Mediabaronnen: ‘De Vlaamse Berlusconi bestaat niet’


Jawel, er bestaat een soms aanzienlijke concentratie in de Vlaamse media. Maar geen enkele speler is dominant in alle segmenten. Dat is de boodschap van de Vlaamse Regulator voor de Media (VRM) over de mediaconcentratie in Vlaanderen. Vrij vertaald: nee hoor, Christian Van Thillo, de grote baas van De Persgroep, is geen Vlaamse Berlusconi.

Eind vorig jaar publiceerde de VRM, een agentschap van de Vlaamse overheid dat optreedt als onafhankelijke toezichthouder voor de Vlaamse media, voor de vierde keer een jaarrapport over de mediaconcentratie. Het document van meer dan 200 pagina’s bevat een schat aan informatie over de mediagroepen. Toch kreeg het nauwelijks aandacht in de media. Dat heeft niet alleen te maken met de bekende pudeur van de Vlaamse media om over hun eigen achterkeuken te berichten. Het probleem is ook dat de conclusie van het rapport nogal voorspelbaar is. Die is immers jaar na jaar telkens dezelfde: de Vlaamse mediasector wordt niet gedomineerd door één specifieke mediagroep. Met andere woorden: er is geen probleem.

Vlaamse mediabaronnen

Maar klopt die conclusie wel? Apache gaat zelf op onderzoek naar de macht en onmacht van de Vlaamse mediahuizen. Vertrekkend van de basisgegevens van het VRM-rapport, aangevuld met bijkomende informatie, onderzoeken we in de reeks ‘Mediabaronnen’ de omvang en de slagkracht van de dertien mediagroepen die op de Vlaamse markt actief zijn. Voor elke groep kijken we naar de aandeelhouders, de samenstelling van de raad van bestuur en het directiecomité, de groepsstructuur, het productaanbod, de sterkte en zwakte punten, en de historiek van het bedrijf.

In alfabetische volgorde zijn volgende mediagroepen actief in Vlaanderen:

  • Alfacam,
  • Belgacom,
  • Concentra,
  • Corelio,
  • De Persgroep,
  • De Vijver Media,
  • Mobistar
  • Roularta Media Group
  • Sanoma Magazines Belgium,
  • Telenet
  • Think Media
  • Vlaamse Media Maatschappij (VTM)
  • Vlaamse Radio- en Televisieomroeporganisatie (VRT).

Heibel

De voorgeschiedenis van de VRM-rapporten is een leerrijk verhaal. Alles begon tien jaar geleden met een scherpe uitval van Bert De Graeve, toenmalig gedelegeerd bestuurder van de VRT. In zijn nieuwjaarsboodschap van 2002 hekelde De Graeve de machtsconcentratie rond Christian Van Thillo, topman van De Persgroep en grote baas van VTM, radiostation Q-Music, Het Laatste Nieuws en De Morgen, en weekbladen zoals Dag Allemaal. De Graeve sprak klare taal:

Er doet zich slechts één mediaconcentratie voor in Vlaanderen. De Vlaamse Media Maatschappij (VMMa) wordt gezamenlijk beheerd door Roularta en De Persgroep, maar wordt eigenlijk bestuurd door de Persgroep. Er is slechts één groep die zich met een significante positie in alle mediasegmenten bevindt. Daardoor is er slechts één verhaal dat niet wordt verteld, maar zich in alle stilte realiseert, terwijl er luidkeels wordt geroepen en vooral geschreven dat de anderen de monopolisten zijn.

De uithaal veroorzaakte grote heibel, maar De Graeve had wel zijn doel bereikt: een debat losweken over machtsconcentratie in de mediasector. “In de ons omringende landen hebben ze dat debat al gevoerd en werden wetten uitgewerkt”, verklaarde de VRT-topman destijds aan Knack. “Europa heeft al definities naar voren geschoven en maatregelen gesuggereerd. Er is daar schitterend studiewerk geleverd. Alleen doen we in Vlaanderen – niet alleen politici, maar ook academici – alsof dat allemaal niet bestaat.” Vreemd genoeg lijkt dat debat momenteel volledig stilgevallen.

 

Synergie

Volgens een in 1992 gepubliceerd groenboek van de Europese Commissie (Pluralisme en mediaconcentratie in de interne markt – Beoordeling van de noodzaak van communautair beleid

COM(92) 480, december 1992) bestaan er drie soorten concentratievorming:

  • horizontale concentratie, bijvoorbeeld een groep die over verschillende tv-stations beschikt, maar die zich beperkt tot de televisiemarkt
  • verticale concentratie, met groepen die alle diensten aanbieden, van telefonie tot het verwerven van uitzendrechten
  • diagonale of crossmediale concentratie, met groepen die op alle mediaterreinen een dominante of belangrijke positie innemen.

De laatste jaren is er nog een nieuwe vorm van concentratie bijgekomen: redactionele synergie tussen kranten van dezelfde groep, zoals bijvoorbeeld tussen De Morgen en Het Laatste Nieuws (voor sportberichtgeving), met De Tijd (voor economische berichtgeving) en met De Volkskrant (voor buitenlandberichtgeving), of tussen de redacties van De Standaard en Het Nieuwsblad. Deze vorm van interne concentratie, die volledig onder de radar van de VRM valt, heeft precies dezelfde nefaste gevolgen als andere vormen van persconcentratie: verlies aan pluralisme, verschraling van het nieuwsaanbod, inperking van de autonomie van de redacties en een potentiële bedreiging voor de rol van de pers als vierde macht in het democratische bestel. Daarbovenop komt de gewijzigde rol voor het persagentschap Belga dat steeds meer, als een soort outsourcing bureau aangestuurd wordt door de mediagroepen die er tevens de belangrijkste klanten/aandeelhouders van zijn.

Het persagentschap Belga werkt steeds meer als een soort outsourcing bureau aangestuurd door de mediagroepen die er tevens de belangrijkste klanten/aandeelhouders van zijn

Kaboutertjes

Voor De Graeve was vooral de diagonale concentratie een probleem:

Er is in België maar één mediagroep die op elk terrein zo’n doorslaggevende positie heeft: De Persgroep. Dat speelt minder voor Roularta, dat wel relatief sterk staat in opiniemagazines, maar niet aanwezig is op de krantenmarkt. Zowel in televisie als radio wekt Roularta bij VMMa de indruk niet meteen betrokken te zijn bij het dagelijkse beleid. Wat veeleer op een passieve participatie duidt.

Voor de diagonale concentratie heeft de Europese Commissie maatregelen voorgesteld die tamelijk ver gaan. Zo stelt ze voor dat de audience shares worden opgeteld. Neem een groep met een positie van 35 procent in televisie, 30 procent in de print, en 2 procent in de radio. Dat maakt samen 67 procent. Dat cijfer wordt in dit geval gedeeld door drie, wat neerkomt op een gemiddelde positie van bijna 23 procent. Volgens het voorstel van commissaris Mario Monti mag dat gemiddelde niet hoger liggen dan tien procent.

Is de invoering van wettelijke drempels voor persconcentratie, zoals in tal van buurlanden geldt, een zinvol idee? Kenners zijn het erover eens dat onze mediabedrijven Europees gezien absolute kaboutertjes zijn. De Vlaamse markt heeft internationaal gezien de omvang van een middelgrote stad, en de Vlaamse mediahuizen kunnen de vergelijking met buitenlandse mediamultinationals niet doorstaan. “Een mediaonderneming zit met een pak vaste kosten”, meende Jan Lamers, toenmalig gedelegeerd bestuurder van Uitgeversbedrijf Tijd. “Om die te spreiden, is ze gedoemd te groeien. De enige mogelijkheid is diversificatie: niet alleen kranten uitgeven, maar ook tijdschriften, en investeren in radio, televisie, internet, enzovoort. Als een wetgever dat verbiedt, worden alle kleine mediaondernemingen op termijn kapotgeknepen en blijven alleen de grote over. Dan bereik je het tegenovergestelde van wat je beoogde.”

Dominant

In elk geval moest er een antwoord komen op de knuppel die De Graeve in het hoenderhok had gegooid. Nog in de loop van 2002 volgde een eerste rapport over mediaconcentratie, opgesteld door de Vlaamse Mediaraad, een adviescomité van de Vlaamse overheid, onder leiding van de Gentse professor Els De Bens (Mediaconcentratie en pluralisme/Diversiteit. Een analyse van de mediasituatie in Vlaanderen).

Dit onderzoek kwam tot de conclusie dat niet De Persgroep, maar wel de Vlaamse Uitgeversmaatschapij (VUM), de voorloper van Corelio, de absolute marktleider was, zowel op de lezers- als op de advertentiemarkt. Een jaar later werd een tweede studie gepubliceerd, dit keer opgesteld door het consultancybureau Ernst & Young, op vraag van toenmalig Vlaams mediaminister Dirk Van Mechelen (Open VLD). De conclusie was dat er in Vlaanderen geen enkel mediahuis zo dominant was dat het de markt uit evenwicht kon brengen.

in 2006 werd de Vlaamse Regulator voor de Media (VRM) opgericht, een nieuw orgaan dat als waakhond voor de media moest optreden

De Vlaamse regering besloot het vervolgens over een andere boeg te gooien. Op voorstel van minister Van Mechelen werd in 2006 de Vlaamse Regulator voor de Media (VRM) opgericht, een nieuw orgaan dat als waakhond voor de media moest optreden. De VRM nam de taken over van het onderbemande Vlaams Commissariaat voor de Media (VCM), dat bovendien in opspraak was gekomen in verband met allerlei corruptieverhalen rond de toekenning van landelijke uitzendvergunningen aan de commerciële radiozenders. Het nieuwe toezichtsorgaan moest voortaan ook de mediaconcentratie structureel in kaart brengen en controleren.

Volgens de geplogenheden bestaat de raad van bestuur van de VRM uit politieke benoemingen. Voorzitter Katia Segers heeft een SP.A-etiket, gedelegeerd bestuurder Joris Sels staat bekend als Open VLD’er en bestuurder Myriam Van Varenbergh behoort tot CD&V. Sinds 2008 heeft de VRM vier jaarlijkse rapporten over mediaconcentratie gepubliceerd, met telkens dezelfde conclusie: er is geen echt dominante mediaspeler, ons medialandschap is evenwichtig samengesteld en de Vlaamse Berlusconi is nog lang niet in zicht. In plaats van het debat aan te wakkeren en levend te houden, bevestigen de VRM-rapporten eerder de bestaande machtsverhoudingen. Zodoende wordt de maatschappelijke discussie over mediaconcentratie netjes gekanaliseerd en onschadelijk gemaakt.

Vlaamse Overheid

Dit artikel kwam tot stand met steun van de Vlaamse overheid.


Over dit artikel

BronApache [https://www.apache.be]
TitelMediabaronnen: ‘De Vlaamse Berlusconi bestaat niet’
Auteur(s)Georges Timmerman
Permalinkhttps://www.apache.be/?p=24751
Gepubliceerd 27 maart 2012 @ 09:19. Met update op 06 april 2012 @ 10:28
Opgevraagd17 september 2019 @ 14:13
Klik hier om te printen