streng in Franstalig België?”, dat op 1 april verschijnt maar dat Apache.be al kon inkijken, somt hij ze op:

Welke maatschappelijke netwerken waren werkzaam aan beide kanten van de taalgrens? Schuilt hierin geen wezenlijk verschil dat verklaart waarom in Vlaanderen de jeremiade over de repressie de eigen milieux de mémoire oversteeg? Namelijk, was het publieke forum voor collaborateurs uit de kleinburgerlijke Vlaamse beweging niet veel toegankelijker dan voor Franstalige collaborateurs die grotendeels afkomstig waren uit sociologische groepen die daartoe minder goed geplaatst waren? Woog de sanctie in Vlaanderen in de geesten misschien zwaarder door omdat vele collaborateurs er sociologisch direct of indirect verbonden waren met de staat? In welke mate kon de collaborateur terugvallen op de hulp van sympathiserende ‘onverdachte’ burgers? Wie waren de rechters, de krijgsauditeurs, hoe verliep de rechtsgang in de praktijk, wie getuigde ten gunste en wie ten laste, is er een betekenisvol verband tussen de door het openbaar ministerie gevorderde straf en de uiteindelijke strafmaat enzovoort?

Om een duidelijk beeld te krijgen van de collaboratie en de repressie moet onderzocht worden wat het mens- en maatschappijbeeld was van de betrokkenen (collaborateurs, rechters, netwerk van beiden). Volgens Aerts kan alleen dan de “nog steeds actuele nervositeit over dat verleden zowel op nationaal als op individueel vlak” geneutraliseerd worden.

U gaat wel fors tegen de communis opinio in. In Vlaanderen leeft bij velen nog steeds de idee dat de repressie uitzonderlijk streng was en dat ze tegen Vlaanderen was gericht. Ook al is die stelling door de wetenschap al vaak weerlegd. En nu beweert u dat de repressie in Vlaanderen zelfs… mild was.

Koen Aerts: “Het is inderdaad vloeken in de Vlaams-nationalistische kerk. De repressie zou een Belgische poging geweest zijn om de Vlaamse beweging op de knieën te krijgen. Die boodschap wordt nu nog steeds openbaar verkondigd in de radicale rechtervleugel van de Vlaamse beweging: Voorpost, Taal Aktie Komitee, NSV, KVHV en VNJ tonen zich nog steeds evangelisten van die geloofsbelijdenis. Vanuit politieke hoek krijgen ze vooral steun van het Vlaams Belang. Die partij dient ook elke legislatuur een wetsvoorstel in om amnestie te verkrijgen voor veroordeelde collaborateurs of om ‘de gevolgen van de repressie’ uit te wissen.”

Individuele veroordelingen van incivieken per strafmaat. (Tabel uit 'Repressie zonder maat of einde?'

Individuele veroordelingen van incivieken per strafmaat. (Tabel uit ‘Repressie zonder maat of einde?’)

Maatschappelijke consensus

In 2011 toonde u in uw doctoraalscriptie aan dat de repressie in België niet “zonder maat of einde” was. Er werd in België niet merkelijk strenger gestraft dan in onze buurlanden en ondanks het ontbreken van een amnestiemaatregel werd de bestraffing toch snel afgebouwd. Bruno De Wever zei over uw scriptie: ‘Wie in de toekomst nog wil meepraten over de repressie kan niet om dit boek heen’.

“Al die complimenten zijn leuk, maar het blijft een pijnlijke vaststelling dat de bevindingen van wetenschappers zoals Luc Huyse, Bruno De Wever of mezelf, hun weg niet vinden naar de maatschappelijke consensus. Misschien moeten wij, wetenschappers, toch meer pogingen doen om ons werk te vulgariseren. De druk op vorsers om in vaktijdschriften te publiceren in plaats van bij uitgeverijen die zich richten op een groot publiek, is erg groot. Maar goed, ik heb inderdaad in mijn scriptie onderzocht hoe streng de repressie nu eigenlijk was. Op strafrechtelijk niveau zijn er toch een paar opmerkelijke vaststellingen. In totaal kregen 53.005 Belgen een criminele of een correctionele straf. 2.940 kregen de doodstraf waarvan er 242 werden uitgevoerd. 2.340 kregen levenslang, iets meer dan 30.000 gestraften kregen een celstraf van vijf jaar of minder, waarvan het merendeel (meer dan 20.000) korter was dan drie jaar. In 1945 zaten er 39.258 ‘zwarte’ Belgen in de gevangenis of een interneringskamp. Vijf jaar later was 93,3 procent van hen al vrijgelaten. Tien jaar later zaten nog maar drie gestraften in de cel en in 1975 was geen enkele collaborateur nog opgesloten.”

Het blijft een pijnlijke vaststelling dat de bevindingen van wetenschappers zoals Luc Huyse, Bruno De Wever of mezelf, hun weg niet vinden naar de maatschappelijke consensus

Waar ligt de verklaring?

“Het Belgische gerecht wilde de regels nauwgezet volgen. België wilde zich zo goed mogelijk gedragen als een liberaal-democratische rechtsstaat. De vooroorlogse rechtsregels werden zo goed mogelijk gevolgd. Collaboratie werd niet als een politiek misdrijf beschouwd, omdat de democratische politiek tijdens de bezetting onmogelijk was. Daarom moest ze ook bestraft worden. Belangrijk is dat al vrij snel na de oorlog stemmen opgingen om de collaborateurs niet té streng aan te pakken. De executies worden in 1950 stopgezet door de christendemocraat Ludovic Moyersoen. De socialist Piet Vermeylen, nam het voortouw om op grote schaal de politieke en burgerlijke rechten terug te geven aan de zwarten. Zo was de wet van 1961 eigenlijk al in zekere zin een amnestiewet; de licht gestraften en niet-veroordeelden kregen de rechten automatisch terug, de middencategorie moest beloven de wetten van het Belgische volk getrouw te zullen naleven en de zwaardere gestraften konden via de rechtbanken verhaal halen.”

Vijfjaarlijks inciviek bevolkingsaantal van de strafinrichtingen, 1945-1975. (Tabel uit 'Repressie zonder maat en einde?')

Vijfjaarlijks inciviek bevolkingsaantal van de strafinrichtingen, 1945-1975. (Tabel uit ‘Repressie zonder maat en einde?’)

Dat is voor velen uit de Vlaamse beweging nog steeds een probleem. De hardliners willen geen amnestie van de Belgische staat. Ze vinden ook dat ze het recht hadden zich tegen België te keren omdat België anti-Vlaams was.

“Inderdaad. De échte harde kern wil helemaal geen amnestie van België. Daarom was de amnestie-eis ook zo belangrijk voor de naoorlogse politieke Vlaamse beweging. Toen Frans Van der Elst de Volksunie wilde oprichten, ging hij als advocaat Hendrik Elias (oorlogsburgemeester van Gent, VNV-leider en na de oorlog ter dood veroordeeld maar niet geëxecuteerd, KvdB) bezoeken in de cel. Die bezwoer hem om het amnestiethema erg hoog in het Volksunieprogramma op te nemen omdat het een breekijzer zou zijn voor Vlaamse onafhankelijkheid. Enkel Vlaanderen kan de collaborateurs uit de Tweede Wereldoorlog amnestie verlenen; dat was – en is voor sommigen – nog steeds het adagium.”

Was die repressie dan niet anti-Vlaams? Ook Luc Huyse wijst toch op een strenge aanpak van de Vlaams-nationalisten.

“Je moet het gerecht bekijken door een juridische bril. De Belgische rechters moesten vooral de incivieken aanpakken: diegenen die zich aan de zijde van de bezetter tegen de Belgische staat en de democratie hadden gekeerd. Dat waren zowel Walen als Vlamingen. De repressie was dus niet anti-Vlaams maar wel tegen die elementen in de Vlaamse beweging die anti-Belgisch en – niet te vergeten – anti-democratisch was. En het moet gezegd dat vele collaboratiebewegingen de Vlaamse leeuw in hun vlag en ‘Vlaams’ of ‘ Vlaanderen’ in hun naam hadden. Kun je dan de Belgische rechters verwijten dat ze het VNV of andere collaboratieverenigingen aanpakten? Bovendien lijken heel wat mensen die deze stelling aanhangen te vergeten dat het VNV en andere collaboratieverenigingen nog heel wat andere idealen verdedigden dan de Vlaamse autonomie. Ze waren antidemocratisch en steunden openlijk de vijand. In elk land wordt landverraad steng gestraft. Dus ook in België.

“Daarnaast moet toch ook in herinnering worden gebracht dat collaboratie niet alleen ideologisch of romantisch was, beperkt tot een keuze voor Vlaanderen of antibolsjewistische strijd aan het Oostfront. Er werden ook mensen verklikt en vermoord, gefolterd, gedeporteerd. Wie zich daaraan schuldig maakt, krijgt ook in het gemeen recht een straf. Ongeacht de politieke drijfveren.”

De meeste anti-Belgische bewegingen waren ook antidemocratisch en steunden openlijk de vijand. In elk land wordt landverraad steng gestraft. Dus ook in België.

Boon

Opvallend in je boek is de passage waarin je schrijft dat al in 1946 de communistische (sic) senator Jean Fonteyne voorstelt om minderjarige collaborateurs niet op te sluiten. Men vreesde blijkbaar al erg vroeg dat er zich een harde kern van rabiate extreem-rechtse flaminganten zou vormen.

“Dat is inderdaad zo. Louis Paul Boon schreef al in 1946 een reportage in de (communistische) Rode Vaan getiteld: Hij was een zwarte. Met een gewezen lid van het NSJV in de Ardennen. Daarin drukt hij de vrees uit dat het gebrek aan een politiek van wederopvoeding en rehabilitatie op termijn aanleiding zou geven tot het ontstaan van een brede subcultuur waarin de collaboratiebetrokkenen definitief in de illusie zouden vertoeven dat zij een van eigenbelang gespeend idealisme hadden beleden. Die illusie zou hen, aldus Boon, verhinderen, om te genezen van het gedachtegoed van de Nieuwe Orde.

Louis Paul Boon in 1944-'45. Vlak na de oorlog waarschuwde hij voor het ontstaan van een brede subcultuur die nooit zou genezen van het gedachtegoed van de Nieuwe Orde. (Foto J. Boon /RV)

Louis Paul Boon in 1944-’45. Vlak na de oorlog waarschuwde hij voor het ontstaan van een brede subcultuur die nooit zou genezen van het gedachtegoed van de Nieuwe Orde. (Foto J. Boon /RV)

“In 1945 waren de gevangenissen te klein om alle gearresteerde collaborateurs in individuele cellen op te sluiten. Ze werden in groepen geïnterneerd, bijvoorbeeld in de voormalige landloperskolonie in Merksplas. Daar klitten ze samen en groeide er, mede onder impuls van de intellectuelen onder hen, een harde kern van incivieken die zich voor altijd afkeerden van België en dus niet vatbaar waren voor wederopvoeding. Een groot deel wilde gewoonweg niet de fouten erkennen en wilde al helemaal niet België in de armen sluiten.”

De Belgische staat wilde de gevolgen van de repressie al snel milderen, maar toch is die rehabilitatie erg verwarrend verlopen. Zo kon er geen algemene strafvermindering gegeven worden; dat kon alleen door de koninklijke gratie massaal toe te passen. Niet-strafrechtelijke sancties konden dan weer niet worden gemilderd. Daar moeste een aparte wet voor komen.

“Dat is inderdaad een belangrijke vaststelling. Als er nu af en toe nog stemmen opgaan om “de gevolgen van de repressie te milderen” (zoals bij het wetsvoorstel van het Vlaams Belang in 2011), dan slaan die niet op strafrechtelijke gevolgen. Collaborateurs konden ook andere straffen krijgen en die waren vaak cumulatief. Zo kon de fiscus speciale belastingen opleggen, konden ze uitgesloten worden van overheidsfuncties, konden ze pensioenrechten of andere burgerlijke en politieke rechten kwijtspelen. Ze konden ook niet genieten van premies zoals die van de wet-De Taeye. Als je inciviek was, dan stond je buiten de samenleving en kon je dus niet meegenieten van de voorzieningen die de samenleving aan haar burgers aanbood. Toch moet ook dat genuanceerd worden. Het valt op hoe weinig collaborateurs hun schadevergoeding aan de Belgische staat hebben betaald. Het Vlaams Belang sprak in 2011 nog van 10 miljard Belgische frank. Dat cijfers is inderdaad het bedrag dat aan schadevergoedingen werd opgelegd. Daarbij moet nog 7 miljard frank aan verbeurdverklaringen worden opgeteld. Maar wie naar de cijfers kijkt, stelt vast dat van die 17 miljard er uiteindelijk maar 1,089 miljard betaald is.”

Van de 17 miljard frank die de Belgische staat vorderde van de collaborateurs, werd uiteindelijk iets meer dan een miljard betaald

U geeft een tekenend voorbeeld van de dichter Bert Peleman. Die werd veroordeeld tot een schadevergoeding van 1 miljoen frank. Hij verdiende goed zijn brood, maar om dat te verstoppen stond zijn Mercedes op naam van zijn vrouw. Anderen kozen snel voor een huwelijksstelsel van scheiding van goederen.

“Dat klopt. De staat slaagde er niet in om al die bedragen te innen. Toch had de zogenaamde patrimoniale sanctionering, psychologisch een grote impact op de gestrafte én zijn omgeving. Een celstraf treft alleen de veroordeelde zelf, maar deze sancties raakten aan het vermogen van het hele gezin.”

Onevenwicht

U kleeft een erg precieze prijs op de collaboratie. Alles opgeteld heeft de Belgische staat 4.110.174.579,36 frank aan boetes, schadevergoedingen, verbeurdverklaringen en speciale belastingen ontvangen van de collaborateurs.

“Dat is een vijfde van het bedrag dat uiteindelijk werd gevorderd, en in 1960 vielen de betalingen bijna volledig stil. Dat is slechts 15 jaar na de oorlog. Zeggen dat de Belgische staat de collaborateurs te allen prijze heeft vervolgd, is dus zeker niet correct. De belangrijkste conclusie is dat de straffen sterk varieerden, in tijd en in ruimte, maar dat een strafvermindering- en vrijlatingsbeleid dat onevenwicht in grote mate in balans heeft proberen te brengen.”

Al dan niet vermeende collaborateurs werden na de bevrijding onder meer in de Antwerpse Zoo opgesloten. Van de tot celstraf veroordeelden was in 1950 echter al 93 procent weer op vrije voeten. (Foto RV)

Al dan niet vermeende collaborateurs werden na de bevrijding onder meer in de Antwerpse Zoo opgesloten. Van de tot celstraf veroordeelden was in 1950 echter al 93 procent weer op vrije voeten. (Foto RV)

En loopt die breuklijn van een variërende bestraffing ook langs de taalgrens?

“Die vraag is al vaker beantwoord. Er waren in Wallonië minder collaborateurs maar ze werden strenger gestraft. Daar zijn veel verklaringen voor. Volgens sommigen is dat het gevolg van de geëscaleerde geweldspiraal tussen het verzet en de collaboratie. Er was meer verzet in Wallonië. Door de wisselwerking tussen acties van het verzet en de represailles van de bezetter en zijn Belgische helpers, vergleed de situatie tot een terreur die een burgeroorlog benaderde. De impact op de lokale bevolking was uiteraard navenant en verklaart in die redenering de naoorlogse haat en waarom collaborateurs het er in de bestraffing gemiddeld harder te verduren hadden. Volgens mij is dat één van de verklarende elementen. Het kan ook eenvoudiger, namelijk in Vlaanderen stond met nu een maal toleranter tegenover collaboratie.”

In uw nieuwe artikel suggereert u dat Vlaamse collaborateurs milder werden gestraft omdat de collaboratie in Vlaanderen meer maatschappelijk aanvaard was.

“Ik stel vooral voor dat men zou onderzoeken of er geen correlatie is tussen de sociale positie van een veroordeelde en zijn straf. We zouden de sociale geschiedenis van de collaboratie en de repressie moeten schrijven. Als een beklaagde voor een rechter staat die tot zijn klasse of omgeving behoort, dan heeft dat ongetwijfeld gevolgen. We zien ook dat veroordeelden die vervroegd vrijgelaten worden in Vlaanderen veel sneller geholpen en tewerkgesteld worden door bedrijven. Zij verklaren dat de man of vrouw in het kader van hun reclassering bij hen kan komen werken. In Wallonië waren de collaborateurs veel meer geïsoleerd en aangewezen op zichzelf. Bleven ze bijgevolg misschien ook langer in de cel? Zegt dat iets over de strengheid van de straffen? Zegt dit iets over de houding van justitie of over de inbedding van de collaboratie in het maatschappelijk weefsel? En welk weefsel? Was het inderdaad de katholieke Vlaamse middenklasse die toleranter stond tegenover collaborateurs. En wat met de arbeidersklasse? Al die vragen wachten nog steeds op een antwoord. Het wordt tijd dat wij, wetenschappers, ze onderzoeken. Maar in het algemeen moeten we toch sterk nuanceren. Ongeveer 1 à 2 procent van de Belgen zat in het verzet en ongeveer een gelijkaardig deel collaboreerde. De overgrote meerderheid van de Belgen probeerde dagelijks te overleven. Het is dan ook erg opmerkelijk hoe de nazaten van twee kleine groepen het discours over de repressie en de collaboratie gedomineerd hebben.”

N-VA

Veel collaborateurs konden na de oorlog makkelijk de draad weer oppikken. Victor Leemans, 'Deutschfreundliche' ambtenaar tijdens de bezetting, werd zelfs senator voor de CVP. (Foto RV)

Veel collaborateurs konden na de oorlog makkelijk de draad weer oppikken. Victor Leemans, ‘Deutschfreundliche’ ambtenaar tijdens de bezetting, werd zelfs senator voor de CVP. (Foto RV)

Wat wel erg uitzonderlijk is, is dat collaborateurs in Vlaanderen wel makkelijker gerehabiliteerd werden en zelfs aan politiek konden doen.

“Dat is inderdaad erg opvallend. In Franstalig België, in Nederland of Frankrijk is dat trouwens helemaal niet zo. Daar schrikt men als ik vertel hoe het er hier aan toeging. De CVP, de grootste Belgische beleidspartij (die toen nog unitair was), heeft al vrij snel de nalatenschap van de Vlaamse collaboratie verkozen boven die van het Belgische verzet. Electoraal opportunisme was één van de stimuli van dat proces. Na het wegvallen van het VNV bleef een bepaald Vlaams-nationalistisch stemmenreservoir verweesd achter. De Vlaamse vleugel van de christendemocratische partij poogde daar handig op in te spelen, niet enkel door het aanklagen
van de repressie maar ook met de zogenaamde verruimingsoperatie van 1949 waarbij de rangen werden verfraaid met drie topambtenaren uit de bezettingstijd (Victor Leemans, Emiel De Winter, Jozef Custers). Tezelfdertijd klom het gecompromitteerde Vlaams-nationalisme ter rechterzijde langzaam uit het dal en stak de nieuwe partijvorming van eerst de Vlaamse Concentratie (1949-1954), vervolgens de Christelijke Vlaamse Volksunie (1954) en uiteindelijk de Volksunie (1954/55-2001) de CD&V in ijver voorbij op het thema van de bestraffing van de collaboratie. De Volksunie groeide uit tot de partij van en voor de “zwarten”, hetgeen zich ook bijna letterlijk veruitwendigde in het feit dat meer dan de helft van de VU-kaderleden uit de provincie Limburg en het arrondissement Antwerpen in 1965 nog afkomstig was uit gezinnen die op één of andere manier in aanraking waren gekomen met de repressie”.

Als een beklaagde voor een rechter staat die tot zijn klasse of omgeving behoort, dan heeft dat ongetwijfeld gevolgen.

De N-VA is de erfgenaam van de Volksunie, maar heeft de amnestie-eis niet meer in zijn programma staan. De Wever komt nochtans uit een familie met roots in de ‘radicale’ Vlaamse beweging.

“De N-VA is van oordeel dat dit thema electoraal niet meer van betekenis is. Bart De Wever zegt dat het een thema van de vorige eeuw is. Hij heeft ook voldoende politiek talent om die oude demonen niet op te rakelen, alleen maar om zich sympathiek te maken bij de harde kern van zijn achterban. Hij heeft dit thema ook niet nodig in zijn politieke strijd. Daarvoor is zijn partij al te groot geworden.”

Wat de N-VA van Bert De Wever (fot) en de nazaten van de collaborateurs wel gemeen hebben, is een gevoel van revanchisme. De partij cultiveert de idee dat Vlamingen onrecht werd - en wordt - aangedaan.

Wat de N-VA van Bart De Wever (fot) en de nazaten van de collaborateurs wel gemeen hebben, is een gevoel van revanchisme. De partij cultiveert de idee dat Vlamingen onrecht werd – en wordt – aangedaan.
(Foto Julia M. Free)

Voor de Belgische rechters moet het wel even wennen zijn. De N-VA heeft – net zoals de incivieken van toen – de vernietiging van de Belgische staat in zijn programma staan.

“Maar de N-VA is wel een democratische partij die zich – in tegenstelling tot het Vlaams Belang – niet laat betrappen op nostalgie naar meer autoritaire ideologieën. Wat de N-VA en de nazaten van de collaborateurs wel gemeen hebben, is een zeker gevoel van revanchisme. De partij cultiveert de idee dat de Vlamingen onrecht werd – en nog steeds wordt – aangedaan. Dat was ook de kern van de amnestie-eis die het naoorlogs Vlaams-nationalisme terug op de sporen heeft gezet. Op die manier is de erfenis van de collaboratie en repressie, om het met Lode Wils te zeggen, wellicht de belangrijkste motor of tenminste injectie van het Vlaams separatisme geweest. De Vlaamse Beweging is van oordeel dat België bij haar in het krijt staat en dat gevoel van misnoegdheid is een belangrijke drijfveer voor het Vlaams-nationalisme.”

INFO
Koen Aerts: ‘Repressie zonder maat of einde? – De juridische reïntegratie van collaborateurs in de Belgische Staat na de Tweede Wereldoorlog‘, Academia Press, 2014, 558 pagina’s, 40 euro.

Koen Aerts: ‘De bestraffing van de collaboratie na de Tweede Wereldoorlog: mild in Vlaanderen en streng in Franstalig België?- Pleidooi voor een sociale geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog‘, Verschijnt op 1 april in Wetenschappelijke Tijdingen.

Auteur: Karl van den Broeck

Apache.be-hoofdredacteur Karl van den Broeck (°1966) is journalist sinds zijn 20ste. Eerst 18 jaar bij De Morgen, dan vijf jaar als hoofdredacteur bij Knack en sinds 2011 freelance. Cultuur (en dan vooral literatuur) politiek en geschiedenis zijn zijn passies. Tussendoor maakt hij tentoonstellingen en schreef hij een boek waarin hij probeert te verklaren waarom we nog altijd de indianen willen redden. Sinds 2014 is hij deeltijds Agora-coördinator bij BOZAR. In 2001 won hij de Vacature Persprijs. Op Twitter gekend als kvdbroec