Een Comité J is geen goed idee


Kamerlid Renaat Landuyt (SP.A) pleit voor de oprichting van een extern toezichtsorgaan voor Justitie, vergelijkbaar met het Comité P voor de politiediensten en het Comité I voor de inlichtingendiensten. Niet doen, adviseert gepensioneerd rechter Walter De Smedt, die zelf lid is geweest van de twee bestaande controlecomités.

Met zijn voorstel reageert Landuyt op de blunder van het Hasseltse parket, dat vorige week een moordenaar moest vrijlaten omwille van een domme procedurefout. Hij stelt vast dat magistraten die in de fout gaan bijna nooit worden gesanctioneerd. Een Comité J zou sancties bij justitie wél mogelijk maken. Vanuit het buikgevoel is de verontwaardiging van Landuyt best te begrijpen. Er schort inderdaad iets aan de sanctionering van procedurefouten en van diegenen die ze begaan.Het probleem van de nietigheden is een oud zeer. Het wordt tijd dat het parlement, aan de hand van de meerdere voorstellen die daarover werden ingediend en besproken, deze aangelegenheid wettelijk regelt. Zo zouden magistraten niet langer verplicht zijn om – bij toepassing van de huidige wet – sterk overdreven maatregelen zoals een vrijlating uit te spreken. Het is eveneens een evidentie dat er dringend moet worden gesleuteld aan het huidige tuchtrecht voor magistraten. De recente publicatie door de Hoge Raad voor de Justitie van een morele code voor magistraten verandert niets aan de manier waarop magistraten nu, al of niet, worden gesanctioneerd.

Bezwaren

Voor de oprichting van een nieuw orgaan in de stijl van het Comité P zijn er echter meerdere ernstige bezwaren. De eerste hindernis werd reeds bij de bespreking van de organieke wet op de Vaste Comité’s opgeworpen. Er was en er is een grondwettelijk bezwaar. Een instelling zoals het voorgestelde Comité J is een emanatie van de wetgever. Het principe van de scheiding der machten belet dat de wetgever zich zou inmengen in de bevoegdheden van een andere staatsmacht, in dit geval de rechterlijke macht. Daarom werd een onderzoek tegen leden van de rechterlijke macht uitdrukkelijk uit de bevoegdheden van het Comité P uitgesloten. Het parlement kan dit grondwettelijk bezwaar natuurlijk vergeten. Vraag is of het Grondwettelijk Hof en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg dat ook kunnen doen.

De tweede hindernis belet het uiteindelijk door Landuyt nagestreefde doel: de sanctionering van magistraten voor foutief gedrag. Hier moet gewezen worden op twee elementen. Vooreerst is er het principe van de niet aanspreekbaarheid van rechters voor de inhoud van een vonnis. Een recent arrest van het Hof van Cassatie over de vervolging van een rechter voor rechtsweigering heeft bevestigd wat in iedere nationale en internationale democratische regelgeving is vastgelegd, namelijk dat een rechter niet meer onafhankelijk is wanneer hij persoonlijk kan aangesproken worden. In dat geval ontstaat er immers in de door hem behandelde zaak, een persoonlijk rechtsbelang: zijn mogelijke sanctionering wegens de inhoud van zijn uitspraak.

De sanctionering van een magistraat, zoals dat voor iedere andere burger het geval is, moet gebeuren volgens de criteria van een eerlijk proces

Vervolgens moet de sanctionering van een magistraat, zoals dat voor iedere andere burger het geval is, gebeuren volgens de criteria van een eerlijk proces. Dat is voor een magistraat momenteel niet het geval. In de huidige tuchtprocedure is de korpschef tegelijk rechter en partij, hetgeen flagrant in tegenspraak is met de rechtspraak van het Mensenrechtenhof. Om die reden werd dan ook een wetsvoorstel uitgewerkt dat de oprichting voorziet van een afzonderlijke en onafhankelijke tuchtrechtbank en waarbij de tussenkomst van de korpsoverste in de tuchtprocedure uitdrukkelijk wordt uitgesloten. Ook hier is het te voorzien wat er zal gebeuren na de tussenkomst van een Comité J. Alle tuchtonderzoeken die als gevolg van het vaststellen van disfuncties door parlementaire onderzoeken werden gedaan, zijn wegens inbreuken op het recht van de verdediging op een sisser afgelopen.

De derde hindernis is van praktische aard. Je kan er van uitgaan dat een onderzoek door een Comité J toch dienstige elementen kan opleveren, elementen die dan in een parlementair debat kunnen aangewend worden en tot wetswijzigingen kunnen leiden of kunnen zorgen voor politieke druk. Ook hier is het nuttig de geschiedenis van het Comité P als voorbeeld te nemen. Waartoe dienen de toezichtonderzoeken van het Comité P en wat gebeurt ermee? Volgens de organieke wet dienen die onderzoeken niet om persoonlijke fouten vast te stellen en moet onderzoek daarover
geweerd worden. Het is immers enkel de bedoeling om algemene disfuncties te signaleren. Daarbij moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen het onderzoeksdossier, waarin de door het comité of zijn enquêtedienst gedane onderzoeksverrichtingen als bijvoorbeeld verhoren worden opgenomen, en het onderzoeksverslag waarin op grond van het onderzoeksdossier een algemene bespreking met een mogelijk advies wordt opgenomen.

Waartoe dienen de toezichtonderzoeken van het Comité P en wat gebeurt ermee?

Niet de gewoonte

Het parlement krijgt nooit het onderzoeksdossier te zien. Dat leidde in het onderzoek over het onderzoek-Dutroux tot een van de grootste ‘disfuncties’ uit de geschiedenis. Het Comité P vergat in zijn aan het parlement overgemaakte onderzoeksverslag te vermelden dat de ondervraagde rijkswachters in het onderzoeksdossier bekend hadden dat zij in verband met de Operatie Othello (het geheime, parallelle onderzoek van de rijkswacht) niet alles aan de Luikse onderzoeksrechter Martine Doutrèwe hadden gemeld. De reden: het was “niet de gewoonte om interne rijkswachtdocumenten aan de gerechtelijke overheden mede te delen”. In het onderzoeksverslag schreef het comité zelfs het tegendeel, namelijk dat wél alle informatie waarover de rijkswacht beschikte, schriftelijk én mondeling aan de onderzoeksrechter was meegedeeld. Omdat dit verslag in tegenspraak was met het verslag dat daarover door de procureurs-generaal werd opgesteld, was het parlement verplicht het onderzoek over te doen. En tijdens de fameuze, door heel België gevolgde confrontatie tussen de onderzoeksrechter en de door het comité ondervraagde rijkswachters ontkenden ze onder eed wat ze eerder aan het comité hadden bekend.

Intussen werd door voormalig Kamervoorzitter Herman De Croo (Open VLD) naar aanleiding van de zaak Erdal ook een nieuwe informele regel ingevoerd: het “for your eyes only” principe. Deze ongeschreven werkwijze betekent dat enkel de leden van de parlementaire commissie die de vaste comité’s ‘begeleiden’ inzage mogen nemen van de documenten van het Comité P. Let wel: niet van de onderzoeksdossiers, maar van de onderzoeksverslagen. Het betekent voorts dat zij daarover geen mededelingen mogen doen, zelfs niet aan andere parlementairen. Door deze omzeiling van het principe van de “freedom of speech” is het niet meer mogelijk om een onderzoeksverslag van het comité, ook als er politiek delicate gegevens in staan, in een plenair debat te gebruiken.

Toezicht en sanctionering

In deze problematiek draait alles rond twee belangrijke begrippen: toezicht en sanctionering. De steeds terugkerende vraag is welke de beste vorm van toezicht is. Algemeen wordt erkend dat het toezicht door een onafhankelijke rechter de grootste waarborg biedt. De motivering van deze stelling verwijst meestal naar de grondwettelijke voorzieningen, de benoeming voor het leven en de onafzetbaarheid van de rechter. Misschien is dat de reden waarom in nieuwe instellingen steeds meer lekenrechters opduiken die niet voor het leven en enkel voor een tijdelijk mandaat zijn benoemd, wat overigens ook voor de leden van een vast comité het geval is.

Maar ook de onafzetbaarheid kan in de praktijk door een verplaatsing van de rechter of door een willekeurige en niet te bestrijden maatregel van de korpsoverste worden ondergraven. Dat is de reden waarom in de nieuwe tuchtprocedure deze verplaatsing als een mogelijke sanctie wordt omschreven. Dat een rechter uit zichzelf meer onafhankelijk zou zijn dan een andere burger is een fictie. De rechter moet onafhankelijk zijn omdat alles wat hij doet schriftelijk wordt weergegeven en gemotiveerd, zodat daarop in de openbare zitting door alle betrokken partijen maar ook door het publiek en de media toezicht kan uitgeoefend worden. Het beste toezicht ligt daarom in de openbare behandeling. Openbaarheid is een van de voorwaarden voor een eerlijk proces. Deze openbaarheid loopt samen met het door het Mensenrechtenhof sterk benadrukt principe dat ‘justice must seen to be done’. De burger moet kunnen zien hoe justitie werkt.

De parlementaire onderzoekscommissies hebben met ‘disfunctie’ een nieuw, leeg begrip  begrip uitgevonden dat tot niets leidt en ontelbare malen kan herhaald worden.Sindsdien disfunctioneren wij onafgebroken en ongestraft verder.

Voorwaarden

Voor een mogelijke sanctionering moet gewezen worden op twee andere begrippen: fout of nalatigheid. Om te kunnen sanctioneren moet er aangetoond worden dat er een fout of een nalatigheid werd begaan. Probleem is evenwel dat de parlementaire onderzoekscommissies een nieuw begrip hebben uitgevonden om binnen de grenzen van hun eigen bevoegdheden te kunnen blijven en aan de gevolgen van de individuele sanctionering te kunnen ontsnappen: de disfunctie. De disfunctie is een leeg begrip dat tot niets leidt en ontelbare malen kan herhaald worden. En sindsdien disfunctioneren wij onafgebroken en ongestraft verder. Als men daarin verandering wil brengen, dan moeten de begrippen fout en nalatigheid in ere worden hersteld. Dat kan evenwel enkel in het kader van een gerechtelijke actie en niet in het politiek midden.

Uit voorgaande vaststellingen volgt dat er grondwettelijke, wettelijke, feitelijke, morele en doelmatigheidsbezwaren zijn tegen de oprichting van een Comité J. Bovendien is de oprichting van dit nieuwe comité totaal overbodig en volstaat het om de sanctionering van magistraten én doelmatig én behoorlijk te laten gebeuren en om de Europese verplichtingen over de tuchtrechtbank en de toepassing van het eerlijk proces te honoreren. Indien het Landuyt menens is en hij echt een einde wil aan de huidige ‘disfuncties’ moet hij bijzonder weinig doen en volstaat het om ervoor te zorgen dat de oprichting van de tuchtrechtbank in het parlement gestemd geraakt. Maar dat voorstel lijkt intussen op apegapen te liggen. Hoe zou dat komen?


Over dit artikel

BronApache [https://www.apache.be]
TitelEen Comité J is geen goed idee
Auteur(s)Walter De Smedt
Permalinkhttps://www.apache.be/?p=30863
Gepubliceerd 01 oktober 2012 @ 13:11
Opgevraagd11 december 2019 @ 18:57
Klik hier om te printen