The Ambition of the Territory

0

Het versnipperde Vlaamse stadslandschap is het resultaat van een decennialange traditie van onbezonnen ruimteconsumptie en anti-stedelijk beleid. Tel daarbij de economische, ecologische en demografische toekomstverwachtingen, en het ziet ernaar uit dat de strijd om de schaarse open ruimte alleen maar zal toenemen. Geraakt de Vlaamse ruimte onderhand niet opgesoupeerd? De dubbeltentoonstelling The Ambition of the Territory daagt ons uit om radicaal anders over die ruimte na te denken.

Cartoon(Thomas Huyghe)

(© Thomas Huyghe)

Wat deze tentoonstelling in deSingel en op de Biënnale van Venetië bijzonder maakt, is dat de makers – verenigd in het collectief AWJGGRAUaDVVTAT – weigeren mee te stappen in het planningsideaal van ‘de compacte stad’, die per definitie ‘duurzaam’ heet te zijn. In plaats van te streven naar een onbereikbare utopie, die haaks staat op de ontwikkelingsgeschiedenis van de Vlaams regio, wordt met behulp van cartografie, kunst en ontwerpend onderzoek gezocht naar alternatieve visies en nieuwe ontwikkelingsscenario’s vanuit het gelaagde, horizontale verstedelijkte stadslandschap.

Vlaams territorium

Dit zorgt voor een omslag in het denken over de beschikbare ruimte. Naast de bekende beperkingen en nadelen (versnippering van de open ruimte, afhankelijkheid van de wagen, uitgedunde dienstverlening, enz.) worden ook de huidige en potentiële kwaliteiten van dit landschap in beeld gebracht. Zo blijken het dichtbebouwde landschap en de vele parallelle structuren in het water- en wegenstelsel – eigen aan het Vlaamse territorium – belangrijke opportuniteiten te creëren voor synergie en coproductie. Aan de hand van uiteenlopende projecten tonen de tentoonstellingsmakers hoe vanuit dit perspectief conflicten over de schaarse open ruimte omgebogen kunnen worden tot kansen.

Maar de waarde van The Ambition of the Territory ligt niet alleen in zijn inhoudelijke bijdrage tot het vraagstuk van ruimtelijke ordening. Ook het feit dat de initiatiefnemers, samen met de makers, de potentie van de architectuurtentoonstelling als culturele vrijplaats herontdekt lijken te hebben, is een evolutie die alleen maar aanmoediging verdient. Dat dit net vandaag gebeurt, is geen toeval. De economische crisis zet de architectuur- en stedenbouwdiscipline wereldwijd aan tot introspectie. Ook de makers van The Ambition of the Territory nemen politiek stelling en leveren kritisch commentaar op de huidige ruimtelijke planningspraktijk.

The Ambition of the Territoryis vormgegeven in opdracht van minister Joke Schauvliege, als . een coproductie van het Vlaams Architectuurinstituut (VAi), het team Vlaams Bouwmeester, deSingel Internationale Kunstcampus en het collectief AWJGGRAUaDVVTAT. Dit collectief werd speciaal voor de tentoonstelling opgericht en is een samensmelting van de Brusselse think-and-do tank Architecture Workroom, het Nederlandse grafisch bureau Studio Joost Grootens, het Franse stedenbouwkundige bureau GRAU, de Belgische architecten de vylder vinck taillieu en de Belgische kunstenaar Ante Timmermans. Zij bieden, elk vanuit hun eigen achtergrond, een blik op het Vlaamse territorium. Dat levert een gelaagde, meerstemmige tentoonstelling op.

Welke sporen heeft de consumptie van goederen, diensten en ruimte nagelaten, niet alleen op de ruimte maar ook op de samenleving zelf?

Middenvinger

Architecten de vylder vinck taillieu vertellen hun verhaal aan de hand van een provocerende casestudy. Met een maquette en isometrietekeningen tonen ze het bouwtraject van een oude hoeve, gelegen in een grensgebied van verschillende bestemmingszones. Door de tijd is de hoeve omgevormd en uitgebreid tot een conglomeraat van een familiewoonst met tuin, een industriehal en een kantoorgebouw. Dit plaatje is een niet mis te verstane opgestoken middenvinger naar de ruimtelijke planner die het landschap probeert in te delen in eenduidige bestemmingszones voor wonen, industrie en natuur. Tegelijk toont het project ook de dynamiek en de mogelijkheden van bottom-up privaat ondernemerschap en van een alternatieve, hybride leefomgeving, waar wonen en werken naadloos op elkaar lijken aan te sluiten.

De woord-, beeld- en gedachtenconstructies die door kunstenaar Ante Timmermans en zijn medewerkers met ouderwets carbonpapier op de witte tentoonstellingsmuren werden gekopieerd, vormen een poëtische, maar vooral ook zoekende en vragende bijdrage. Welke sporen heeft de consumptie van goederen, diensten en ruimte nagelaten, niet alleen op de ruimte maar ook op de samenleving zelf? Hoe kunnen we opnieuw ruimte voor vernieuwing en verandering creëren binnen de inerte bureaucratie van het ambtenarenapparaat? Welke elementen uit het landschap hebben we in de loop van de tijd al dan niet bewust achter ons gelaten en uit ons geheugen gebannen? Het zijn maar enkele van de vele vragen die dit werk oproepen.

Eurometropool

Met behulp van cartografie laat Studio Joost Grootens zien hoe Vlaanderen er vandaag werkelijk uitziet: als een ‘soep van functies’. De vertaling van de Vlaamse plattegrond naar een collage van tekens en symbolen, afgedrukt op grote schaal, vormt een gigantisch grafisch wandtapijt dat je met andere ogen naar de ruimte doet kijken. Het onderscheid tussen stad en platteland, tussen centrum en periferie, is onmogelijk waar te nemen. De wandkaart lijkt wel de hedendaagse antipode van Le Corbusiers modernistische stadsontwerpen, die door zijn scherpste criticasters voor ‘tapijtontwerpen’ werden versleten. Waar de modernistische stedenbouw gekenmerkt werd door een sterk geloof in de maakbare samenleving – van bovenuit gepland en bedacht volgens rationalistische planningsprincipes zoals een strikte functiescheiding – toont de wandkaart van Grootens het absolute tegendeel.

Vervloesem2de vylder vinck taullieu

De Vylder Vinck Taullieu

Architecture Workroom zet in zijn verbeelding van de Vlaamse ruimte de ‘longue durée’ in de verf. Het hertekent Vlaanderen als onderdeel van de Rijn-Maas-Scheldedelta, die zich door de eeuwen ontwikkeld heeft als een netwerk van complementaire stedelijke gebieden, met elk hun eigen logica’s en karakteristieken. Ook Atelier Versailles, dat het werk toont van een afstudeeratelier voor architectuurstudenten uit Versailles, bestudeert en ‘mapt’ het landschap van de Eurometropool vanuit historisch perspectief. Het brengt het horizontale verstedelijkingsproces in kaart dat sinds de vroege middeleeuwen het transnationale gebied rond Lille, Kortrijk en Doornik heeft vormgegeven. Door een historische bril op te zetten en stil te staan bij het fijnmazige rivierenlandschap dat de Vlaamse ruimte én de Eurometropool eeuwenlang gestructureerd heeft, pleiten zij ervoor om gehoor te geven aan de ambities van het territorium.

In de streek tussen Antwerpen en Brussel wordt op strategische locaties het warmte- en energieoverschot van de industrie gerecupereerd om nieuwe, energie-intensieve landbouwactiviteiten te voeden

Aansluitend bij de tentoonstelling roept Joachim Declerck, woordvoerder van Architecture Workroom, in het tijdschrift Ruimte op tot een ruimtelijk beleid dat niet louter samenvalt met de bestuurlijke grenzen, en het landschap niet langer als een passief gegeven beschouwt. Hij schiet ook met scherp op het huidige beleid, dat uitgaat van Vlaanderen als een eenduidige identiteit en een ‘one policy fits all’-strategie voert.

Scenario’s voor de toekomst

De verschillende bijdragen bespelen verschillende registers, maar brengen telkens een alternatieve lezing van de Vlaamse ruimte en het bijhorende beleid in beeld, met de nodige kanttekeningen en commentaren. GRAU gaat nog een stap verder: het denkt na over mogelijke (inter)acties en geeft een eerste aanzet tot ontwerpend onderzoek. In tegenstelling tot het compacte stadsmodel, dat slechts één oplossing biedt, verkent en verbeeldt GRAU met ruimtelijke ontwikkelingsscenario’s de uiteenlopende mogelijkheden van het Vlaamse territorium. Het Franse bureau maakt de oefening voor de streek rond Borgloon in het zuiden van Limburg en voor het gebied tussen Antwerpen en Brussel. De gebruikte strategie is twee keer dezelfde: schijnbaar onverenigbare ruimtegebruiken worden met elkaar verweven en verknoopt. Wat op het eerste gezicht lijkt te zullen leiden tot sociale, ecologische, economische en ruimtelijke conflicten, wordt omgevormd tot plekken van territoriale collectiviteit.

In de streek tussen Antwerpen en Brussel wordt bijvoorbeeld op strategische locaties het warmte- en energieoverschot van de industrie gerecupereerd om nieuwe, energie-intensieve landbouwactiviteiten te voeden. Dit is slechts een van de vele scenario’s die GRAU onderzocht heeft, zowel op papier als in de praktijk, en onder meer in gesprek met de Boerenbond. Deze aanpak demonstreert hoe een gedeeld ruimtegebruik, dat zich aanpast aan de opportuniteiten van het territorium en inspeelt op toekomstige maatschappelijke ontwikkelingen, kan leiden tot win-winsituaties.

Studio Joost Grootens laat zien hoe Vlaanderen er vandaag werkelijk uitziet: als een ‘soep van functies’

Door de tentoonstelling keert dus telkens dezelfde boodschap terug, zij het steeds anders verpakt en uitgewerkt: de herontwikkeling van de Vlaamse ruimte moet vertrekken vanuit het bestaande gelaagde en horizontaal verstedelijkte territorium. Zo is The Ambition of the Territory een expo die tijd en concentratie vraagt: het materiaal is omvangrijk en erg divers. Vooral aan de tekening kennen de tentoonstellingsmakers veel gewicht toe.

Dat haar taal niet voor iedereen even makkelijk leesbaar is, wordt mee opgevangen door de tentoonstellingsgids, met daarin onder meer een essay dat handvaten biedt om het getoonde beeldmateriaal te begrijpen. Ook verspreid opgestelde en knap gemonteerde filmpjes met interviewfragmenten helpen om een en ander in een ruimer perspectief te plaatsen. Ze brengen met zorg uitgekozen specialisten als de historicus Peter Stabel en de architect-stedenbouwkundige Paola Viganò aan het woord, naast relevante stakeholders als Piet Vanthemsche van de Boerenbond.

Horizontale stad

Een tentoonstelling als The Ambition of the Territory had al veel eerder kunnen of moeten plaatsvinden. Anders dan in bijvoorbeeld Nederland – waar je ondersteunende instanties hebt als het Stimuleringsfonds voor Architectuur – gaapt er in Vlaanderen al decennialang een leegte tussen het wetenschappelijke onderzoek aan universiteiten en de architectuur- en stedenbouwpraktijk. Het aantal (ontwerpende) onderzoekbureaus dat zich kan bezighouden met sociaal-ruimtelijke vraagstellingen, is op één hand te tellen – ondanks alle prangende kwesties waarmee we in de toekomst geconfronteerd zullen worden. Recente initiatieven als ‘Jonge makers, denkers, dromers’ van het VAi, waarbij academische onderzoekers een uitdagende intellectuele of maatschappelijke vraag formuleren waar jonge ontwerpers mee aan de slag gaan, zijn een stap in de goede richting.

Helaas zijn zulke fora door beperkte middelen en mogelijkheden allesbehalve talrijk. Nochtans hebben culturele spelers in het verleden en in het buitenland meermaals bewezen dat ze een sleutelrol kunnen spelen bij innovatieve stedelijke of andere transformatieprocessen, denk aan de rol van AIR in de ontwikkeling van de Kop van Zuid in Rotterdam, of de werking van architectuurcentrum arc en rêve in Bordeaux.

De makers van The Ambition of the Territory hadden daarom het (on)gelukkige voordeel te kunnen steunen op onderzoek over wat sommigen ‘de horizontale stad’ en anderen ‘de diffuse stad’ of de ‘Vlaamse nevelstad’ noemen. Dat onderzoek heeft zich gedurende vijftien jaar (!) in de relatieve luwte kunnen ontwikkelen aan vooral Italiaanse en Vlaamse universiteiten. Enkele van de meest in het oog springende voorbeelden zijn het werk van Bernardo Secchi en Paola Viganò in zowel Italië als in Vlaanderen en de vele atlassen van Bruno De Meulder met de OSA onderzoeksgroep aan de KULeuven.

Vervl3

“De Rijn-Maas-Scheldedelta is een van de eerste regio’s waar in de twaalfde eeuw al verstedelijking optrad”

‘We are not in a moment of expansion, we are in a moment of recycling’, zegt Viganò in een van de audio-interviews in de tentoonstelling. Na een periode waarin de groei van de horizontale stad uitgebreid in een beeld is gebracht, is er nu een volgende stap nodig. De diffuse stad is aan herziening toe. De pleitbezorgers van de horizontale stad worden in hun overtuiging gesterkt door onderzoek naar hoe deze wijdvertakte verstedelijkingsstructuur in het verleden heeft gefunctioneerd. Peter Stabel legt in zijn video-opname uit hoe de Rijn-Maas-Scheldedelta waar Vlaanderen deel van uitmaakt, een van de eerste regio’s binnen Europa was waar in de twaalfde, dertiende eeuw verstedelijking optrad. Volgens hem hebben we onze welvaart mee te danken aan ons fijnmazige netwerk van rivieren en het gemak waarmee in het vlakke landschap wegen konden worden aangelegd. Handel en arbeid konden zich, tegen een lage kost, vlot over het hele grondgebied verspreiden.

Deze sterk gespreide en fijnmazige ruimtelijke structuur – zonder grote metropolen als Parijs of Londen – is trouwens niet uniek voor de Rijn-Maas-Scheldedelta, maar kenmerkt bijvoorbeeld ook het Rijnland, de Zwitserse valleigebieden, Opper-Silezië in Polen en de streek rond Venetië. Het komt er nu op aan om de aanwezige structuren met hun lange geschiedenis van stedelijke diffusie te recupereren en de productiemechanismen van toen te vertalen naar de noden van vandaag. Of zoals Joachim Declerck van Architecture Workroom het formuleert: ‘Wij bieden geen totaal nieuwe oplossing aan, maar een eeuwenoude oplossing voor hedendaagse behoeften.’

Belgische veerkracht

Bij zijn recente aantreden aan de Universiteit Gent vergeleek stedenbouwkundige Michiel Dehaene in zijn inaugurale lezing de langzame en geleidelijke ontwikkeling van het Belgische landschap met de sterker gestuurde en geplande ruimtelijke ontwikkeling in Nederland. Wie beter af is, liet hij in het midden. Wel wees hij op de planningsparadox waarmee Nederland zich geconfronteerd ziet. Door steeds op alles voorzien te willen zijn en alles zo optimaal en efficiënt mogelijk te plannen, zit er weinig rek op de gebruiksmogelijkheden van de Nederlandse ruimte: bij wijzigende omstandigheden laten haar geplande functies zich slecht aanpassen. Het Belgisch territorium beschikt daarentegen over een grote veerkracht om met wisselende condities om te gaan.

De ‘suboptimale configuraties’ en de ‘overcapaciteit’ van onze ruimte – resultaat van een weinig planmatige ontwikkeling, zowel op de huizenmarkt als in ons wegenstelsel – creëren volgens hem een zekere marge en bewegingsvrijheid. Dehaene illustreert dit aan de hand van onze wegeninfrastructuur met zijn vele parallelle structuren en sterke verknoping. ‘Naast elke snelweg ligt een nationale weg, naast elke nationale, een lokale… In het geval van een file of een ongeluk op de ene weg, verdeelt de verkeersstroom zich gedeeltelijk over de andere wegen. In Nederland kan dit niet.’

Een tentoonstelling als The Ambition of the Territory had al veel eerder kunnen of moeten plaatsvinden

Het is ondertussen duidelijk dat zich in Vlaanderen een tegenbeweging heeft gevormd die zich niet langer afzet, maar opnieuw wil aansluiten bij de horizontale stedelijke ontwikkeling. Toch mag dit betoog niet verkeerd begrepen worden als een pleidooi om alles dan maar bij het oude te houden, of aan het particuliere en privé-initiatief over te laten. De vertaling van dit conceptuele discours naar concrete voorstellen en projecten vraagt nog veel bijkomend denk- en ontwerpwerk. De eerste verkenningen van de sociale en ecologische mogelijkheden van de horizontale stad zijn al gebeurd.

Zo komt Paola Viganò in haar artikel voor het volgende nummer van OASE tot de opvallende vaststelling dat er dankzij de ‘horizontaliteit’ van de Brusselse metropool een enorm (en binnen Europa ongezien) raakvlak is tussen de bebouwde en de open ruimte. Om precies te zijn 3,7 meter raakvlak per inwoner. Ter vergelijking, in Groot Parijs bedraagt dit slechts 0,56 meter en in de Randstad 0,39 meter. Met recent opkomende initiatieven als stadslandbouw in het achterhoofd, opent dit nieuwe perspectieven.

Wonderwel lijkt het versnipperde, gefragmenteerde Belgische landschap plots een perfecte ondergrond te vormen. Ook de vele voorstellen van onder meer GRAU in The Ambition of the Territory tonen beloftevolle denkpistes en aanzetten om het Vlaams territorium om te vormen tot een ambitieuze horizontale stad van morgen. Toch zijn er nog veel blinde vlekken. Het hele mobiliteitsvraagstuk krijgt bijvoorbeeld amper aandacht. Tot slot zal het zaak zijn om binnen dit verruimde blikveld belangrijke economische, ecologische, sociale en culturele kwesties die zich vaak concentreren in de grotere steden – armoede, migratie, milieuvervuiling – niet uit het oog te verliezen.

Vrijblijvend Venetië

Christoph Grafe, directeur van het VAi, kondigde de tentoonstelling in Antwerpen aan als een ‘precisering’ van de tentoonstelling in Venetië. De focus is verschoven, en ook de opstelling verschilt. In Antwerpen is het grafische wandtapijt van studio Joost Grootens twee keer zo groot afgedrukt, en daardoor des te overweldigender. Ook het werk van Ante Timmermans staat meer centraal in een nagebouwde miniatuurversie van het Belgische paviljoen.

Met zulke welgemikte ingrepen creëren de tentoonstellingsmakers in eigen land geen flauwe kopie, maar een vervolgverhaal. Vergelijk het met een roman van Paul Auster: het Venetië-verhaal wordt een verhaal binnen een verhaal, waardoor de grenzen tussen presentatie en representatie, tussen verbeelding en werkelijkheid moedwillig overhoop worden gehaald.

Vervloesem4Architecture Workroom Brussels

Architecture Workroom Brussels

De Architectuurbiënnale in Venetië werd dit jaar gecureerd door de Engelse architect David Chipperfield en stond in het teken van ‘Common ground’. Dit thema was onder meer een oproep om de relatie of de gemeenschappelijke grond tussen architecten en de rest van de wereld opnieuw te versterken. Chipperfield wilde een alternatief tonen voor de iconische sterarchitectuur die niet alleen beeldbepalend is, maar architecten al dan niet terecht opzadelt met het imago dat zij veraf staan van de maatschappelijke thema’s die er vandaag toe doen.

Dat mooie voornemen kon maar voor een stuk worden waargemaakt. De tijd dat de biënnale een ‘best of’ was, waarvoor elk land zijn architecturale paradepaardjes naar voren schoof, leek gelukkig (zo goed als) voorbij. De heropbouw na de tsunami in het Japanse paviljoen, het fragiele campingwonen in het Chileense paviljoen, de spontane burgerinitiatieven in de stedelijke ruimte in het paviljoen van de Verenigde Staten: het zijn slechts enkele voorbeelden van thema’s die de revue passeerden.

Toch blijven de politieke of sociale stellingnames gevangen zitten in de cocon van de biënnale, waardoor ze wat vrijblijvend worden. Ondanks goedbedoelde intenties blijft de biënnale een elitaire bedoening, hoofdzakelijk georganiseerd voor en door architecten, waar de grote namen in de architectuurwereld elkaar voor de voeten lopen en waarbij de dialoog met de buitenwereld beperkt blijft. In de media wordt het belang ervan nog steeds vooral afgemeten aan hoeveel en welke architecten in deze editie al dan niet zijn uitverkoren om te verschijnen op het internationale schouwtoneel, zoals ook gebleken is uit de Belgische berichtgeving.

De tentoonstelling als vrijplaats

In België zelf landde The Ambition of the Territory weer met beide voeten op de grond. De sterke coproductie met verschillende vertakkingen in culturele instellingen en op Vlaams beleidsniveau vormde daarvoor een stevige basis. Zo maakt de tentoonstelling ook mee deel uit van het ‘ViA-Ruimte’-onderzoeksprogramma dat door de Vlaams Bouwmeester is opgezet om na te denken over hoe de ruimtelijke ordening in Vlaanderen moet veranderen.

De ruimtelijke inzichten die gepresenteerd zijn in The Ambition of the Territory worden dus mee beschouwd als een opstap naar het in opmaak zijnde Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. Peter Swinnen, Vlaams Bouwmeester, beklemtoonde bij de opening dat de tentoonstelling moet opgevat worden als een ‘work in progress’. Aan de tentoonstelling die vandaag aan het publiek wordt getoond, gingen al verschillende workshops vooraf, en ook de komende maanden zullen opnieuw ontwerpateliers worden ingericht waarin experts, ontwerpers, beleidsverantwoordelijken en andere geïnteresseerden intensief zullen debatteren en ontwerpen. De resultaten hiervan worden op 8 januari 2013 gepresenteerd op de studiedag ‘Vlaanderen als ontwerp – Naar een gedeelde ontwerpagenda voor Vlaanderen’.

Wonderwel lijkt het versnipperde Belgische landschap plots een perfecte ondergrond te vormen

Onder de vleugels van een culturele instelling, en tegelijk inspelend op het momentum in het Vlaamse ruimtelijk beleid, grijpen de makers en de initiatiefnemers van The Ambition of the Territory de kans om het debat rond ruimtelijke ordening mee te voeden en verder aan te wakkeren. Geen kleine verdienste. Ze slagen erin om buiten de huidige organisatiestructuren en met behulp van ontwerpend onderzoek ruimte te creëren voor experiment. Hopelijk helpen ze daarmee ook innovatieve en kritische visies op de ruimtelijke beleidsagenda te plaatsen. Want deze frisse wind is alleszins welkom.

De huidige beleidscontext wordt nog steeds geplaagd door een starre sectorale benadering en een geïnstitutionaliseerd hokjesdenken over wonen, werken, vrije tijd en mobiliteit. Een radicale omslag in dit denken zal ongetwijfeld niet voor morgen zijn, zoals ook Ante Timmermans vanuit zijn ‘Antenaar’-kamer lijkt te voorspellen. Een van zijn tekeningen toont een groot leeg podium, met typische zware theatergordijnen en op de scène het opschrift ‘an eternal struggle’. Onder de tekening is in grote letters ‘inertia’ gekrast. Het zal erop aankomen de radicaliteit van de getoonde ideeën goed te blijven bewaken. Niet alleen een vertaalslag naar het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen blijft cruciaal, maar ook een volgehouden geloof in een Vlaamse regio die gestructureerd wordt op basis van zijn territoria, in plaats van door lands- of gewestgrenzen en sectoren.

Bij wijze van positieve afsluiting toch nog even dit. Naar aanleiding van The Ambition of the Territory werd in De Morgen een dubbelinterview afgenomen van Vlaams Bouwmeester Peter Swinnen en Vlaams minister Philippe Muyters van Ruimtelijke Ordening, dat voor de nodige commotie zorgde. Muyters stelt voor om het afgelegen wonen in de toekomst te ontmoedigen, omdat het de kosten voor de gemeenschap onnodig de hoogte injaagt: ‘Een afgelegen bouwgrond is dan bijvoorbeeld duurder. Openbare nutsvoorzieningen zijn duurder.

De post, idem. Wie zo wil wonen, zal moeten betalen voor die luxe.’ Dat zo’n debat vandaag in Vlaanderen weer gevoerd kan worden, terwijl er op het internet lijstjes beginnen te circuleren waarin de kosten van het afgelegen wonen nauwkeurig worden voorgerekend, moet niet alleen de tentoonstellingsmakers verheugen, maar ook iedereen die begaan is met de toekomst van de Vlaamse ruimte.

‘The Ambition of the Territory’ loopt tot 6 januari in deSingel, Antwerpen, meer info.

Dit artikel maakt deel uit van het rekto:verso dossier Het gat in de stad.

RektoVerso

Dit artikel is het gevolg van een samenwerking tussen Apache en Rekto:Verso.

Auteur: Els Vervloesem

is architect en maakt deel uit van de Onderzoeksgroep Stedenbouw en Architectuur (OSA) aan de KU Leuven.

Word lid

Lees direct verder en steun onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Nu nog aan 6,66 euro per maand.


Ja, ik word lid