Op zoek naar de Lange Wapper, deel 4: De Waaslandhaven

4 maart 2010 Tim F. Van der Mensbrugghe
Kerk van Doel
De kerk van Doel werpt een geruststellende schaduw over het dorp. De schoonheid van valse hoop blijft ontroeren.
De Haven van Antwerpen, met riet en sneeuw

De industrie staat nooit niet stil. Ouderwetse fenomenen als dag en nacht hebben geen vat op de nijverheid. Kou, mist of sneeuw, hitte, storm of regen, de fabrieken van den modernen tijd kunnen er allemaal tegen. De handel dient gevoed met nieuwe producten van massaproductioneel allooi, het vrachtvervoer dendert rond en rond. En daardoor stonden wij stil, ongeduldig wachtend tot de trage trein vol flitsende goederen de spooroverweg verlaten zou.

"Sorry, mijn geduld is op", zei mijn chauffeur opeens. Hij rukte z'n BMW los uit de rij wachtende wagens en maakte zeer gezwind rechtsomkeert om op zoek te gaan naar een route die níét gedwarsboomd werd wegens overstekend vrachtverkeer. We waren Gent nog niet eens uit.

Zwaarlijvige maten

Sam, de chauffeur van dienst, stoof grijnzend de vele collega-BMW-rijders voorbij die niet vooruit geraakten in de sneeuw. "Achterwielaandrijving en geen winterbanden, dan ben je gezien", legde hij uit. "Je banden krijgen geen grip en je wielen blijven ter plaatse draaien."

"Wijs", zei ik.

Vooral de Gentenaars van Turkse komaf stonden hun god dan wel de Beierse autobouwer te verwensen. "Kunnen die Turken niet gewoon een paar zwaarlijvige maten halen om in de kofferbak te kruipen? Zodat er wat extra gewicht op de achteras komt te liggen?", redeneerde ik in een zeldzaam moment van technisch doorzicht.

"Da's waarschijnlijk het probleem: ze gingen die maten sowieso oppikken om wat rond te tuffen", weerlegde Sam met scherpzinnig sociologisch vernuft. "Maar dan moeten ze eerst tot bij die maten geraken."

Hooggiftig cyanide

Ardennen
Langs de R4, de Ring rond Gent, vind je niet alleen een hoop zware industrie, maar evengoed welhaast Ardenneske bossen.

Zodra we de Muide, de Gentse volkswijk die net zoals het Antwerpse Eilandje geprangd zit tussen de havendokken, achter ons gelaten hadden, vlamden we de R4 op richting Zelzate. Terwijl we de haven van Gent passeerden, gaf Sam, werkzaam bij het industriële conglomeraat Maersk, deskundig uitleg over het internationale goederentransport. Dat de zee al eens een container van boord slaat en dat die containers wel meer durven te bevatten dan consumentenelektronica of Chinese namaak-T-shirts. Hooggiftig cyanide, bijvoorbeeld, en andere goedjes die je maar beter niet op je boterham smeert. Er staan wereldwijd voortdurend twee teams paraat om vermiste containers op te sporen vóór ze een hele kuststreek uitroeien met hun inhoud.

Terwijl we richting Zelzate scheurden, bedacht ik dat de snoevers uit Antwerpen best wel eens naar onze R4 mochten komen kijken. De Ring rond Gent loopt volledig rond de stad én de haven, bijkans tot in Nederland. Pak er gerust de kaart bij: als het over aantal kilometers ringweg gaat, kan de hoofdstad van Oost-Vlaanderen zonder blozen stoefen tegen de Koekenstad. En laat ons wel wezen, wat is die Antwerpse R1 meer dan een flauwe bocht langs de binnenstad? Een schone binnenstad, daar niet van, maar probeer er eens in één trok rond te rijden!

Schavuit

Hoe leutig het ook was om over de R4 te cruisen, we moesten de steven beroepshalve toch wel een kéér richting Antwerpen beginnen te wenden. Daartoe diende zich de E34 aan, beter bekend als de Expresweg. Zouden we die blijven volgen, dan reden we op den duur de Konijnenpijp in, doken we onder de machtige Schelde en kwamen we boven in Antwerpen-City. Edoch, al in Beveren gingen we eraf om een bezoek te brengen aan het idyllische Kallo. Moeilijk was dat allemaal niet: een beetje spieken op de kaart, enkele richtingaanwijzers volgen en achteraf alles aan je opperbeste oriëntatievermogen wijten.

Café Polderzicht
In Café Polderzicht is de tijd blijven stilstaan. Alleen de televisie getuigt van enige zin voor moderniteit. Zolang er gerookt mag worden, kan de moderniteit evenwel de pot op.

In Kallo dook alras een geschikt café op om even te reposeren. Het luisterde naar de naam 'Polderzicht', al was er van polders niet veel meer te merken aan de overkant van de straat. Voor hij zich terdege parkeerde, liet Sam z'n BMW nog wat door de sneeuw slippen. "Sorry", verontschuldigde de schavuit zich met een brede grijns. "Dat had ik even nodig."

"Ca va, geen probleem. Kan ik nu uitstappen? Ik heb bier nodig", antwoordde ik naar waarheid.

Charmante dame

Polderzicht is een aangenaam volkscafé. Het meubilair bestaat uit aloude houten tafels en stoelen en een paar vaste klanten. We konden ons comfortabel aan de toog installeren. Toen we onze consumptie – een soep voor Sam en een pint voor mij – gekregen hadden, vroeg ik: "Bon, hoe zit dat nu eigenlijk? Hoe spreekt ge dat uit, Kallo?"

"Awel, dat is niet moeilijk", antwoordde mij barvrouw Christiane, een charmante dame zoals men ze wel vaker vindt in cafés van volkse doening. "Ge spreekt het het uit als kallóó."

"Inderdaad, moeilijk lijkt dat niet. Al zou ik er zelf intuïtief de voorkeur aan gegeven hebben om het uit te spreken als kállo."

"Och ja, dat maakt allemaal niet zoveel uit. Maar wij zeggen hier dus kallóó."

"Even proberen: kallóó?"

"Voilà, ge doet dat al goed. Vanwaar zijt ge eigenlijk?"

"Van Gent. We zijn speciaal naar hier gekomen om een reportage te maken over de Oosterweelverbinding en de Lange Wapper. Leeft dat dossier hier een beetje in Kallóó?"

"Goh, met dat referendum in oktober hebben we dat wel wat gevolgd, maar eigenlijk ligt er hier niemand wakker van al dat gedoe."

"Ook niet als ze de Liefkenshoektunnel tolvrij zouden maken en alle verkeer langs hier zou passeren?"

"Oh, maar daar hebben wij geen last van, mijnheer. Ze mogen die Liefkenshoektunnel tolvrij maken, het zou ons zelfs goed uitkomen. Weet u waar ik mij meer zorgen over maak?"

"Neen."

"Over het algemeen rookverbod dat ze willen invoeren. Allez, dat is hier een café waar mensen komen om te kaarten. Maar die kaarters willen roken. Denkt u nu dat zij naar hier zullen blijven komen als ze niet mogen roken? Komaan, dan gaan ze gewoon bij iemand thuis kaarten. Daar kunnen ze zoveel roken als ze willen. Maar zo verlies ik wel mijn klanten, hé."

"U kunt natuurlijk een soort privéclub maken van uw café", suggereerde ik.

Christiane lachte schamper. "Ha! Stel 't u voor! Maar neen, serieus, met dat algemeen rookverbod maken ze een belangrijke sociale ontmoetingsplaats kapot. Voor volkscafés zou er toch een uitzondering moeten zijn? Da's toch iets anders dan een restaurant of een brasserie? En daarbij, iedereen die hier binnenkomt, ís een roker!"

"Behalve Sam."

"Oh. Nog een soepke, mijnheer?"

"Merci, madam, een cola is goed", antwoordde Sam.

"En voor u nog een pintje?"

"Bahjagij, ik moet toch niet rijden", zei ik.

"Ge hebt chance dat ge niet moet rijden. De banen liggen er spiegelglad bij met al die sneeuw", vertrouwde een vriendelijke klante ons toe. "Zeker in de buurt van de sluis is het echt erg."

Sams ogen begonnen kwaadaardig te blinken. "Euh, waar ligt die sluis, madam?"

Gecontroleerde slippartijen

Sams BMW
Met de BMW van Sam is het aangenaam slippen door de sneeuw.

De vrouw deed een uitleg die neerkwam op zo, en zo, zo, en dan zo. Op een kaart (.jpg) zou ik het u kunnen tonen. Sam zat zowat te popelen om meteen zijn winterbanden te gaan testen op de maagdelijke sneeuw nabij de Kallosluis, maar ik wou eerst een bezoek brengen aan Fort St.-Marie, op anderhalve boogscheut van waar we toen zaten.

"Oké", zei Sam. "Maar snel dan."

"So snel als you want, as long als we don't fly into 't decor is 't okay", zei ik streng.

Enkele ogenblikken en een zevental gecontroleerde slippartijen later stapten we uit Sams BMW aan Fort St.-Marie. Rond Antwerpen liggen er twee indrukwekkende verdedigingsgordels (.jpg). De buitenste ring bevat onder andere het beruchte Fort Breendonk en passeert rakelings langs de Mechelse stadspoorten. Fort St.-Marie behoort tot de binnenste ring, die – vanzelfsprekend – veel dichter bij het Antwerpse stadscentrum ligt.

Eerlijk: veel stellen die forten niet voor en ook de Duitsers trokken er zich tijdens de Groote Oorlog geen zak van aan, maar het zijn wel mooie overblijfselen die het landschap blijven tekenen. Sommige zijn uitgebouwd als toeristische attractie, andere huisvesten een school, zoals Fort St.-Marie dat doet met het KTA Zwijndrecht. Er worden maritieme opleidingen gegeven. Wat die precies inhouden, weet ik niet, want ik ben maar een stomme germanist.

Onhandige tweevoeters

Bevroren visvijver
Een dichtgevroren visvijver vlak bij Fort St.-Marie. Op de achtergrond zorgt een elektrische centrale voor de arcadische noot.

Als je er rondloopt, moet je al veel moeite doen om er een fort in te herkennen. Het geheel geeft meer de indruk van een park met vijvers en bomen waar de een of andere malloot potsierlijke gebouwen heeft neergepoot. 't Is maar vanuit de lucht (.jpg) dat je een specifieke militaire functie kunt vermoeden. De typische stervormige structuur komt terug bij alle forten van de binnenste verdedigingsring rond Antwerpen, zoals ook bij het Fort van Zwijndrecht (.jpg).

Sam en ik deden ons best om niet op ons bakkes te pletsen toen we het fort verkenden. Gladdigheid is en blijft nu eenmaal verraderlijk voor onhandige tweevoeters. Om het risico op een epische afgang nog te vergroten beklommen we een dijk die daar zomaar ergens lag. Wegglijden deden we ook toen niet, en gelukkig maar, want het was zo al koud genoeg. De wind sneed zo ongenadig hard in mijn vingers dat ik mijn notitieboekje veilig in m'n binnenzak liet zitten: te veel kans dat het kleinood uit mijn verkleumde handen zou waaien, recht de indrukwekkende Schelde in. Vloekend de koude wegstampend moesten we wel erkennen dat het vergezicht er mocht zijn.

"En daar ergens in de verte komt dus de Lange Wapper", wees ik met een half bevroren wijsvinger.

"Wáár ergens?", vroeg Sam.

"Aan de overkant van 't water, maar dan nog zo'n 6 kilometer stroomopwaarts."

Een hele afstand, wat meteen ook verklaart waarom dat hele Oosterweelgedoe de Kallolenaars geen zier kan schelen.

't Scheld
De Schelde vervoert een massa water naar de Noordzee. In het stroomgebied van de Schelde wonen tien miljoen mensen.

"Bon, zijn we dan eens naar die sluis?", vroeg m'n chauffeur met onschuldig opgetrokken wenkbrauwen.

"Goed, vooruit dan maar", besliste ik.

We sukkelden de dijk af op ijsklompige voeten en vermeden nipt dat onze remafstand zich verlengde in de vijver waar een krakkemikkige boot of vijf lag te verzuipen. Op de terugweg naar de wagen passeerden we een gebouw dat nog het best leek op een oude bakstenen kazerne waarboven jaren later lompweg een betonnen nieuwbouw was gegoten. Vergane glorie.

"Laten we deze plek verlaten voor een misplaatst gevoel van nostalgie ons overvalt", mompelde ik.

"Wat?", vroeg Sam.

"Dat we het hier wel gezien hebben. Kom."

Sams oude BMW bracht ons weer op kamertemperatuur en even later slierden we door menige Wase bocht richting Kallosluis. Die vormt de toegang tot de Waaslandhaven, het deel van de haven van Antwerpen dat op soeverein Oost-Vlaamse bodem ligt. Sam stuurde z'n wagen naar enkele mooie sneeuwvlakken en demonstreerde kunstjes die betrekking hadden met het verliezen van het contact met de ondergrond. Allemaal heel leuk en avontuurlijk, maar een relevante reportage haal je daar niet uit.

Vreemd model

Kallosluis
De Birka Express vaart zelfzeker de Kallosluis binnen.

"Oh, shit, kijk daar", onderbrak ik Sams plezier. "D'r vaart een schip de Kallosluis binnen."

"Oké. Hou je vast." In volle vaart haalde Sam de handrem aan en gooide z'n stuur om voor een sierlijke U-turn. "Ik zal me haasten, dat ge nog vlug een foto kunt nemen."

Nog voor de wagen goed en wel stilstond, gooide ik het portier open en sprong ik naar buiten. Dat alles zonder op mijn muil te landen. Vlug trachtte ik het gebeuren fotogewijs vast te leggen. Dat lukte aardig.

Ondertussen was Sam er ook bij komen staan. Deskundig – het is z'n job – inspecteerde hij het schip.

"Een vreemd model", oordeelde hij. "Zoiets heb ik nog niet veel gezien."

"Wat is er dan zo vreemd aan?"

"De positie van de brug vooraan op het schip en dat er zowel containers als vrachtwagens op staan. Om maar iets te zeggen." Hij gaf me een hele uitleg over het type container dat de Birka Express vervoerde en hoe die blikken bakken veilig op elkaar gestapeld werden. Het enige wat ik min of meer kon onthouden was dat het serieus veel zeer zou doen mocht je hand klem komen te zitten tussen twee containers. "Dat raad ik je inderdaad niet aan", zei Sam om iedere ambitie als dokwerker of matroos te fnuiken. "Maar wat die mannen daar nu aan het doen zijn, is nog veel riskanter."

Ik keek en zag hoe een tros aan een bolder op de kaaimuur werd vastgemaakt. "Euh, wat is daar nu zo gevaarlijk aan?"

"Dat lijkt onschuldig, maar zodra de trossen strak staan, zit daar ongelooflijk veel spanning op. En zo'n touw durft al eens te knappen."

"En dan?"

"Dan vliegt dat met zo'n kracht weg dat je een arm, een been of gewoon zelfs je leven kwijt bent als je toevallig op de verkeerde plek staat."

"Dus wat hebben we geleerd vandaag: uit de buurt van strak gespannen trossen blijven."

"Uit de buurt van strak gespannen trossen blijven", bevestigde Sam.

"Een spannend leven hebben die mannen kortom."

Een boot
Een rood schip is tweede in lijn om zich in de Kallosluis te nestelen.

"Ja, maar 't is ook vaak lang wachten, hoor. Kijk, de Birka ligt nu vast, maar er moet allicht nog een hele hoop andere schepen in de sluis."

Sam had gelijk. Met de Birka Express zat de Kallosluis bijlange nog niet vol en we zagen alvast een tweede boot op de sluis afstevenen, een rood geval met een iets klassiekere structuur. Het schip parkeerde zich langzaam maar zeker naast de Birka Express.

Ook enkele binnenschepen kwamen de sluis binnen gekropen. Op den duur lagen er wel acht boten, groot en klein, in de Kallosluis en m'n geduld begon op te geraken. "Valt er hier verder eigenlijk nog iets te beleven?"

"Wel, de Melselebrug zal omhoog gaan en de Farnesebrug weer omlaag."

"Is dat alles?"

"Tja, wat kun je nog meer verwachten?"

"Ik weet niet. Een accident of zo? Iets sensationeels?"

"Daar zou ik niet op rekenen. De Kallosluis ziet er mij een modern ding uit waar weinig mee kan foutlopen."

"Kom, laat ons dan doorrijden. We moeten nog naar Doel, we moeten nog door de Liefkenshoektunnel en daarbij, er is hier nergens een café in de buurt en ik heb dorst."

"In dat geval..." Sam stak de motor weer in gang en we schoven ervandoor, elk maagdelijk stuk sneeuw misbruikend voor een bescheiden slide. "Wat is het plan?"

Ik nam de kaart erbij en nam een beslissing. "We rijden langs de Scheldedijk en brengen een bezoek aan Fort Liefkenshoek. Met een beetje geluk is er daar een etablissement. Kun je daarmee leven?"

"Zolang er sneeuw is, is 't mij allemaal gelijk!"

Met hernieuwd enthousiasme duwde Sam het gaspedaal in. Op de baan langs de Scheldedijk ten noorden van de Kallosluis was er nauwelijks verkeer, zodat mijn chauffeur zich al eens kon laten gaan.

Ondergaande zon
De zon gaat langzaam onder boven de Waaslandhaven. De industrie trekt zich daar geen lor van aan.

Toen we Fort Liefkenshoek naderden, gleed de BMW voorzichtiger door de bochten. Er was hier beduidend minder gestrooid, het baantje waarop we reden was verdacht nauw en belangrijker: zo we onze bocht zouden missen, lagen we met onze klieken en onze klakken in het ijswater. Een goede zaak dat mijn chauffeur dat besefte.

Bij aankomst bleek Fort Liefkenshoek (.jpg) iets heel anders te zijn dan St.-Marie. Hier geen mottige schoolgebouwen, maar wel een echt fort, met een toegangspoort en kanonnen en al.

Fort Liefkenshoek
Fort Liefkenshoek maakt zijn naam waar: een gespierde buitenkant rond een oord van geborgenheid.

"Aha, dat ziet er toeristisch uit. Veel kans dat er een cafetaria is", glimlachte ik tevreden.

"Goed, dan kan ik weer een soepje drinken", zei Sam enigszins sarcastisch.

"Inderdaad, want als chauffeur zijnde drink je maar beter geen alcohol", wreef ik het er voor alle zekerheid nog maar eens in. Ik laat me niet rondrijden door dronkaards, tenzij voor een weddenschap misschien.

Er was inderdaad een cafetaria, uitgebaat door Marleen. We hadden geluk. "Dit is de laatste dag dat ik open ben, na vanavond sluit de cafetaria voor enkele weken."

"In dat geval een pintje voor mij. En voor Sam een soep. Oh, en doe voor mij ook maar een soep, ik begin honger te krijgen."

De bestellingen verschenen snel op de toog. Over de bediening konden we alvast niet klagen. Plus daarbij: in  het midden van de gezellige cafetaria stond een houtstoof. Het meest ideale stuk meubilair in tijden van vrieskou, als je het ons vroeg. Ik legde Marleen uit wat onze bedoelingen waren, namelijk een reportage over de Waaslandhaven en de Liefkenshoektunnel.

Kanonnen Fort Liefkenshoek
In Fort Liefkenshoek staan de kanonnen van Beveren gericht op de overkant van de Shelde, waar Lillo ligt.

"Wel, ik begrijp niet dat ze die tunnel niet gewoon tolvrij maken", getuigde Marleen on cue.

"Gebruikt u de Liefkenshoektunnel regelmatig?"

"Oh, neen", blies onze gastvrouw. "Veel te duur: 5,5 euro om door die tunnel te mogen rijden."

Sam fronste: "Ik dacht dat 't maar 4,5 euro was. Maar da's misschien omdat ik mijn kredietkaart gebruik."

"Máár 4,5 euro? Ik vind dat nog altijd veel geld. Dan rijden we liever rond als we naar Antwerpen moeten."

"U zou er dus ook geen probleem mee hebben als dat spel tolvrij zou worden om zodoende de Ring rond Antwerpen werkelijk rond te maken?", vroeg ik.

"Neen, zeker niet. Dat mogen ze gerust morgen al doen. Och, en af en toe rijden we eens door die tunnel als we naar Lillo gaan, maar dat gebeurt niet vaak."

"Lillo? Dat ligt aan de overkant van 't water, zeker?"

"Ja, en da's echt een heel mooi plaatsje. Daar moet ge eens naartoe gaan", raadde Marleen ons aan.

"Dat zullen we doen, mevrouw!", beloofde ik. "Maar eerst zullen we hier nog wat rondkijken. Ik wist niet dat dat fort zo indrukwekkend was."

"Ja, ze hebben dat mooi gerenoveerd. Enfin, de werken zijn nog niet volledig klaar. Maar jullie kunnen gerust eens rondlopen."

Godslasterlijke namen

Fort Liefkenshoek, schapen
Terwijl een kudde schapen angstig afstand houdt, neemt een verkouden geit moedig het voortouw.

Dat deden we. Op een aarden wal stond een uitkijkpost en daar wilden we op klimmen. Onderweg naar boven implementeerde Sam een tuimelperte, wat hem op hoongelach kwam te staan, waardoor ik zelf ook bijna met mijn kop in de sneeuw belandde. Enkele schapen bekeken ons met de nodige scepsis, en geef hen ons ongelijk. Wie haalt het toch in zijn hoofd om met zulk weer op reportage te gaan? Blijf toch veilig op de redactie en blik verdorie wat belga's in, daar is de maatschappij veel wezenlijker mee gediend.

Bovenaan op de uitkijkpost stelden wij vast dat Fort Liefkenshoek een oase van rustieke antiquiteit is in een woestijn van industrie en vooruitgang. Toen verscheen aan de hemel een teken: een grote, vuurrode draak. Rondom rond zagen we uitlaatgassen in de atmosfeer gepompt worden waartussen de ondergaande zon haar laatste vlammende stralen smeet. En de rook van het reukwerk steeg met de gebeden der heiligen uit de hand van de engel omhoog voor het aanschijn van God. Wij zagen een zee van nijverheid de Wase polders verzwelgen. En ik zag uit de zee een beest opstijgen. Het had tien horens en zeven koppen, en op zijn horens tien diademen, en op zijn koppen stonden godslasterlijke namen.

"Sam?"

"Ja?"

"Is dat daar de kerncentrale van Doel?"

"Dat moet wel."

"Let's go daarwaarts then!"

"Yes!"

Knuppels en rieken

Kerk van Doel
De kerktoren van Doel werpt een geruststellende schaduw over het dorp. De schoonheid van valse hoop blijft ontroeren.

Eerst controleerden we of Anja Hermans zich niet in de kofferbak van de BMW had verstopt, en vervolgens namen we de kortste route naar Doel, het polderdorp dat moet verdwijnen omdat net dáár, en dus niet ergens anders, het Saefthingedok gepland is.

We wisten niet wat we moesten verwachten van Doel. Was het een spookdorp? Woonden er nog mensen? Zou men ons, de journalist en zijn chauffeur, met knuppels en rieken achterna zitten voor ons voyeurisme? We wisten het werkelijk niet, en de enige manier om aan wetenschap te doen is door te experimenteren. Vooral niet te veel nadenken.

Sam vond al slippend een parkeerplaats vlak voor de kerk van Doel. We stapten uit en vroegen ons af welke idioot zich in dit dorp in godsnaam nog bezighield met het ophangen van kerstverlichting aan de sparren voor de kerktoren. Soit, ze hing er, en keek je alleen naar de kerk, dan zou je rustig kunnen aannemen dat je in eender welk Vlaams dorp stond. Draaide je je echter om, dan zag je meteen dat dit iets anders was dan het zoveelste gehucht dat leeggezogen werd door de lokroep van de grote stad. Zowat ieder huis werd gesierd of ontsierd door graffiti (.jpg).

"Raar sfeertje, vind je niet?", vroeg ik.

"Zeg dat wel. Zou er hier nu werkelijk nog iemand wonen?"

"Weet ik veel. 't Ziet er toch maar een dode bedoening uit. Laat ons een beetje rondwandelen, wie weet vinden we een café."

"Hier?" Sam trok een bedenkelijk gezicht. Hier zitten alleen ratten en kraaien, zag je hem denken.

Kraaien in doel
De dieren hebben Doel overgenomen. Hier vinden mensen geen thuis meer.

Nergens brandde er licht. De middenstand leek eveneens onverbiddellijk weggevaagd. Een kloppend hart heeft Doel niet meer. Dachten we. Toen ik op een pleintje belandde, kon ik m'n ogen even niet geloven.

"Euh, Sam, kom 'ns kijken."

"Wat is er?" Sam was door een kier in een deur aan het turen op zoek naar leven en kwam – voorzichtig – aangehold.

"Had je dit verwacht in Doel?"

Sam keek, en schudde het hoofd. "Neen."

"Maar 't is er wel."

"Inderdaad. Wijs."

"Pintje?"

"Een koffie zal volstaan."

We hadden een café gevonden in Doel. Het heette Doel 5, wat wel iets zal betekenen, maar vraag ons niet wat. Het zat afgeladen vol met, zo vermoedden wij, dokwerkers en havenarbeiders. De sfeer was uitgelaten, hoewel het café zelf tamelijk ongezellig was. Het had iets van een voetbalkantine,  maar ja, zelfs een voetbalkantine heeft z'n charmes op voorwaarde dat je eerst investeert in gerstenat.

"Jammer dat we niet wat langer kunnen blijven", zei ik.

"Ja, maar we moeten echt nog in Lillo geraken", zei Sam streng.

Kerncentrale van Doel
Doel ligt aan de voeten van de koeltorens van de plaatselijke kerncentrale, die dag in, dag uit stoom uitbraken.

"Dat is natuurlijk waar, maar misschien hadden we beter toch wat minder lang bij die stomme Kallosluis staan wachten?"

"Dat zijn dingen die je niet op voorhand weet, n'est-ce pas?"

"Si, si, oui, bien sûr. Dat weet je dus niet op voorhand. Maar 't is wel jammer, hé? Ik zou hier gerust een hele reportage bijeen kunnen schrijven."

"Dat zal dan voor een andere keer zijn."

"Een andere keer mijn kloten."

"Allez vooruit, zijn we dan eens naar Lillo?", drong Sam aan.

"Als jij 't zegt", antwoordde ik gedwee. Sam was tenslotte chauffeur. Wat had ik daar tegenin te brengen? Dat de journalistiek op haar achterste poten stond te roepen om een reportage over Doel 5? Komaan zeg, de journalistiek is alleen bezig met het bestendigen van de waan van de dag opdat de mensen zich niet te veel zorgen moeten maken over het rottende maatschappelijke stelsel, dat zo het niet op instorten staat dan toch stilaan rijp wordt voor de sloop. "De wereld is nog niet volledig naar de kloten als er hier zelfs in Doel wordt gelachen en gezopen", probeerde ik nog.

"Kom, Lillo roept."

Alsof Sam geïnteresseerd was in Lillo. Het was niet dáárvoor dat zijn ogen kwaadaardig blonken. Een bezoek aan Lillo, ha! Het was niet dát wat hij verlangde. Ik wist wel wat er tussen Doel en Lillo lag. De Liefkenshoektunnel. Dáár was het hem om te doen.

Debacle

De Liefkenshoektunnel
De Liefkenshoektunnel vanuit de wagen gefotografeerd. Hier 4,5 euro voor moeten betalen is toch wat kort door de bocht.

Persoonlijk was ik ook nieuwsgierig. Van een tunnel die 4,5 euro inkom vraagt, mag je toch iets verwachten? Dat moet dan toch wel een zeer speciale tunnel zijn? Een ervaring die een mens een heel leven lang bijblijft, dat zou het zijn.

Nou, dat viel eerlijk gezegd dik tegen. Zo bijzonder lang is die tunnel niet eens, zeker niet langer dan de Kennedytunnel. Voor de Konijnenpijp, officieel de Waaslandtunnel, zou ik wel nog geld durven geven, want díé is tenminste een attractie. Eerst een steile duik naar beneden in een smalle buis, en dan pats, weer steil omhoog. En ondertussen vermijden dat je je tegenliggers door de tunnelwand boort. Spannend!

Maar de Liefkenshoektunnel? Tjonge, daar is niets aan. Je bent erdoor voor je er erg in hebt. Je bent er zelfs zodanig snel door dat je de afrit naar Lilo mist als je niet goed oplet. Zoals wij dus. Enfin, zoals Sam, want ik zat niet achter het stuur en draag dan ook geen verantwoordelijkheid voor dit debacle.

Sam hield z'n gevloek binnen de perken en koos voor de eerstvolgende afrit. Een uitstekende keuze. Niet veel later vonden we de weg naar Lillo terug en reden we het oude fort binnen. Voor Sam zijn doening gebeurde dat opvallend voorzichtig.

"Die kasseien zijn spekglad", verklaarde de chauffeur. "Veel zottigheid kan ik mij hier niet permitteren."

Inderdaad, bij het uitstappen ondervond ik enige glibberigheid onder de zolen van m'n cowboybotten. Een stoere tred mat ik me maar beter niet aan. Gelukkig raakten we zonder botbreuk tot in het centrum van Lillo. Niet moeilijk: Lillo is onooglijk klein. Vroeger was het groter, toen waren er nog twee andere Lillo's. Maar die zijn overrompeld door de industrie. Nu blijft alleen de nederzetting in het oude fort over, de tegenpool van Fort Liefkenshoek. Als je het gebied vanuit de lucht (.jpg) bekijkt, lijkt zelfs het laatste stukje Lillo langzaam in de Schelde geduwd te worden door de almaar oprukkende haven.

Lillo
Het mooiste dorp van Vlaanderen baadt in een permanente kerstsfeer.

Gelukkig voor de Lillolianen staat er ook rond hun fort een mooie aarden wal, zodat de haven die het dorp langs alle kanten omringt netjes uit het zicht blijft. En zo is het mogelijk dat er zich te midden van het grootste industriegebied van België een hardnekkige en vooral prachtige parel bevindt. Want niet gezeverd: Lillo ís het mooiste dorp van Vlaanderen. Anderhalve straat groot, maar o zo gezellig. Zeker als het van sneeuwen en vriezen gedaan heeft.

We dronken een pintje in een café dat gezellig meeheulde met de oud-Vlaamse sfeer die het hele dorp uitstraalde.

"Zo. Dit was dus de laatste halte", stelde ik vast om de gemoedelijke sfeer toch een beetje te verknallen.

"Ik denk het wel", zei Sam. "Verder valt er hier in de buurt niets meer te zien. Tenzij je een containerfetisjist bent."

"Ongelukkige, je ogen beginnen weer kwaadaardig te blinken! Stop daarmee", gebood ik.

"Sorry, ik liet me even gaan", grijnsde Sam.

"Goed dat we hier geëindigd zijn. 't Is waarlijk een prachtige plek op aarde. Dat had ik niet verwacht."

"Ik ook niet."

"Maar er komt hier dus niemand omdat die verrekte Liefkenshoektunnel 4,5 euro kost."

"En dan moet je nog terugkeren ook, vergeet dat niet."

"Juist ja, terugkeren, dat ook nog. Nog eens 4,5 euro klets erbij."

"Dat betaal ik wel." Dat zou Sam inderdaad wel betalen. Dat was immers de prijs om een hele dag chauffeur te mogen spelen voor een luizige journalist. Iemand zei me onlangs dat journalisten armoedzaaiers zijn met buitensporig veel macht, en inderdaad, zeker in het eerste deel van die omschrijving kan ik me perfect vinden.

"Los daarvan: zouden wij, Gentenaars, het eigenlijk erg vinden als die Lange Wapper er alsnog komt?"

Sam haalde z'n schouders op. "Ik gebruik toch meestal de Liefkenshoektunnel, mij maakt het niet uit."

"Dus mag de Vlaamse regering alvast de Liefkenshoektunnel tolvrij maken?"

"Daar zou ik niet over klagen, neen."

"Bon, dan is het probleem opgelost, juist? De Lange Wapper bouwen of niet, ons kan het niet schelen. Maar zorg er verdorie voor dat die Liefkenshoektunnel eindelijk vrij te gebruiken is, gratis en voor niets."

"Santé!", zei Sam terwijl hij het colaglas hof.

"Santé!", antwoordde ik, blij dat ik alweer een groot probleem van algemeen belang kordaat van de baan gereden had.

LEES OOK