Niet de hakbijl baart zorgen, wel de haagschaar

0

Deining in cultuurland, nu 356 cultuurorganisaties hun ‘preadvies’ op het bord kregen: hun eerste subsidierapport van de beoordelingscommissies. Kunnen de gelukkigen dan nu opstaan? Erg talrijk lijken ze niet te zijn. Het meest zorgwekkende aan deze preadviezen is dan ook niet zozeer het historisch hoge aantal organisaties dat geschrapt dreigt te worden. Wel wat er gebeurt met organisaties die niet uit de boot vallen.

Bij wijze van inleiding: iemand moet ooit eens berekenen hoeveel cultuursubsidies er opgaan aan het eigenlijke cultuursubsidiëringsproces. Voor 1 oktober 2011, de indiendatum voor alle aanvragen voor vierjarige werkingssubsidies, hoorde je wilde verhalen over wat sommige organisaties uitgaven aan externe dossierschrijvers – één centrum zou er zelfs iemand vier maand voor in dienst genomen hebben. Na 15 februari gingen in de hele cultuursector dan weer de telefoonkosten in het rood. Er werd over de vers binnengelopen preadviezen nogal wat afgebeld: pers naar organisaties, organisaties naar steunpunten, huizen naar huizen. Wat kregen jullie? Wat hoorde jij nog meer?

Een officieel overzicht van deze adviezen wordt nu eenmaal niet voorzien, en commissieleden zelf zijn gesommeerd hun lippen stijf op elkaar te houden. Wat je weet, weet je vooral uit tweede hand. Zo is elke bewering over de preadviezen niet enkel voorbarig – de finale ministeriële besluiten, mét prijskaartje, volgen pas in juni – ze kan ook nooit sluitend zijn. Dat geldt net zo goed voor deze analyse.

Deze subsidieronde dreigt zich helemaal tegen haar eigen doelstellingen te keren

Meer voor minder

Wel vormen de preadviezen een belangrijke indicatie voor hoe het cultuurveld er in 2013 kan gaan uitzien. Al eerder stond vast dat er (veel) minder organisaties structureel gesubsidieerd zullen worden. Op 4 april 2011 – bij de opstart van deze subsidieronde in het Vlaamse parlement – hoorde iedereen minister Joke Schauvliege verklaren:

In plaats van meer versnippering, waardoor iedereen minder heeft, wil ik de meerjarige organisaties correct financieren met een subsidiebedrag dat hun toelaat om hun plannen uit te voeren.

Versta: mijn voorganger, Bert Anciaux, heeft te veel bloemen laten bloeien op elk te weinig mest.

Schauvliege kondigde verder aan dat ze het aandeel projectsubsidies wil optrekken van 3% naar 10%, ten koste van de structurele pot. In reële cijfers: van de 92 miljoen die 278 erkende organisaties samen ontvingen in 2011 blijft er in 2013 nog 87,6 miljoen over. Er valt dus 4,4 miljoen minder te verdelen, bovenop de besparingen van 5 % die de minister in 2009 en 2010 al doorvoerde. Het plaatje is dan snel gemaakt: als je erkende organisaties beter wil financieren met nogmaals 5% minder geld, dan zal er minstens één op tien uit het nest moeten. In Schauvlieges eigen woorden heette het recent in rekto:verso:

Ik zal duidelijke keuzes maken, en er wacht me een storm van protest: tal van organisaties zullen wellicht niet meer erkend worden onder het Kunstendecreet.

De hakbijl

De twaalf beoordelingscommissies hebben daar nu namen opgeplakt, samen goed voor 15% tot 30% negatieve preadviezen in de meeste deelsectoren – alleen in dans en cultuureducatie lijkt er weinig bewogen. In Limburg zien ze de verliezen zelfs oplopen tot 50%. Ook al bestond er in de cultuursector een groot draagvlak voor Schauvlieges onuitgesproken basisprincipe ‘meer voor minder’, zulke concrete resultaten doen natuurlijk altijd schrikken.

Valt er een filmlandschap voor te stellen zonder Filmfestival? Een sociaal-artistieke praktijk zonder de mondiale werking van Sering? Een verscheiden theaterveld zonder de spitstechnologie van Crew of de publieke zichtbaarheid die het Crossroadsfestival aan de mime biedt? Blijven de creatiemogelijkheden voor jonge en cultureel diverse makers groot genoeg zonder kunstencentra als het Zuiderpershuis en Rataplan, en met De Werf en Campo op halve kracht? Kan de artistieke community in Brussel even levendig blijven zonder de werkplaatsen Nadine en Les Bains? En waar moeten we in westelijke richting nog heen als cultuurtoerist, zonder Watou en Beaufort?

Publieke subsidies zijn privé

Het is logisch dat de eerste commotie vooral deze negatief geadviseerde organisaties betreft. Ontzetting over wie nul op het rekest kreeg, lijdt echter vaak aan hetzelfde euvel als de beoordeling zelf. De zaken worden bekeken vanuit de bestaande situatie, vanuit wat we kennen, en vanuit elke organisatie afzonderlijk. Voor de benadeelde spelers zelf is dat een geldig perspectief. Wat zij nu horen te doen, is blind hun eigen winkel verdedigen. Voor de buitenwacht ligt dat anders. Je kan het eens of oneens zijn met negatieve preadviezen voor Scheld’apen, Lokaal 01, Danscentrum Jette of A Prior, maar je mist daarvoor inzage in zowel het ingediende dossier als het gesprek en de overwegingen binnen de bevoegde commissie.

Op vele vlakken lijken deze preadviezen lijnrecht in te gaan tegen alles waar Schauvliege voor wil staan

Nog zo’n euvel aan ons subsidiebeleid is nu eenmaal dat er slechts ten dele geld wordt toegekend op basis van kennis en inschatting van de reële praktijk van organisaties – op basis van hun publieke realiteit. Geld wordt vooral toegekend aan de kwaliteit van ingediende toekomstplannen. Lees: ‘een helder en goed geschreven dossier’. (Stom gezegd: wie zijn werk zo goed doet dat er geen tijd over blijft voor zo’n dossier, zet dat werk op het spel). Dat maakt van subsidiëring een privézaak tussen elke organisatie en haar commissie/administratie/minister.

Snaren en klokken

Relevanter is te onderzoeken wat de negatieve preadviezen samen betekenen voor de kunsten in Vlaanderen, voor de toekomstige situatie. Veel lijn valt er echter niet te krijgen in de eerste opinies die daarover in de kranten verschenen, of die binnenskamers worden geuit. Groen-politicus Bart Caron ziet een benadeling van initiatieven die inzetten op publieksverbreding, ten voordele van de goede smaak van de inner circle: ‘een liefde voor een hippe stedelijke kunstsfeer, voor hedendaagsheid, voor avant-garde’. Vanuit Brussel, volgens deze definitie de hipste stad, hoor je net het omgekeerde: deze preadviezen benadelen wat ruikt naar slow art, onderzoek, experiment – alles waar het brede publiek niet onmiddellijk van meegeniet.

Ex-radiomaker Jean-Pierre Rondas schoot – scherp, maar weinig precies – de verzamelde commissies af op hun impliciete kunstpremissen: onder meer dat ‘kunst permanent moet vernieuwen, voortdurend reorganiseren en genadeloos verjongen’. Bij BAM, steunpunt voor beeldende, audiovisuele en mediakunst, stelt men het tegendeel vast: dat de commissie beeldende kunst net gekozen zou hebben voor een conservatieve core-definitie van beeldende kunst, en dat vooral vernieuwende en minder bekende organisatievormen het pleit verliezen. Iedereen bekijkt de preadviezen door zijn specifieke bril. Iedereen raakt ergens wel een snaar, maar samen geeft dat een dissonant klokkengeluid.

De haagschaar

Veel onrustwekkender voor die toekomstige situatie is een lijn die zich in de preadviezen wél duidelijk uitklaart, maar dan voor positief beoordeelde structuren. Op enkele uitzonderingen na lijken ze – als het van de commissies afhangt – minder geld te zullen krijgen dan gevraagd. Op zich is dat niet onlogisch. Samen vragen alle organisaties 150 miljoen: 18 miljoen minder dan bij de vorige ronde in 2008, maar nog steeds bijna dubbel zoveel als wat er in de pot zit.

Een stuk minder logisch is dat de theatercommissie ook adviseert om zowat alle grote en de meeste middelgrote organisaties minder te subsidiëren dan hun huidige bedrag. Van de drie grote stadstheaters tot Bronks en de Kopergietery, van Malpertuis tot Laika, van Troubleyn tot Needcompany: inbinden is de (voorlopige) boodschap. Bij sommigen, zoals De Tijd, is het de slotsom van een sceptische beoordeling. Maar bij bijvoorbeeld het Toneelhuis staat dat besluit in schril contrast met het erg enthousiaste rapport erboven. Blijkbaar zijn inhoudelijke evaluatie en financiële vertaling van elkaar losgemaakt.

Dat verraadt bij de theatercommissie een globale visie op het theaterveld – dat is het goede nieuws. Ze roept op tot solidariteit met kleinere gezelschappen, waarvoor ze veelal wel een lichte stijging adviseert. Op zich is die historische bijsturing begrijpelijk, zeker in financieel krappe tijden. Alleen strookt ze niet met waar de commissie zelf toe opriep in haar visietekst. ‘De commissie pleit voor voldoende middelen voor de erkende gezelschappen.’ Daartoe zijn 8 van de 46 structureel gesubsidieerde gezelschappen negatief beoordeeld – De Maan, de Queeste, Crew, De Parade, Theater aan de Stroom, Nunc, Luxemburg, Crossroadsfestival – en is de ondergrens voor kleinere groepen dus opgetrokken. Maar al wie daarboven opereert, zou mee moeten betalen. Van ‘meer voor minder’ zou dus wel eens weinig in huis kunnen komen – dat is het slechte nieuws. Na de kaasschaaf van Schauvliege adviseert de commissie nu voor een aanzienlijk aantal gezelschappen zelf de haagschaar. Gek.

Minder voor minder

Voor zover we kunnen beoordelen, blijft de huidige onderfinanciering in wel meer sectoren gehandhaafd. De danscommissie zou dezelfde visie gehanteerd hebben als de theatercommissie: de grote gezelschappen stagneren of binden wat in, de kleinere stijgen licht. Van de commissie muziektheater kregen Transparant en LOD te horen dat er ondanks hun uitstekende rapport hoogstens een indexering in zou zitten. Voor de beeldende kunsten besluit het VOBK:

Op enkele uitzonderingen na wordt bij tal van organisaties die een realistisch budget aanvroegen, geadviseerd die som niet toe te kennen.

Wel stelt de belangenbehartiger een andere tendens vast dan bij theater.

Vooral grote multidisciplinaire, gevestigde instellingen ontvingen een advies waarin een significante stijging van de middelen ‘te verantwoorden’ genoemd werd. De meer kwetsbare organisaties blijven voort ploeteren.

Bij BAM hoor je over de preadviezen in de beeldende kunsten eenzelfde slotsom: ‘minder voor minder’.

Nu kan natuurlijk niet elke organisatie stijgen. Maar als zowat alle spelers in het beste geval minder krijgen dan gevraagd – terwijl het erop lijkt dat de meeste zakelijke preadviezen die gevraagde subsidiestijging wel als realistisch inschatten – zal deze subsidieronde zich helemaal tegen haar eigen doelstellingen keren. Grotere podiumstructuren die er (nogmaals) op achteruitgaan, beknibbelen immers van nature niet op hun eigen (personeel)structuur. Ze zullen het verlies doorrekenen op net die variabele uitgavenposten waar Schauvliege een lans voor brak, zoals educatie en de individuele kunstenaar. Het is nu eenmaal nogal moeilijk, siste de directeur van een stadstheater aan de telefoon, om met minder geld meer makers of jonge gezelschappen onder het dak te nemen, zoals de commissie wil.

Wie wordt hier beter van?

Voor de beeldende kunsten geldt hetzelfde, leerde de eigen visietekst van de bevoegde commissie.

Voor organisaties met té beperkte middelen is het niet mogelijk om de beeldende kunstenaars met wie ze samenwerken goed te ondersteunen. De middelen voor beeldende kunstorganisaties moeten dan ook omhoog, opdat ze tegemoet kunnen komen aan de eisen die het decreet oplegt inzake professionaliteit, en een kwalitatieve artistiek-inhoudelijke werking kunnen blijven uitbouwen.

In dezelfde reeks van gekke contradicties: wat is de overweging achter het positief adviseren van kunstencentra voor slechts de helft van de middelen, zoals De Werf en Campo te horen kregen in nogal gebrekkige preadviezen? Wie wordt er beter van zo’n halvering? In elk geval niet de (zichtbaarheid van) de individuele kunstenaar. En al zeker niet zijn nood aan reflectie en vertraging, waar de commissie kunstencentra in haar visietekst een lans voor brak.

In elk geval: deze globale doorzetting van de onderfinanciering kondigt een landschap aan waarin organisaties die goed werk leveren, zullen moeten krabben om hetzelfde niveau te halen. Kunsthuizen, kunstenaars, publiek: niemand wordt daar beter van. Om over de internationale uitstraling en het maatschappelijke draagvlak van onze kunsten maar te zwijgen.

Nog meer hakken?

Nu beknibbelen commissies natuurlijk niet voor hun plezier. Ze verdelen het (waarschijnlijk) beschikbare geld over de organisaties die ze noodzakelijk achten. Hebben ze er dan nog te weinig geschrapt, in plaats van te veel? Misschien wel. Zowat de helft van de negatieve preadviezen komt louter neer op een heruitgave of een rechtzetting van wat in 2009 al was beslist, maar toen door minister Anciaux werd overruled. Er is nu in de meeste commissies wel strenger beoordeeld, maar aan certitudes is nauwelijks geraakt. De tijden waarin een groot en heilig huis als het S.M.A.K. negatief kreeg, zoals in 2005, lijken voorbij. Voor zover we kunnen beoordelen, kregen van de ruim vijftig structuren met meer dan een half miljoen subsidies, enkel het Zuiderpershuis en La Petit Bande een negatief preadvies. Blijkbaar is de rest, inclusief Musical Van Vlaanderen, onmisbaar voor ons kunstenlandschap. Wie weet.

In elk geval beraden de theatergezelschappen zich nu bij oKo (Overleg Kunstenorganisaties) of ze de minister moeten oproepen om bij haar finale beslissingen in juni alsnog voldoende werkingsmiddelen uit te keren aan de best beoordeelde gezelschappen, desnoods ten koste van die organisaties die onderaan de fameuze ranking van de commissie zullen bengelen. Daar komen ze moeilijk uit, want dat is een discussie zoals de hervorming van de Pro League in het voetbal. Wie zelf op de wip zit, denkt niet aan het gezonde klimaat van de hele speeltuin. Maar vanuit een vogelperspectief is slechts één optie wenselijk, of toch minstens voor de podiumkunsten: scherpere keuzes, genoeg middelen voor ‘de besten’. Zo gebeurde het begin februari ook voor de projectsubsidies. Elkaar blijven beconcurreren met te veel producties en elk te weinig geld, is een worst case scenario. Ook voor het publiek.

Meer geld in de pot?

Het best case scenario is natuurlijk dat er méér geld komt voor de kunsten. Bert Anciaux deed daar in een opinie in De Morgen een bevlogen oproep toe: dat de verzamelde cultuursector eindelijk eens een vuist maakt, en dat de Vlaamse regeringspartijen de kunsten een extra input van 5% geven. Dat zou mooi zijn, maar een realistischer inschatting is de omgekeerde: dat de 550 miljoen die de Vlaamse regering nog zoekt om haar begroting 2012 mee op orde te krijgen, nog dit jaar mee verhaald wordt op de cultuursector. Al ontkende minister-president Kris Peeters eind vorig jaar formeel dat cultuur de dupe wordt van de begrotingsonderhandelingen, dat betekent nog niet dat ze daarom gevrijwaard blijft. Letterlijk zei Peeters: ‘het is absoluut niet zo dat we uitsluitend cultuur zullen viseren.’

Alle partijen, ook N-VA, verdedigden begin dit jaar dan wel het belang van cultuur toen Filip Dewinter van Vlaams Belang plots Wilders-praat begon uit te slaan (‘subsidieslurpers!’), maar doen ze dat ook als vanaf deze week de harde centen verdeeld moeten worden? Of de beloofde 87,6 miljoen op de begroting voor 2013 gehandhaafd kan blijven, is al helemaal koffiedik kijken.

Het eigenlijke probleem is dat we ons samen heel moeilijk een wenselijk cultuurveld kunnen verbeelden

Opnieuw: veel aan deze preadviezen is dus voorbarig. Maar dat het finale plaatje er in juni niet beter zal uitzien, lijkt wel zeker. Zo blijft het zeer de vraag hoe organisaties een negatief preadvies nog kunnen ombuigen als hun verweerschrift officieel enkel ‘materiële en feitelijke vergissingen kan rechtzetten’. Ze kunnen beter hopen op een rectificatie door de minister. Schauvliege heeft altijd verzekerd dat ze de commissieadviezen gewoon zal volgen, maar dat wordt politiek steeds moeilijker vol te houden. Op vele vlakken lijken deze preadviezen immers lijnrecht in te gaan tegen alles waar ze voor wil staan, zowel technisch als inhoudelijk. Dat bevestigt het eigen aanvoelen van de minister – dat ze onlangs uitsprak in rekto:verso – ‘dat er iets fout zit aan de huidige manier van beoordelen in het Kunstendecreet’.

De beoordeling beoordeeld

En inderdaad, die bekende discussie laait weer helemaal op. Er zijn de klassieke oprispingen over een te persoonlijke smaak bij commissieleden. Al even klassiek, maar wel pijnlijker, zijn berichten over weinig geïnformeerde en genuanceerde preadviezen – klaarblijkelijk vooral bij de commissies multidisciplinair en beeldende kunsten. ‘Voorontwerpen bevatten tegenstrijdige adviezen, organisaties worden met weinig tact behandeld’, vindt het VOBK. Er zullen altijd voorbeelden van te vinden zijn. Adviseren blijft niet alleen vrijwilligerswerk, het blijft vooral mensenwerk.

Dat is de tragiek van elke artistieke beoordeling: hoe meer minister en sector proberen om de intermenselijke subjectiviteit te objectiveren tegen de meetlat van goed bestuur, en ze te reguleren met charters, draaiboeken en kwantificeerbare rankings, hoe scherper ‘inbreuken’ aangevochten zullen worden en de interne paradoxen opvallen. Zo is het vreemd om in een ronde die ‘integrale benadering’ en ‘goed uitgewerkt overleg tussen de commissies’ hoog in het vaandel droeg, te moeten vaststellen dat managementbureaus in de podiumkunsten (Mokum, Margarita Production) bij de schaarse winnaars zijn, terwijl managementbureaus in de beeldende kunsten (Escautville, O.C.A.M.) bijna systematisch negatief beoordeeld worden. Welk model staan we eigenlijk voor, als het om de zakelijke begeleiding van individuele kunstenaars gaat?

Ook het ‘schottenloze decreet’ blijft een utopie. Bij minstens een paar negatief beoordeelde organisaties – het Krokusfestival, Rataplan, het Filmfestival – krijg je het gevoel dat ze niet zozeer ‘fout’ bezig zijn, maar dat er geen passende subsidiecategorie is voor wat ze doen. Een oud zeer. Hokjes en hun bijhorende criteria bepalen het kunstenveld minstens zo sterk als de organisaties zelf. Zo zou het Filmfestival met het plan spelen om de verschillende luiken van zijn werking de volgende keer uit te splitsen over verschillende vzw’s, en aparte dossiers in te dienen bij verschillende commissies. Hoe absurd kan het worden? Niet alleen organisaties kampen ermee. Ook de commissies ‘publicaties’ en multidisciplinaire kunstencentra, werkplaatsen en festivals’ maakten van het vakjesdenken het voornaamste punt van hun visietekst. Hun beoordelingsproces wordt erdoor bemoeilijkt.

Iedereen is mee schuldig

Voor alle problemen met deze preadviezenronde is het te makkelijk om enkel te schieten op de commissies en hun leden. Tenslotte stoppen zij gewoon ontzettend veel energie in het zo beredeneerd mogelijk boedelscheiden van een onmogelijk huwelijk tussen te veel gegadigden en te weinig middelen, tussen artistieke prestaties en objectieve maatstaven. Dat zal ze nooit lukken zonder gedoe. Omdat onze beoordelingsprocedure – gegrondvest op een sterk geloof in een artistieke autonomie van onderuit – nu eenmaal verplicht om de zaken te bekijken vanuit de bestaande situatie, vanuit wat we kennen, en vanuit elke organisatie afzonderlijk.

Het eigenlijke probleem van deze beoordelingsronde is dat we ons samen – beleid, sector, commissies, pers – blijkbaar heel moeilijk een wenselijk cultuurveld kunnen verbeelden. Wat hebben we nodig voor een gezond kunstenlandschap, dat zich op zijn best presenteert aan het binnenlandse en buitenlandse publiek? In functie waarvan subsidiëren we het geheel aan organisaties die we subsidiëren? Wat is de best denkbare verhouding tussen onderzoek, creatie, distributie? Hoeveel instroom achten we wenselijk, en dus hoeveel plekken voor jonge makers? Hoeveel musea kan Vlaanderen aan? En wie moet daar uiteindelijk baat bij hebben? Nu lijkt de enige overweging een financiële te zijn: hoe krijgen we alle bestaande praktijken en alle wensen van onderuit in het beschikbare subsidiebedrag geprangd?

Naar een nieuw cultuurbeleid

Voor wat het waard is: een voorstel. Werk deze ronde af, zo goed en zo kwaad als het kan. Geef de commissies als bekroning de Cultuurprijs voor Vrijwilligerswerk. Zet de komende vier jaar in op een radicaal herdenken van de hele subsidiewinkel, binnen de contouren van het Kunstendecreet. Vertrek daarvoor van een publiek debat over welk kunstenlandschap we willen, en wat de prioriteiten ervan zouden moeten zijn. Vertaal dat, mogelijks met behulp van de veldschetsen die de steunpunten de afgelopen jaren hebben gemaakt, in een wenselijk cultuurveld. Fundeer dat op gedroomde verhoudingen tussen de zes typefuncties die nu al gehanteerd worden in de gezamenlijke veldanalyse De ins & outs van het Kunstendecreet (2011): creatie en productie, reflectie en ondersteuning, educatie, presentatie, presentatie en productie, sociaal-artistiek. Ontwikkel zo een basisstructuur als in Nederland, maar dan zonder dat die noodzakelijk regionaal begrepen dient te worden. Veel belangrijker is de flexibele netwerk-verknoping ervan.

Concreet: we bedenken een ideaal cultuurnetwerk waarin pakweg 10% plaats is voor onderzoek en reflectie (of 15 werkplaatsen en 10 tijdschriften), waarin presentatie wordt opgewaardeerd tegenover pure creatie (hebben we wel 40 tot 50 aparte theatergezelschappen nodig?), waarin pakweg wordt vastgelegd dat er slechts plek is voor één kunstencentrum per grote stad, of dat sociaal-artistieke organisaties enkel kunnen bestaan in synergie met huizen onder de functie ‘presentatie en productie’. Ik zeg maar wat. Fantaseer gerust allemaal mee.

Denk deze zes functies ook door in het subsidiëringsproces: vervang de disciplinecategorieën in het Kunstendecreet door functiecategorieën, desnoods met disciplinewerkgroepen binnen de functie ‘creatie’. Ontwikkel misschien zelfs een fijnmazige typologie van deelfuncties (productie met jonge makers, presentatie van internationaal jeugdtheater, sociaal-artistieke film, creatie met ensembletheater…), bijna als vacatures waarop organisaties kunnen solliciteren. Stel brede expertcommissies samen die de aanvragen beoordelen op hun plek in de ontwikkelde basisstructuur, in plaats van op louter hun eigen kwaliteit. Omkader die commissies met professionele structuren als de steunpunten, en een denktank met economen, cultuurfilosofen, buitenlandse cultuurbeleidsmakers… Doe dat hele veranderingsproces interfereren met de geplande herziening van het decreet lokaal cultuurbeleid (hoe passen cultuurcentra in dit verhaal?) en met de nakende interne staatshervorming, die de subsidieverantwoordelijkheden op Vlaams, provinciaal en stedelijk niveau beter wil uitsplitsen (je zou kunnen zeggen: één niet-internationaal multidisciplinair festival per provincie, provinciaal gesubsidieerd), zodat er toch een soort regionale verankering van dit gewenste cultuurveld komt.

Voorzie daarnaast pakweg 10% van de beschikbare middelen voor ‘open calls’ die de overheid kan plaatsen, en waar al dan niet bestaande organisaties op vierjaarlijkse basis op kunnen inschrijven: voor ‘breed repertoiretheater’, of voor ‘educatie en diversiteit’. Kortom: herdenk cultuurbeleid en cultuursubsidiëring vanuit wat we willen bereiken, niet vanuit wat er allemaal is.

RektoVerso

Dit artikel is het gevolg van een samenwerking tussen Apache en Rekto:Verso.

Auteur: wouter.hillaert

Wouter Hillaert is cultuurjournalist en kernredacteur van rekto:verso.

Word lid

Word jij lid van Apache? Lees direct verder en steun onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Nu al vanaf 6,25 euro per maand.


Ja, ik word lid