De cultuurstrijd van N-VA is meer dan provocatie

5

Het provocatiegedrag van N-VA zou volgens Mark van de Voorde (‘N-VA heeft vijanden nodig’, 3 feb) te verklaren zijn door profileringdrang: nu er ruis op hun verhaal zit en men de Walen niet de schuld kan geven van alles wat in Vlaanderen misloopt, zoekt N-VA andere lucratieve vijandbeelden. Vandaar het schofferen van allerlei kleinere segmenten van de samenleving die niet vlotten op ‘de grondstroom’. Het motto: door een achtergrond van commotie te creëren, zet je jezelf beter in de verf. Toch zit er meer achter, zeker wat de culturo betreft. Twee bedenkingen.

De Bourla schouwburg in Antwerpen (Foto Jan Van de Vel - Reporters)

De Bourla schouwburg in Antwerpen (Foto Jan Van de Vel – Reporters)

De cultuursector waande zich in een comfortabele positie: politici zouden toch vooral proberen bij hen in de gunst te komen. Plots wordt men uit bed getild door politici die voor de botsing gaan. Daar is de individualistische en heterogene sector niet op voorbereid. Maar zelfs al had de sector een overschot aan collectieve strijdbaarheid, dan nog is een verweer bijzonder moeilijk omdat de kritiek een pretext is voor een algemene ideologische herschrijving, eerder dan dat het echt om een probleem met de kunsten zou gaan. Anders gezegd: er zit een reformatieproject achter.

Nieuwrechtse beeldenstorm

Hoe dat in elkaar zit, wordt duidelijk als we het offensief van Wilders en De Wever vergelijken: beiden bestempelen de cultuursector als een ‘gevestigde orde’ waarna men zichzelf als een anti-establishment partij probeert te profileren. Essentieel daarbij is dat men de sterke kant van de cultuursector tracht te ondergraven door de kracht ervan net als hun grootste zwakte voor te stellen. Deze strategie lijkt wel ingefluisterd door de populistische adviseur Karl Rove, die republikeinse politici leerde dat zij hun eigen zwakte bij de tegenstander moeten parkeren. Concreet: nieuwrechtse partijen hebben weinig met cultuur maar door de culturo te problematiseren – ‘ze hebben het contact met de gewone mens al lang verloren’ – promoveert men zichzelf tot voorvechter van de ‘echte’ want eigen cultuur.

Ook essentieel is dat de culturele ‘elite’ dienst doet als een rolmodel voor de ‘progressieve elite’ in het algemeen, die verantwoordelijk zou zijn voor het verval van de natie. De ware binnenlandse vijand ontmaskerd; volgens Wilders is dat de ‘Grachtengordel’ die zichzelf vetmest maar het ‘Marokkanenprobleem’ niet wil aanpakken omdat het hen beter zou uitkomen alles op zijn beloop te laten. Henk en Ingrid zijn de dupe in Nederland. De Wever daarentegen herhaalt voortdurend dat de ‘progressieve elite’, ‘met hun villa’s in Toscane en Zuid-Afrika’, verantwoordelijk is voor wat hij het ideologische kernprobleem noemt: de oplopende spanning tussen de ‘productieven’ en de ‘niet-productieven’. Ziedaar het wereldbeeld van N-VA.

Wilders en De Wever bestempelen de cultuursector allebei als een ‘gevestigde orde’ waarna men zichzelf als een anti-establishment partij probeert te profileren

In de groep ‘productieven’ zijn de ondernemers de ereburgers, de ambtenaren spelen een ondersteunende rol. De ‘niet-productieven’ zijn dan de zieken, werklozen en asielzoekers die parasiteren op de hardwerkende Vlaming. Dit ideologisch schaduwspel – hoe simplistisch ook – slaat aan omdat de economische en maatschappelijke crises plots niet meer de schuld zijn van een falend economisch systeem, winst- of speculatieverslaving, uitbuiting en fraude, … maar van de ‘profiteurs aan de onderkant’ genre: ‘de luie Griek’, ‘de werkloze Waal’, …

Ook de ‘niet-productieven’ krijgen een excuus toegeworpen om de schuld door te schuiven: natuurlijk moeten zij hun verantwoordelijkheid maar eens leren nemen, maar daarin worden zij continu tegengewerkt door de ‘progressieve elite’. Want die maakt hen steeds opnieuw wijs dat vrijheid absoluut is, goed wetende dat maatschappelijke kansengroepen met die vrijheid niet altijd om kunnen. Diezelfde elite doet wel moeite om de eigen kroost degelijk op te voeden, terwijl ze de rest bewust aan haar lot overlaat. Het handige – en meteen ook uiterst gevaarlijke – aan dit nieuwrechts sprookje is dat het neoliberalisme buiten beeld blijft: de breuklijn tussen arbeid en kapitaal wordt een blinde vlek. Dat het neoconservatisme de bevoorrechte bondgenoot van het neoliberalisme is, wordt ook toegedekt.

De Vlaamse cultuurmissie

Voor N-VA blijft het echter niet bij deze reformatie naar een misleidende de-rijken-als-slachtoffer-cultuur op conto van de culturo. N-VA heeft de cultuursector ook nodig voor de creatie van een Vlaamse culturele hegemonie. Voor Wilders kan de contramine met de culturo volstaan, ook al levert hem dat het etiket kunsthater op. Zolang hij zichzelf maar kan presenteren als de roerganger van de poldercultuur die bedreigd zou worden door de islaminvasie en de ‘multiculti’ van de postmodernistische intelligentsia.

De Wever wil de cultuursector daarentegen als kruiwagen voor zijn integratiepolitiek en de strijd om de Vlaamse symbolen. Via functionele mythevorming, zoals hij dat zelf noemt, wil N-VA tegelijkertijd de nieuwkomers alsook de autochtone bevolking heropvoeden. Dat project loopt volop, zo berichtte Ico Maly in zijn analyse ‘De laboratoria van de N-VA natie’ (Knack, 11 jan 2013).

De grote frustratie van de Vlaamse Beweging is echter dat de Vlaamse kunstenaar, in tegenstelling met een ver verleden, het flamingantisme de rug heeft toegekeerd. Niet omdat men Belgicist is, wel omdat men zich helemaal niet kan vinden in een beklemmend volksnationalisme en een gedateerde ontvoogdingsstrijd. De provocatie van de sector beoogt dus niet alleen een voordelig vijandsbeeld, maar ook een proactieve aanval op de linkse culturo die potentieel in wat tegengas kan voorzien (cf. ‘0110’ acties van Tom Barman, ‘Niet in onze naam’ van KVS), in de hoop zo de cultuursector uiteen te spelen en aan zijn kant te krijgen.

De Wever wil de cultuursector daarentegen als kruiwagen voor zijn integratiepolitiek en de strijd om de Vlaamse symbolen

Daarmee wordt de culturo in een nieuwe wereld wakker waarin politici cultuur als proxy strijdtoneel gebruiken. De ‘onafhankelijke’ nieuwe gouverneur Jan Briers vloerde bij zijn radiodebuut het participatiebeleid van sp.a en Groen: zij zouden misprijzen hebben voor hoogstaande kunst. De kersverse burgemeester Van Quickenborne zoekt meteen de media op om het kunstencentrum BUDA-eiland op de korrel te nemen, goed wetende dat dit instituut volgens het kerntakendebat onder gewestelijke bevoegdheid valt. Q pleit naar eigen zeggen alleen maar voor meer alternatieve muziek en hoopt zo op een trendbreuk met de artistieke voorkeur van zijn voorganger –design en architectuur – omdat CD&V van Kortijk een ‘elitaire’ patisseriestad dreigde te maken. De onderliggende loopgravenoorlog mag duidelijk zijn.

Buitenkans

Wat voordien gelukkig vrijwel taboe was – politici die zich uitspreken over de inhoud van het artistieke programma – lijkt plots trendy te zijn. Zo escaleert de cultuurstrijd naar een partijpolitiek theater van concrete voor- en afkeuren. Daarmee wordt de sector de facto terug gekatapulteerd naar de verzuilde tijd voorafgaand aan het Cultuurpact. Dat pact diende nochtans om politici duidelijk te maken dat zij geen keizers zijn die met een duim omhoog of omlaag kunnen aangeven wat goed is voor het volk.

Om positief te eindigen: de waarde van kunst staat terug publiek ter discussie en dat is een buitenkans voor de sector om haar zaak te verdedigen. Zo kan men Van Quickenborne vragen of een instrumentalisering van de kunsten in functie van de economie, bijvoorbeeld onder de dubieuze mantel van ‘creatieve industrie’ met BUDA-fabriek als marktleider, niet een veel grotere bedreiging is voor wat de jonge Kortrijkzanen willen, eerder dan design en architectuur? Als Briers opkomt voor hoogstaande kunst, zijn de volkse verzuchtingen en liefdesverklaringen voor musicals, stoeten en fanfare van veel N-VA politici dan niet evengoed een bedreiging? En wat te denken van al die miljoenen die van ‘100 jaar Groote Oorlog’ vooral een commercieel en toeristisch herdenkingsfeest willen maken – Studio 100 plant met Samson en Gert alvast een spectakel-musical voor de kleinsten met ticketprijzen tussen 44,5 en 85 euro – terwijl het subsidiebeleid voor de kunsten in 2014 ongetwijfeld een historische veldslag wordt?

Robrecht Vanderbeeken is filosoof. Hij als postdoc verbonden aan de School of Arts Gent en is lid van de Vooruitgroep. In het voorjaar verschijnt zijn boek: Buy Buy Art. Over de vermarkting van kunst en cultuur.

Auteur: Robrecht Vanderbeeken

Robrecht Vanderbeeken is filosoof, auteur van ‘Buy Buy Art. De vermarkting van kunst en cultuur’ (2015, EPO) en algemeen secretaris van ACOD Cultuur.

Word lid

Word jij lid van Apache? Lees direct verder en steun onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Nu al vanaf 6,25 euro per maand.


Ja, ik word lid