De gemiste gemeenschap

17 maart 2011 Wouter Hillaert
Parsifal in De Munt © Bernd Uhlig
Parsifal in De Munt © Bernd Uhlig
Parsifal in De Munt © Bernd Uhlig
Parsifal in De Munt © Bernd Uhlig

De truc met het zaallicht is weer in. Hij gaat zo: publiek kijkt voorstelling, hoofdrol komt naar podiumrand, schouwburg licht op en acteur houdt slotmonoloog over de glorende mens voor verenigd halfrond. Geloof me: het effect is bijna religieus. Ineens wordt iedereen weer één, samen rechtstreeks aangesproken: wij toeschouwers, wij mensen. Net zo ging het in zowel Parsifal van Romeo Castellucci als Kinderen van de zon van Ivo Van Hove. Toeval? Daarvoor waren de omstandigheden te gelijkaardig. Twee keer ging het om een repertoirestuk van voor de avant-garde, waarin de mens expliciet beschouwd wordt in termen van vooruitgang, van geestelijke verlossing, van samen streven naar het Goede, voorbij het Kwaad. Het negentiende-eeuwse evangelie, zeg maar, uit de tijd dat de schouwburg – voor de komst van film en televisie – fungeerde als hét salon voor een nieuwe burgerij, als wissel op de hofcultuur. Hier, in de zaal en op het toneel, kregen haar homogene zelfbeeld en gemeenschap vorm.

Als nu zowel Van Hove als Castellucci die oude volksverbondenheid weer letterlijk in het licht zetten op het moment suprême van hun opvoering, wil dat wat zeggen. ‘Wees heel, ontzondigd en verzoend’, schalde tenor Andrew Richards in Parsifal de verlichte schouwburg in, terwijl achter hem honderd figuranten opstapten naar de toekomst. Blijkbaar missen we dat gemeenschapsgevoel vandaag. Wat delen we nog? Waar streven we nog samen naar? De hamvraag van onze regeringsvorming is die van deze hele – individualistische, neoliberale, splinterculturele enzovoort – tijd. Alleen, werd daar in theater dan het juiste antwoord gegeven?

Leven op een eilandengroep

Theater ís gemeenschap. Toneel wordt, meer dan andere kunsten, enkel collectief gemaakt: met andere artiesten en met publiek in de zaal. Op dat simpele fysieke feit werd door de eeuwen heen een hele filosofie rond de maatschappelijke rol van theater gegrondvest. Die wentelde zich tot de negentiende eeuw in bevestigende termen als ‘ontvoogding’ en ‘volksverheffing’, en vanaf het modernisme in meer confronterende missies als ‘een andere kijk’ of ‘vaste waarheden bevragen’. Toch is de impliciete basisdefinitie van theater niet wezenlijk veranderd. ‘Theater sticht gemeenschap’, zo parafraseert Eric Bolle de Duitse dichter en dramaschrijver Hölderlin. ‘Door naar het theater te gaan, beleven de toeschouwers opnieuw de oorsprongsmythe van hun gemeenschap, en vernieuwen ze hun onderlinge verbondenheid.’ Je zal het makers vandaag niet meer zo hoogdravend horen zeggen, maar als hun subsidies weer eens ter discussie staan, blijven de antwoorden in dezelfde lijn. Theater brengt mensen samen. Theater onderzoekt manieren van samenleven. Theater denkt de gemeenschap. Alleen het geloof in welslagen klinkt nu wat realistischer dan bij Wagner of Hölderlin.

We zijn op het punt aanbeland dat we het gemeenschapsideaal van theater enkel kunnen handhaven door zijn andere pijler, zijn livekarakter, sterk in vraag te stellen

Sinds The Coming Community (1990) van de onvermijdelijke Giorgio Agamben weten we dan ook dat onze ‘glorende gemeenschap’ er een is die bouwt op ‘whatever singularity’. Ze is niet langer gefundeerd op een gedeelde identiteit of gezamenlijke overtuigingen, maar krijgt vorm rond momentane netwerken, toevallige actiepunten, diverse culturele achtergronden, bijzondere persoonlijkheden. Ze is een eilandengroep van ‘gemeenschappen’ geworden. Zelf gaf Agamben het studentenverzet op het Tian'anmenplein als voorbeeld. Alweer twintig jaar later zijn de iconen van deze nieuwe gemeenschapsvorming flashmobs, eenpersoonspartijen en Facebookgroepen. Ze delen hun afhankelijkheid van de media, die bepalen wat zich bindt of scheidt. Van alle cultuuruitdrukkingen boden tv en internet immers het beste antwoord op de democratisering van de jaren 1960, toen collectiviteit langzaam begon op te schuiven naar individualisme. Je kan er nu online ‘in gemeenschap’ zijn op strikt singuliere gronden, als consument. In het Westen kunnen enkel nog natuurrampen en het WK voetbal écht verbinden.

Samen de stad in

Hoe gaat theater, als gemeenschapskunst bij uitstek, met die nieuwe situatie om? Producties als Kinderen van de zon (Gorki bij NTGent en Toneelgroep Amsterdam) gebruiken weer welluidende woorden over de mensheid, en over waar het met haar heen moet. In Castellucci’s Parsifal (De Munt) was die gemeenschapsgeest zelfs een sturende regiekeuze. Geheel tegen de aard van opera in, bleven de protagonisten vaak wat verscholen in de massa en traden ze enkel voor het voetlicht bij diepzinnige redes over hogere principes. De mens als strevend collectief: het is een boodschap die de hernieuwde gemeenschapsdrang van het theater extra luister bijzet, maar wel negeert dat de aangesproken goegemeente van dat soort prestigieuze schouwburgproducties zich vaak beperkt tot één klasse. Het resultaat voelt eerder als nieuwe wijn in oude zakken. Alsof het volk opnieuw verbonden kan worden door de helft erbuiten te laten? Het lijkt de Vlaamse politiek wel.

Dan reageert de rest van het podiumkunstenveld toch iets eigentijdser op de nieuwe wereld. Zo maken steeds meer groepen theater op locatie. MartHa!tentatief, Luxemburg, Het Gevolg, Wunderbaum, FC Bergman, Braakland/ZheBilding: het gaat ze niet meer om toffe uitstapjes, maar om een hele basisfilosofie. In contact zijn. Aparte omgevingen exploreren. Morrelen aan het rigide presentatiemodel van theater, waarbij spelers op het toneel horen en kijkers in de zaal. Alsof onze theatergebouwen als publieke verzamelplekken finaal uitgewoond zijn: de oude schouwburg waarin de burgerij vooral zichzelf etaleerde, én de jongere black box als lege huls voor de autonome kunst sinds het modernisme. Omdat die bolwerken voor de goegemeente zelf iconen van eiland- en kliekjesvorming geworden zijn?

Een ontwikkeling die daar nauw mee samenhangt, is de steeds algemenere sprokkelwoede van theatermakers bij Kaat in de straat. Stel nu dat alle burgers die onlangs een voorstelling spekten met getuigenissen en persoonlijke verhalen, ineens auteursrechten zouden opeisen? Economen spraken gegarandeerd van een herinvoering van de collectieve productiewijze. Het is dus afgelopen met ontvoogdende (anti)helden op het podium. ‘De mensheid’ als onderwerp lijkt finaal gewisseld voor ‘de mensen’. De ‘kunstenaar-voorganger’ voor de ‘vertaler-tolk’. Dat levert, zoals in het geval van Naast van Braakland of Natives van Wunderbaum, zeker geen slechte producties op. Wel producties waarin het kleine, herkenbare perspectief regeert. Het vertaalt zich in voorstellingen als honderdvoudige kleurstipjes, die samen de mozaïek van onze nieuwe gemeenschap moeten vormen. Theatraal pointillisme.

Het achterdoek van die documentaire mozaïek blijkt nog steeds ‘de grootstad’. In Parsifal leverde ze het grootse slotbeeld, in veel ander theater vormt ze ook het reële decor. Alsof je op straat meer in de gemeenschap staat? Alsof je in die ongecontroleerde, anonieme mierenhoop, tussen grootse glazen bouwprojecten, dichter bij ‘de mensen’ komt? Het is een van de meest hardnekkige fixaties van de huidige kunstpraktijk. Ze blijft vastzitten aan de modernistische traditie van Joyce, Baudelaire, Van Ostaijen en de futuristen, die de stad een eeuw geleden al ontdekten als dynamische kernreactor van het menselijke leven. Zijn er in al die tijd dan echt geen nieuwe marktplaatsen ontstaan, die onze communities veel sterker bepalen?

Speel de media

De 21e-eeuwse gemeenschapsvorming is die van de media. Ook het spel van fictie en werkelijkheid speelt zich al lang niet meer af in schouwburgen. Het is out there. Waarom blijft het theater dan dromen van de massa, als tv en internet die al heeft? Moet het niet eens de creatieve en artistieke uitdaging van die media leren zien, in plaats van enkel de vervlakking? We zijn op het punt aanbeland dat we het gemeenschapsideaal van theater, in welke vorm dan ook, enkel kunnen handhaven door zijn andere pijler, zijn livekarakter, sterk in vraag te stellen. Willen theatermakers echt ‘de gemeenschap denken’, op zo’n manier dat die gemeenschap zich ook aangesproken voelt om mee te denken, dan ligt hun speelveld elders dan in het fysieke samenzijn.

Hoe dat speelveld eruit kan zien? De Duitse regisseur Christoph Schlingensief liet zich ooit inspireren door Big Brother en zette op een Weens plein asielzoekers samen in een container. Via webcams volgden op bepaalde momenten tot 75 000 online bezoekers hoe hij met zijn wedstrijd voor een verblijfsvergunning een gewraakt statement maakte over de xenofobe Oostenrijkse ziel. Wat de Neveneffecten met Basta deden, of de RTBF met Bye Bye Belgium, lijkt in vergelijking daarmee vrij onschuldig, maar is precies wat theater nog amper lukt: het maatschappelijke spel van fictie en werkelijkheid zo creatief bespelen dat je the talk of the town wordt. Natuurlijk is de valkuil van zo’n mediatiek theater de loutere gimmick, het pure evenement. De uitdaging is een latent gevoel aan te boren en er beelden of acties rond te creëren waaraan mensen zich deelachtig voelen – verenigd of verdeeld – zonder samen te moeten zijn.

In mijn dromen zie ik het hele Antwerpse podiumveld met zijn subsidies een bod doen op ATV of de Gazet van Antwerpen. Zie ik Geert Wilders ooit een persconferentie geven om te melden dat hij eigenlijk een kunstenaar is, en zijn werk één lang toneelstuk om Nederland zichzelf te helpen begrijpen. Dat idee. Een hopeloos idee, maar wel ernstig. Het gelooft dat de wereld zich niet ontwikkeld heeft tegen de kunsten in, maar net ernaartoe. Wat rest, is dat idee te omarmen. De onwerkelijkheid van onze werkelijkheid te bespelen, in plaats van ze louter uit te beelden. Voor dat virtuele spel beschikken theatermakers over de kracht van hun oude verbeelding, waar media net op voorspelbaarheid werken. En of dat dan nog theater zal heten, is niet de kwestie. Zolang het maar gemeenschapskunst blijft, die haar gemeenschap eens wat groter rekent dan de zaal, en haar een stuk spannender bekijkt. Het hedendaagse theater is halfweg.

Dit artikel is het gevolg van een samenwerking tussen Apache en Rekto:Verso. Lees de uitleg waarom Apache samenwerkt met partners.
LEES OOK
Chris Van Camp / 17-07-2020

Kunst maakt de luchtwegen vrij, verstikking is nabij

“Kunst is een kwestie van mentale hygiëne, het is dat snuifje dat je luchtwegen vrijmaakt.“
blue 2
Hans Demeyer / 25-11-2019

Ons alledaags fascistisch realisme

De rode draad die door de maatregelen van de Vlaamse Regering wordt geweven, is er een die elk pluralisme teniet doet en vervangt door het patroon van één gemeenschappelijke…
L1110742
Katrin Lohmann / 15-11-2019

Ieder mens is een kunstenaar

Actrice en psychotherapeute Katrin Lohmann roept op tot inclusiviteit en diversiteit in de kunst, zodat "we niet alleen op onze onderlinge solidariteit mogen rekenen maar op een…
Protest van de cultuursector aan het Vlaams Parlement op 14 november 2019 (Foto: © Dirk Waem (Belga))