De commerciële waarde van verdriet

2

Het stof dat opwaaide naar aanleiding van de soms zeer spectaculaire berichtgeving over het busdrama in Sierre lijkt te gaan liggen. Vandaag komt een werkgroep van de Raad voor de Journalistiek samen. Volgende maand zouden er dan mogelijk aanpassingen aan de Code voor Journalistiek komen. Maar moeten journalisten daarop wachten?

newspapers

(Foto NS Newsflash)

Eventjes leek het alsof er deze keer echt iets kon veranderen. De negatieve reacties op de berichtgeving over het busdrama, in het bijzonder over de publicatie van foto’s op de voorpagina’s van Het Laatste Nieuws en Het Nieuwsblad, waren talrijk en kwamen vanuit alle windrichtingen.

Er waren academici zoals Dirk Voorhoof, Leo Neels en Katleen Gabriëls die duidelijke taal spraken. Er waren politici zoals Louis Tobback die de al te opdringerige media letterlijk afblaften. Mediaminister Ingrid Lieten liet zich negatief uit over de publicatie van de foto’s. Er waren hulpverleners en therapeuten die zich keerden tegen (een deel van) de media. De Leuvense deken verklaarde geraakt te zijn door ‘de aasgieren van de media die ouders bijna omver lopen om toch maar een beeldje te kunnen pakken’. Burgers gingen in het verzet door zelf het fototoestel ter hand te nemen en beelden te maken van opdringerige mediamensen. Verenigingen van ouders van verongelukte of overleden kinderen spraken schande. Hulpverleners namen geen blad voor de mond. In Franstalig België was het niet anders en ook in de pers zelf waren er stemmen waaruit plaatsvervangende schaamte voor het gedrag van sommige collega’s sprak. Vanuit de Raad voor de Journalistiek kwam de dwingende oproep om ‘terughoudendheid’ bij de berichtgeving.

Code voor Journalistiek

We vergeten ongetwijfeld nog een heel pak afwijzende reacties, maar intussen is het opnieuw opvallend stil. Op zijn minst voor de schermen. In de schoot van de Raad voor de Journalistiek wordt er wel gezocht naar een manier om in de toekomst uitschuivers te vermijden. Daarbij wordt onder meer gedacht aan het aanpassen van de Code voor Journalistiek. Ook het organiseren van een soort crisisoverleg tussen hoofdredacties op dergelijke momenten zou op tafel liggen. Bedoeling zou zijn om de berichtgeving af te stemmen en een concurrentieslag op de kap van de slachtoffers te vermijden.

Dat was wat zich vorige week voltrok: een concurrentieslag ten koste van de nabestaanden en de slachtoffers

Want welke argumenten er de voorbije dagen ook op tafel werden gelegd, dat was wat zich vorige week voltrok: een concurrentieslag ten koste van de nabestaanden en de slachtoffers. Bijna alle media gingen op het eigen afgebakende speelveld tot het uiterste. Populaire kranten als Het Laatste Nieuws en Het Nieuwsblad publiceerden foto’s in de overtuiging dat hun lezerspubliek dat nog net zou slikken. Kwaliteitskranten zoals De Morgen en De Standaard brachten een vijftiental pagina’s over het drama en hielden bij die keuze het eigen lezerspubliek voor ogen. Idem voor zowat alle andere media: allemaal gingen ze op zoek naar een soort benedengrens. Vrij vertaald: hoe kunnen we zoveel mogelijk kranten verkopen, lezers winnen en kijkers lokken zonder (een deel van) onze lezers te zeer tegen de schenen te stampen.

Plaatsvervangende schaamte

De focus lag vorige week op de publicatie van de foto’s. Dat was terecht, maar tegelijk was het ook een handig excuus om het niet te moeten hebben over de gretigheid waarmee andere kranten, zenders of tijdschriften zich op het drama stortten. Mogen er vragen worden gesteld bij de manier waarop deredactie.be de plechtigheden deze week in beeld bracht? Mag het gezegd dat ook De Standaard en De Morgen toch echt wel heel veel bladzijden wijdden aan het drama?

Paul Daenen (Het Laatste Nieuws)

Paul Daenen, hoofdredacteur van Het Laatste Nieuws.

Het meest beklijvende artikel de voorbije dagen was van de hand van collega Timothy Vermeir en stond in De Standaard. Het was een wake-up call voor elke journalist. Drie jaar geleden verloor hij zijn zoontje in het kinderdagverblijf Fabeltjesland. Op een bijzonder pijnlijke wijze beschrijft hij hoe journalisten het leed aangericht door Kim De Gelder enkel groter maakten door meteen na het bekend worden van het drama schaamteloos op te bellen en om foto’s te bedelen. Plaatsvervangende schaamte is het enige wat je daarbij kan voelen.

Dezelfde dag verscheen ook de wekelijkse bijdrage van de ombudsman van De Standaard. Daarin wordt onder meer een journaliste van de krant die in Sierre was geciteerd:

Ik heb zelf zes ouders gecontacteerd. De meesten zeiden onmiddellijk ‘nee’,. Die heb ik niet opnieuw gebeld. De moeder die me een interview toestond, zei trouwens dat ze met mij wel wilde praten, omdat ik discreet was gebleven. Maar natuurlijk: zelfs als iedereen één keer zijn vraag stelt, zijn dat veel telefoontjes.

Waarom?

Het pleit voor de journaliste en voor de krant in kwestie dat ze discreet bleef en dat ze er eerlijk over communiceert, maar de vraag is of je het menselijk gezien wel kan maken, telefoneren naar ouders waarvan zonet de wereld is ingestort. Iedereen doet het, is het vaakst gehoorde argument pro. Of we moeten toch ‘duiding geven’ en ‘informatie verstreken’. En neen, journalisten doen dat écht niet graag.

Journalistiek aangedreven door commerciële motieven is blijkbaar gedoemd om te ontsporen, ook op ethisch vlak

Dat is ongetwijfeld zo. De vraag is dan waarom het niettemin gebeurt. Wie heeft er behoefte aan het etaleren van verdriet dat bodemloos en haast per definitie onuitspreekbaar is? Waar precies zit het maatschappelijk belang ervan? Het Nieuwsblad noemde het op zijn omstreden voorpagina ‘onpeilbaar verdriet’. Wat is dan de zin om er toch maar naar te peilen? Later kan dat misschien, maar niet enkele dagen, laat staan enkele uren nadat het fatale nieuws bekend werd.

Ontspoord cynisme

Hoe cynisch moet je zijn om, zoals Het Laatste Nieuws hoofdredacteur Paul Daenen ‘ik zie het probleem niet’ te antwoorden op de vraag of zijn krant met de publicatie van de foto’s niet te ver was gegaan? Te vrezen valt dat we niet moeten rekenen op de grote mediabedrijven om verandering in dat soort totaal ontspoord cynisme te brengen.

Journalistiek, aangedreven door puur commerciële motieven is blijkbaar gedoemd om te ontsporen, ook op ethisch vlak. De Raad voor de Journalistiek kan wel proberen daar in de mate van het mogelijke paal en perk aan te stellen, maar misschien moeten ook journalisten zelf durven rechtstaan en hun stem verheffen. Misschien wordt het hoog tijd dat journalisten zelf grenzen durven te trekken.

De Code voor Journalistiek geeft hen immers het recht om opdrachten te weigeren. De code hoeft dus niet veranderd te worden, ze moet gewoon toegepast worden. Door journalisten. In ons hyperconcurrentieel medialandschap is dat verre van evident. Wie zich beroept op artikel 9 van de code, de zogenaamde gewetensclausule, riskeert immers niet meer of minder dan zijn job. Helaas zijn er voldoende voorbeelden van journalisten die ontslagen werden omdat ze op hun strepen stonden. Evident is het dus zeker niet, maar misschien moeten we met z’n allen, al was het maar voor een keer, uit de waan van de dag stappen, echt nadenken over waar we precies mee bezig zijn en stoppen met het opdissen van slappe argumenten om het onverdedigbare te verdedigen.

Vlaamse Overheid

Dit artikel kwam tot stand met steun van de Vlaamse overheid.

Auteur: Tom Cochez

Licentiaat criminologie. Werkte van 1997 tot 2008 voor De Morgen. Hij volgde er vooral gezondheidszorg, sociale zaken en milieu en verdiepte zich in de politieke partijen Vlaams Belang en Groen. In 2008 koos hij ervoor om opnieuw op freelance basis te werken onder meer ook voor Knack en Humo. Een jaar later stond hij mee aan de wieg van De Werktitel, het latere Apache.be. Vandaag werkt hij als redacteur en coördinator.

Word lid

Lees direct verder en steun onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Nu nog aan 6,66 euro per maand.


Ja, ik word lid