Naar een frisser deeltijds kunstonderwijs

0

In maart 2011 presenteerde de Vlaamse overheid haar plannen voor een grondige hervorming van het deeltijds kunstonderwijs (DKO). De vele academies die Vlaanderen rijk is, moeten nauwer aansluiten bij het leerplichtonderwijs, het schotteloze kunstenlandschap beter weerspiegelen en nieuwe doelgroepen naar het DKO lokken. Op tweeënhalf jaar van de deadline zijn de voorbereidingen in volle gang. Wordt 1 september 2014 D-day voor het deeltijds kunstonderwijs?

(Beeld: rekto:verso)

‘Deeltijds kunstonderwijs’ is de verzamelnaam voor de brede waaier aan academies waar duizenden Vlaamse jongeren (én volwassenen) in hun vrije tijd een instrument leren bespelen, de klassieke dans onder de knie krijgen of zich bekwamen in de schone kunsten. Een ‘schooljaar’ lang werken ze toe naar hun eindpresentatie voor een jury. Dat levendige landschap is anno 2012 aan een grondige update toe. De vorige hervorming in het DKO dateert alweer van 1990, en de (kunst)wereld heeft sindsdien niet stilgestaan. De hervormingsplannen die nu voorliggen, gaan dan ook veel verder dan een louter cosmetische operatie. In zijn conceptnota ‘Kunst verandert’ tekent Vlaams minister van Onderwijs Pascal Smet de krijtlijnen uit van het vernieuwde DKO. Enigszins hooggestemd stelt de nota zich twee doelen: ‘het organiseren van artistieke opleidingen voor de actieve cultuurparticipatie’ en ‘het bevorderen van kunst- en cultuureducatie in het kleuter- en leerplichtonderwijs’.

Meer uitwisseling

Hoe zal het nieuwe DKO er in de praktijk uit gaan zien? Vooreerst wordt de bestaande opdeling in ‘klassieke’ disciplines (muziek, dans, woord, beeldende kunsten, …) ingeruild voor een model waarin ook cross-over mogelijk is. Opvallend is de vervroegde instapleeftijd van zes jaar, tegenover acht jaar nu. Vanaf 2013 doorloopt de leerling in principe vier graden. De eerste is erop gericht de leerling in aanraking te brengen met de verschillende kunstdisciplines, om hem vervolgens voor de tweede graad een gefundeerde keuze te laten maken voor een bepaalde richting – in de muziek wordt bijvoorbeeld een instrument gekozen. De verdiepende derde graad geeft de leerling de kans om zelf een pakket opleidingsonderdelen samen te stellen – wie muziek studeert, kan bijvoorbeeld een vak beeldende kunst volgen, of muziek en dans combineren. De vierde graad zet in op doorstroming naar het hoger kunstonderwijs of uitstroming naar de amateurkunsten. Banden met het leerplichtonderwijs worden aangehaald om cultuureducatie en -participatie op school op te krikken. Het diploma DKO moet ook een ‘civiel effect’ genereren: het moet meer worden dan een certificaat van liefhebberij en een statuut krijgen vergelijkbaar met een regulier schooldiploma.

De begeleiders wachten

Een believer is Jean-Marie Soetaert, directeur van de academie in Grimbergen, musicus en beeldend kunstenaar. Met zijn vijfentwintig jaar ervaring kan hij vroeger en nu met elkaar vergelijken. ‘Deze hervorming is een historische kans om het DKO up-to-date te maken. Sinds 1990 zijn de kunsten erg geëvolueerd. Dat moet je in het DKO-aanbod terugvinden.’

Het diploma DKO moet meer worden dan een certificaat van liefhebberij

De geïntegreerde aanpak naar Angelsaksisch model, waarbij theorie en praktijk (bijvoorbeeld notenleer én het eigenlijke musiceren) tegelijk aan bod komen, wordt volgens Soetaert hier en daar nog wel argwanend bekeken. ‘Maar goed, je kan niet achterblijven. De facto komt die cross-over in het veld al vaak voor. Destijds, bij de invoering van richtingen pop en jazz, merkten we al dat die een andere aanpak vergden dan de klassieke scholing.’

Over het financiële plaatje is Soetaert voorzichtiger. ‘Veel academies zijn toegerust voor het aanbieden van twee of drie disciplines in plaats van het totaalpakket, dus op het vlak van accommodatie zal er doorgedreven samenwerking met andere academies nodig zijn. Normaal zou daarover eind 2011 gecommuniceerd worden. We wachten nog steeds.’ Soetaert meent ook dat de vernieuwing meer personeel zal vergen. ‘Alleen weet niemand precies hoeveel.’ Hij voert met het oog op de hervormingen al een ander aanwervingsbeleid en gaat op zoek naar leerkrachten met een breder profiel. Maar de om- en bijscholing die nodig is om de nota op het terrein om te zetten, zorgt voor twijfel. ‘Deze hervorming zal staan of vallen met een goede navorming én met de bereidheid bij het onderwijzend personeel om zich om te scholen. Het is dringend tijd voor concrete ondersteuning.’ Een opvallende nieuwigheid op dat gebied: ook mensen met ‘elders verworven competenties’ kunnen in de toekomst in het DKO aan de slag. Het tijdperk van de klassieke kunstenaar-leraar lijkt voorbij.

Gigantische opdracht

Het vernieuwde DKO-landschap zal dan ook zijn gevolgen hebben voor de Specifieke Lerarenopleidingen (SLO’s) in de kunsten, waar de meeste academiedocenten gevormd worden. Lieve Dehasque, hoofd van de SLO aan Sint-Lucas Gent en Sint-Lukas Brussel, is kritisch voor de op til staande veranderingen: ‘Bij gebrek aan een master in de Kunsteducatie of enig platform dat onderzoek verricht naar Kunst en Leren, is het roeien met weinig riemen. In Vlaanderen zijn we het slachtoffer van een tekort aan beleid en initiatief ter zake, zeker in vergelijking met Nederland en Groot-Brittannië. De schaarse specifieke lerarenopleidingen Kunst staan voor een grote inhaalbeweging met weinig middelen, heel hoge verwachtingen en een heel hoge werkdruk. Hun opdracht om de professionalisering in het DKO en het kunsteducatieve veld mee te onderbouwen, is gigantisch. Met welke middelen moet dat gebeuren?’

Dehasque en co zijn voorstander van discipline-overschrijdende kunsteducatie zoals die in het plan vorm krijgt, maar vragen ook aandacht voor de specifieke rijkdom van de afzonderlijke disciplines. ‘Hoe vermijden we dat artistieke leerprocessen verschralen tot “van alles een beetje”? Of dat men zich net ter vrijwaring van de “klassieke kwaliteit” terugplooit op de beheersing van een set klassieke vaardigheden zonder meer?’ Het ministerie van Onderwijs belooft ‘nog voor de zomervakantie van 2012’ een nota waarin de gradenstructuur van het toekomstige DKO-aanbod concreet wordt gemaakt, en leerjaren en lestijden gedefinieerd worden.

Amateurkunstenaars

Het DKO opereert niet in een vacuüm, maar staat in interactie met de andere amateurkunsten. Kaat Peeters, directeur bij het Forum voor Amateurkunsten, volgt de hervormingen op de voet: ‘De grootste vernieuwing is wat ons betreft de lagere instapleeftijd in de muziek- en woordopleidingen. De huidige grens van acht jaar zorgt voor problemen: vaak hebben kinderen op die leeftijd hun hobby’s al gekozen. We zijn ook erg blij met de nieuwe filosofie rond uitstroming. De huidige structuur leek geen rekening te houden met het feit dat de meeste leerlingen in het DKO de facto amateurkunstenaars zijn. De opleiding leek hen zonder onderscheid klaar te stomen voor hoger kunstonderwijs, een optie die sowieso slechts voor een kleine minderheid is weggelegd.’

Wiens kinderen?

Participatie is een zere plek voor de hele cultuursector, en het DKO vormt daarop geen uitzondering. Temeer omdat het rapport-Bamford in 2007 een streng oordeel velde over de Vlaamse cultuureducatie: het DKO heette elitair, schools en te klassiek. Ingrid Leys, die zich op het kabinet Onderwijs over DKO buigt, nuanceert: ‘Conform het Vlaamse regeerakkoord zet deze hervorming in op gelijke kansen. We moeten drempels verlagen voor kansengroepen. Bijvoorbeeld door het financiële plaatje lichter te maken, maar ook door via inhoudelijke aanpassingen jongeren met een andere achtergrond aan te trekken.’

Het tijdperk van de klassieke kunstenaar-leraar lijkt voorbij

Groen-politica Elisabeth Meuleman is er niet van overtuigd dat de hervorming voor een beter bereik naar kinderen uit sociaal zwakkere gezinnen zal zorgen: ‘Daarvoor is een structurele samenwerking nodig met het reguliere leerplichtonderwijs: wanneer leerlingen op school kunnen kennismaken met kunst en cultuur, is de stap naar de academie kleiner. Daarop hamerde ook Anne Bamford. Ik mis in de huidige conceptnota een visie over diversiteit en concrete aanzetten om de situatie te verbeteren.’ Kaat Peeters verwacht wel dat de toenadering tussen het DKO en het leerplichtonderwijs de participatie ten goede komt. Net als Soetaert wijst ze er ook op dat het verhogen van de participatiegraad voor de verschillende kansengroepen een groot grassroots-karakter zal hebben: de specifieke situatie wil immers nogal verschillen tussen stad en platteland, zelfs tussen steden onderling.

Deadline 2014

In het veld wordt de nieuwe structuur alvast op kleine schaal uitgetest: tot 27 april konden academies pilootprojecten indienen, om zo aspecten van de nieuwe structuur in de praktijk te testen. Die testprojecten moeten voor de broodnodige knowhow zorgen, eens het nieuwe decreet van kracht wordt en alle DKO-instellingen volgens de nieuwe structuur moeten werken. Tegelijk werden enkele ambitieuze veranderingen al enigszins getemperd. ‘Het domeinoverschrijdende karakter van de eerste graad wordt wat bijgesteld’, legt Leys uit. ‘Leerlingen die per se in een specifiek domein willen starten, behouden die mogelijkheid. Daarnaast blijft de domeinoverschrijdende initiatie zoals voorgesteld in de nota behouden.’

Het verhaal is dus nog lang niet af: deze hervorming is een work in progress. September 2014 lijkt veraf, en ook weer niet. Een landschapsherschikking van deze omvang bouw je niet op goede wil en ambitieuze newspeak alleen. De bekommernissen over opleiding, financiering en participatie zijn reëel. Maar er is ook ruimte voor optimisme. ‘Het DKO zal niet aan kwaliteit inboeten’, besluit Soetaert. ‘En de gebruiker zal zeer tevreden zijn.’

De conceptnota kan u hier lezen.

RektoVerso

Dit artikel is het gevolg van een samenwerking tussen Apache en Rekto:Verso.

Auteur: Michiel Leen

Michiel Leen (°1987) is freelance journalist voor o.a. De Standaard, Knack en Ons Erfdeel.

Word lid

Lees direct verder en steun onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Nu nog aan 6,66 euro per maand.


Ja, ik word lid