Mobilisatie voor een ongevaarlijke oorlogsherdenking

4

In 1918 betekende vrede vooral een kans om af te rekenen met ‘slechte Belgen’ en ‘Duitse matrassen’. Waarom horen we die verhalen niet in de aanloop naar de herdenking van WO I? Wat volgt is een pleidooi voor zoveel mogelijk stekelige verhalen over de Grote oorlog,

(Foto VanDammeMaarten)

In een opiniestuk in De Standaard stelde Steven Maes, medewerker van de Ijzertoren, recent nog dat bij de herdenking van de Eerste Wereldoorlog de verontwaardiging het moet afleggen tegen een soort vrijblijvende ‘remembrance’.

Zijn kritiek sluit aan bij bestaande kritieken op het herinneringsproject van de Vlaamse overheid. Die kritieken hekelen de politieke recuperatie en de commerciële uitbuiting van de Eerste Wereldoorlog. Dat is één kant van het verhaal. Maar ik lees ook graag iets nieuws bij mijn ochtendkoffie. Daarom enkele kanttekeningen bij wat u vanaf 2014 kunt verwachten.

Politiek en geschiedenis

De algemene herdenkingsmobilisatie is afgekondigd. Het Vlaams onroerend oorlogserfgoed blinkt. Wallonië plant een inhaaloffensief dat – net zoals in 1919  – meer nadruk legt op de heroïek van de vrijheidsstrijd. En de IJzertoren, het symbool van de Vlaamse beweging, gaat op zoek naar een nieuw verhaal dat zich toespitst op … 14-18. Historici zijn in die renovatie trouwens niet de eerst aangesproken experten. Dat is ietwat problematisch, maar de lokroep van de oorlog is blijkbaar onweerstaanbaar.

Minister Bourgeois heeft een duidelijke beleidskeuze gemaakt. Hij investeert overheidsgeld in bestaande sterkhouders met een (gepercipieerde) toeristische en diplomatieke uitstraling. Het kon ongetwijfeld anders. En ja, de nadruk op de loopgraven gaat ten koste van die oorlogservaring die voor 90 procent van de Belgen relevant was: langdurige bezetting en bittere armoede.

Maar we kunnen Bourgeois moeilijk verwijten dat de collega’s van cultuur en onderwijs niet over de brug komen. Kunt u zich de reacties inbeelden wanneer de minister van buitenlands beleid en toerisme zijn budget gebruikt voor iets wat buiten zijn bevoegdheden ligt? Als er van bovenaf nog méér geld zou worden gereserveerd voor een lang geleden uitgevochten oorlog? Als historica kan ik mij die kritiek levendig voorstellen, en tot op zekere hoogte deel ik ze zelfs. Alsof kansarmoede onder Vlaamse kinderen ook geen speerpunt is.

We kunnen Bourgeois moeilijk verwijten dat de collega’s van cultuur en onderwijs niet over de brug komen.

Een verleden met weerhaken

Die armoede bij kinderen brengt ons weer terug naar 14-18. U weet wel, de periode dat de meeste kinderen niet eens naar school gingen, omdat machthebbers weigerden om wetten tegen kinderarbeid te stemmen. Tegelijkertijd werd er in 14-18 ook heel wat poen geschept. Bepaalde fabrikanten ontsloegen hun vaste arbeiders en namen werklozen aan, die aan lagere lonen werkten. Het verleden leunt veel dichter bij het heden aan dan oude uniformen doen vermoeden. Het bezettingsverleden is al bij al straffe kost.

Heel wat musea, erfgoedcellen, stadsbesturen, lokale kunstenaars en scholen willen ook ‘iets’ doen met dat verleden. Toch bestaat de kans dat u in 2014 een ongevaarlijk verhaal zult horen over de Duitse barbarij, over hoe slecht die oorlog wel niet was en over ‘de gewone man’. Waarna men misschien verkondigt dat we lessen moeten trekken, lessen over de vrede. Ik betwijfel of zo’n lezing van de Eerste Wereldoorlog ook maar iets in vraag kan stellen. Mag het iets complexer? Of kunnen weerbarstige verhalen geen toppers zijn op de culturele agenda?

Een simpele boodschap?

Beleving krijgt te vaak voorrang op de politieke dimensies van het verleden. Dit gebeurt via verhalen over de gewone man, die onbestaande schimmige figuur die alleen maar de sociale ongelijkheid uit die periode maskeert.

We kunnen de commercialisering van de oorlogsherdenking niet met alle zonden beladen. Een tweede dreiging bestaat erin dit verleden ongevaarlijk te maken, met slappe clichés en obligate overzichtstentoonstellingen. De beleving krijgt daarbij te vaak voorrang op de politieke dimensies van het verleden. Dit gebeurt via verhalen over de gewone man, die onbestaande schimmige figuur die alleen maar de sociale ongelijkheid uit die periode maskeert. Met verhalen over soldaten die voor ‘niets’ vochten (alsof ze niet afgesneden waren van hun vrouwen en kinderen in het bezette land) en passieve burgerslachtoffers (alsof ze zich niet uit alle macht weerden om géén slachtoffer te worden).

Dit is het tijdperk waarin koning Albert vreesde voor een volksrevolutie, het tijdperk waarin mensen elkaar op straat uitscholden omdat ze zich niet ‘patriottisch’ genoeg gedroegen. Zijn onze zieltjes zo kwetsbaar geworden dat we liever lezen over  koken in 14-18 dan over maatschappelijke tendensen? Het verleden wijst ons ten slotte niet automatisch de weg naar meer vrede, hoe graag we dat ook zouden willen. In 1918 betekende vrede vooral een kans om af te rekenen met ‘slechte Belgen’ en ‘Duitse matrassen’.

De vele activiteiten in het kader van 100 jaar Grote Oorlog moeten érgens over gaan – met of zonder subsidies. Hoe meer stekelige verhalen over de Grote oorlog, hoe beter. Laat het niet alleen gaan over de soldaat in de Westhoek, maar ook over de dwangarbeider in bezet gebied. En liefst nog over het soort maatschappij waarin zij moesten leven. De wereld is complex en gelaagd. Gebruik de ellende van miljoenen mensen niet om een simplistisch verhaal te vertellen.

Auteur: Giselle Nath

co-auteur van het boek 14-18 van dichtbij, en verbonden aan het Instituut voor Publieksgeschiedenis (Universiteit Gent).

Word lid

Word jij lid van Apache? Lees direct verder en steun onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Nu al vanaf 6,25 euro per maand.


Ja, ik word lid