Met de handen in het haarscheurtje

1

Dit deugt niet, dacht Peter Malaise zo’n veertig jaar geleden en hij betoogde met zijn eerste kind op zijn rug tegen Doel 1. Hij had gelijk: het deugde niet, maar tussen gelijk hebben en gelijk krijgen is er een wereld van verschil. ‘We worden geacht blindelings de meningen van lieden te aanvaarden die als experten ter zake worden beschouwd, alhoewel zij zelf niet in staat blijken de problemen te beheersen.’

(Foto Eric Herchaft – Reporters)

Intussen zijn we aan Doel 4 en Tihange 3 en het zijn alleen maar haarscheurtjes, zoals vermoedelijk in 350 andere kernreactoren over de hele wereld. Constructiefoutje, niets om ons zorgen over te maken, aldus de experten. Er zijn wel enkele vervelende aspecten aan: zo kan je een kerncentrale met een constructiefout niet terugroepen zoals een auto met een constructiefout en als het even tegenzit gaat straks het licht knipperen of misschien wel gewoon uit. Bovendien is alles wat er gebeurt zo vervloekt openbaar en zichtbaar, in tegenstelling tot de elektriciteit zelf.

Elektriciteit is al lang de hoofdenergiebron van de maatschappij. Landen zoals Frankrijk en België zijn bovendien door een select clubje van techneuten, politici en financiers totaal afhankelijk gemaakt van elektriciteit uit kerncentrales. Als het even kon zouden die lui liever, van oudsher in een achterkamertje alles onder elkaar bedisselen. Maar intussen beseft iedereen met gezond verstand begrepen dat een kerncentrale geen veredelde koffiezet is. Als het misgaat met de koffiezet kan je de stekker uittrekken. Probeer je dat met een kerncentrale, dan krijg je Tsjernobyl. Trekt de natuur zelf de stekker uit, dan krijg je Fukushima.

Goede of slechte elektriciteit

Wat is er misgegaan ? Is elektriciteit verkeerd ? Is kernenergie slecht? Zijn de techneuten en de financiers immoreel ? Slaat de onwetende burger de bal mis ? Elektriciteit is natuurlijk geen onschuldige vorm van energie. Wie dat niet gelooft, moet maar eens een naakte stroomdraad aanraken waar 220 V op staat. Maar in wezen is geen enkele energie risicoloos. Er zijn eindeloos veel mensen omgekomen door mijngasexplosies, ingevolge de dampen van steenkoolverbranding, door de ontploffing van stoomketels of omdat ze gegrepen werden door een of ander mechanisch toestel.

Als het misgaat met de koffiezet kan je de stekker uittrekken. Probeer je dat met een kerncentrale, dan krijg je Tsjernobyl. Trekt de natuur zelf de stekker uit, dan krijg je Fukushima.

De vraag of elektriciteit goed of slecht is kan niet beantwoord worden, omdat je van een in de natuur werkende kracht geen moraliteit kan en mag verwachten. Ze ‘is’ gewoon. Je kan ze hooguit goed of slecht gebruiken. Sinds de twee industriële revolutie heeft elektriciteit allengs steenkool en stoomaandrijving vervangen. Wie rond 1950 een kind was, herinnert zich beslist nog de laatste stoomtreinen, hun typische geur en de specifieke geluiden. Wie dat niet was moet maar eens enkele oude films bekijken, van Alfred Hitchcock bijvoorbeeld.

Steenkool was vooreerst ook nog de brandstof voor de elektriciteitscentrales, die we nu ‘conventioneel’ noemen. Steenkool werd vervolgens afgelost door aardolie en in mindere mate door aardgas. Dan kwam -in het kielzog van de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki die het einde van de Tweede Wereldoorlog begeleidden- in 1954 de zogenaamd vreedzame toepassing van kernenergie de kop opsteken met de ingebruikname van de (door de staat gerunde) kernreactor van Obninsk (USSR). Zogenaamd vreedzaam, want het was toen al zo dat het plutonium dat voor zo’n reactor nodig is evengoed voor militaire doeleinden te gebruiken valt. Als reactie daarop hebben enkele grote mogendheden -niet toevallig diegene die over een groot arsenaal aan kernenergie en kernwapens beschikken, zoals de VS, Frankrijk en Japan- een scherp toezicht op het gebruik van kernenergie ingesteld. Een ‘schurkenstaat’ zoals Irak, Iran of Noord-Korea zou wel eens op het idee kunnen komen om kernenergie te veinzen en kernwapens te produceren. Daarbij wordt dikwijls over het hoofd gezien dat een niet als ‘schurkenstaat’ beschouwde natie als India evenzeer met kernenergie aan de slag is.

Commerciële kernenergie

Onmiddellijk aansluitend op de Russische centrale volgden de eerste commerciële kerncentrales van Calder Hall (Windscale, UK) en de Shippingport Reactor (Pennsylvania, VS), allebei in 1957. Het liep al snel mis : het eerste zware ongeval met een kerncentrale vond plaats in 1979 in Three Mile Island, Pennsylvania (VS), amper 20 jaar na de bouw van de eerste centrales. We gaan dan even voorbij aan een hele reeks ernstige incidenten met dodelijke slachtoffers, zowel in de VS als in de USSR. Incidenten waarbij ettelijke militaire installaties en atoomduikboten aan beide zijden betrokken waren. Er zouden er nog een aantal volgen waarvan Tsjernobyl (USSR) en Fukushima (J) waarschijnlijk het best in het collectieve geheugen bewaard bleven. Alhoewel ze inmiddels van de frontpagina verdwenen zijn, is hun problematiek er niet minder om geworden.

Kernenergie is per definitie een risicovolle technologie. Zelfs een miljard experten kunnen een uit de hand lopend kernsplijtingsproces niet stilleggen

Wat uit deze incidenten kan worden afgeleid -en wat nu door de vermoedelijke haarscheurtjes in wellicht 350 reactoren wereldwijd wordt gestaafd- is dat kernenergie zelfs in de handen van experten per definitie een risicovolle technologie is. Zelfs een miljard experten kunnen een uit de hand lopend kernsplijtingsproces niet stilleggen. Verder blijft het probleem van het kernafval onopgelost. We zadelen hoe dan ook onze nakomelingen voor minstens 2000 jaar op met probleemafval, waarbij we niet eens weten of ze zullen begrijpen waarover het gaat. Spreekt u nog Latijn? Ik maak mij sterk dat slechts weinigen onder ons in staat zijn de inscripties op de monumenten die de Romeinen ons doorheen Europa nagelaten hebben, te ontcijferen. ‘Mundus vult decipi’.

Ook het argument dat kernenergie een ‘goedkope’ energie zou zijn is inmiddels vele malen ontkracht. Alleen al het incident van Three Mile Island heeft naar schatting een miljard dollar gekost. De opruimkosten van de uitgediende centrales en hun afval zowel als hun beveiliging gedurende 2000 jaar zijn steevast niet in de exploitatiekosten, noch in de elektriciteitsprijs begrepen. Ze worden als een hete aardappel van hot naar haar geschoven, afgewenteld op de maatschappij – op ons dus.

Dat er geen CO2-uitstoot is en de centrales daarom ‘zuivere’ energie zouden leveren, zoals door Electrabel op de Antwerpse tramrijtuigen breed werd uitgesmeerd, is natuurlijk een lachertje. Het stralings- en kernramprisico gedurende 2000 jaar is in generlei wijze te vergelijken met de huidige CO2-uitstoot van conventionele elektriciteitscentrales.

Collectief onvermogen

(Foto Quapan)

De vraag is dus niet of kernenergie goed of slecht is, de vraag is of we met z’n allen deze vorm van energieproductie willen – tijdelijk dan wel definitief, en onder welke voorwaarden. Niemand heeft ons dat ooit gevraagd: de politiek niet, de financiële wereld niet en de commerciële exploitanten evenmin. We hebben helemaal geen maatschappelijke en politieke structuren die zulke beslissingen vorm kunnen geven, alhoewel ze bepalend zijn voor onze gezondheid, ons leefmilieu en dat van onze kinderen en kleinkinderen. We worden geacht blindelings de meningen van lieden te aanvaarden die als experten ter zake worden beschouwd, alhoewel zij zelf niet in staat blijken de problemen te beheersen. Dat is niet meer van deze tijd, dat past niet in de 21e eeuw.

Wie daarover al vroeger heeft nagedacht en geschreven, is de Duitse socioloog Ulrich Beck. In zijn verhandeling (ze beslaat niet meer dan een tachtigtal bladzijden) ‘De wereld als risicomaatschappij’ uit 1986 beschrijft Beck ons collectief onvermogen om vanuit de bestaande maatschappelijke en politieke structuren op zulke moderne problemen een antwoord te geven. Dat komt volgens hem omdat die structuren helemaal niet zijn aangepast aan die actuele problemen. Zij behoren in essentie nog tot de 19e eeuw.

Hij wraakt het feit dat het in alle maatschappelijke geledingen de veronderstelde experten zijn die beslissen of iets wordt doorgevoerd of niet. Experten kunnen informeren, stelt hij, maar de beslissing over het wel of niet uitvoeren ligt bij de burger. Het waren geen kleuters of burgers, maar experten die de catastrofe van Tsjernobyl hebben veroorzaakt.

Rifkin stelde vast dat er in de geschiedenis steeds een parallel te vinden is tussen het ontstaan van een nieuwe vorm van communicatie en van een nieuwe vorm van energie

Ik ben er van overtuigd dat ook het overgrote deel van de kernenergie-experten te goeder trouw is. Zij zijn dus zeker niet immoreel of amoreel. Omdat het techneuten zijn, geloven ze heilig in de goede uitkomst, zeg maar de zaligmaking die in het verlengde ligt van hun technisch geloof. Geloof is echter maatschappelijk niet meer relevant. De hamvraag is of wij met zijn allen deze weg willen gaan of niet. En nogmaals: niemand heeft ons dat ooit gevraagd. Het is dus beslist niet zo dat de burger de bal misslaat – er is hem nooit gevraagd om een bal te slaan.

Coöperatieve modellen

De Amerikaanse econoom Jeremy Rifkin heeft in verschillende publicaties in de loop van de laatste decennia gepoogd deze globale problematiek aan te snijden. In zijn jongste publicatie ‘The Third Industrial Revolution’ borduurt hij verder op een ontdekking die hij in de jaren 1990 deed. Hij stelde toen vast dat er in de geschiedenis steeds een parallel te vinden is tussen het ontstaan van een nieuwe vorm van communicatie en van een nieuwe vorm van energie. In onze tijdspanne zijn dat respectievelijk de internettechnologie en de hernieuwbare energie. Het internet heeft het mogelijk gemaakt dat er razendsnel contact kan gemaakt worden met mensen overal ter wereld. Daaraan verbonden is het loskoppelen van energieproductie van de fossiele bronnen die binnenkort uitgeput zullen zijn (aardolie, aardgas, steenkool en kernsplijting) en het overschakelen naar hernieuwbare energiebronnen. Hij beschrijft in het boek hoe de derde industriële revolutie een verschuiving noodzakelijk maakt van hiërarchische top-down organisatiestructuren naar gedecentraliseerde, coöperatieve modellen.

(Foto Bkusler)

Ook daar is kost geen argument meer. Hernieuwbare energie wordt jaar na jaar goedkoper, terwijl fossiele energie jaar na jaar duurder wordt ingevolge de uitputting van de bronnen. We horen het gehuil al opstijgen in het kamp van de fossiele producenten: het waait of regent niet genoeg in België, of de zon schijnt er onvoldoende, en dus zullen we met z’n allen in het donker zitten. Op de Schotse eilanden waait het altijd en ook de Deense kusten blijven niet van wind gespaard. Rifkin stelt duidelijk dat we niet moeten blijven staan bij de huidige corporatistische structuren, maar met behulp van internettechnologie werken aan wat hij een ‘intergrid’ noemt, een Europawijd energienetwerk. Overschotten en tekorten kunnen daar met elkaar geneutraliseerd worden. En uiteraard moet er versneld gewerkt worden aan nieuwe vormen van energiestockage, bijvoorbeeld via waterstof, en aan niet vervuilende motoren voor auto’s en vrachtwagens.

Dat zal allemaal niet zonder slag of stoot gaan, want de Electrabel’s en EDF’s van deze wereld zitten niet bepaald te wachten op een ontwikkeling die hun hegemonie onderuit haalt. Zij -en niet de wind of de zon- zullen de beperkende of fnuikende factoren zijn in deze ontwikkeling. Rifkin :

(…) the old energy industries continue to be a powerful force, primarily because of deep pockets that help them influence the shaping of government energy policies. Government subsidies and other forms of favoritism artificially prop up the aging energy sector, giving it an unfair advantage over the new green energy industries.

De ‘oude’ energiesector beweert dat de hernieuwbare energievormen te soft en onvoldoende zullen zijn om een economie draaiende te houden. Met technische studies in de hand verwijst Rifkin dat argument naar de prullenmand. Eén enkel uur zonnelicht levert genoeg energie om de wereldeconomie een heel jaar te laten draaien. In Europa zijn 40 % van alle daken en 15 % van alle gevels geschikt voor fotovoltaïsche toepassingen. De Europese associatie van fotovoltaïsche bedrijven schat dat het uitrusten van de bruikbare oppervlakken met zonnecellen 1500 Gigawatt kan opleveren, hetzij 40 % van het Europese gebruik. Dan hebben we het nog niet eens over fotovoltaïsche centrales, zogenaamde ‘solar farms’, die onder meer in Duitsland en Spanje gebouwd werden (bv. de Centrale Waldpolenz in Brandis, Duitsland, en Bellpuig Solar Park bij Lerida, Spanje).

Bij deze nieuwe technologieën zijn er ook geen haarscheurtjes te verwachten, die ons voor 2000 jaar opzadelen met nutteloze, levensgevaarlijk lekkende, onbetreedbare energiecentrales.

Auteur: Peter Malaise

Medestichter en senior medewerker van Meta Fellowship vzw, een denktank voor duurzame ontwikkeling opgericht in 1976.

Word lid

Word jij lid van Apache? Lees direct verder en steun onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Nu al vanaf 6,25 euro per maand.


Ja, ik word lid