Armoede bestrijden is wel degelijk legitiem

7

Onder het EU-voorzitterschap van Spanje ging op 21 januari het Europees Jaar van de Bestrijding van Armoede en Sociale Uitsluiting van start. Een uitstekende gelegenheid om de falende armoedebestrijding uit het slop te trekken, mensen opnieuw bewust te maken van het hardnekkige armoedeprobleem en de prioriteiten op scherp te stellen. Dat stellen historicus Wouter Ryckbosch en socioloog Wim Van Lancker (beiden UA).

Wouter Ryckbosch, historicus, verbonden aan het Centrum voor Stadsgeschiedenis, Universiteit Antwerpen en
Wim Van Lancker, socioloog, verbonden aan het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck, Universiteit Antwerpen

Socioloog Wim Van Lancker merkt op dat er dringend weer werk gemaakt moet worden van armoedebestrijding.

België wordt vaak beschouwd als een van de landen waar de inkomensarmoede relatief beperkt is, maar dat rooskleurige beeld noopt tot enige nuance: een op de zeven mensen (15,2 procent) moet rondkomen met een inkomen dat onder de armoedegrens ligt. Voor Vlaanderen gaat het om 10,9 procent van de inwoners, voor Wallonië om 18,8 procent en voor Brussel om zo maar eventjes 28,2 procent. Met die cijfers bevindt ons land zich maar net onder het EU gemiddelde van 16 procent.

Onderbelicht fenomeen

Armoede is echter meer dan louter financiële deprivatie, en ook daar kan ons land zich geenszins op de borst kloppen. In 2008 groeide 12 procent van de kinderen op in baanloze gezinnen, werden 10.780 gezinnen op straat gezet en is het aantal mensen dat een beroep moest doen op voedselbanken in minder dan twintig jaar tijd meer dan verdubbeld tot 110.700. In 2009 bevonden 77.429 mensen zich in het stelsel van collectieve schuldenregeling, een stijging van maar liefst 17 procent in amper twee jaar tijd. De inkomenskloof tussen arm en rijk, ten slotte, wordt sinds het begin van de jaren negentig alleen maar breder.

Een aantal oorzaken zijn welbekend: de sociale bescherming is selectiever geworden, de meeste uitkeringen hebben de koopkrachtevolutie niet gevolgd en liggen ondertussen onder de armoedegrens, de bescherming voor nieuwe sociale risico’s dragen inherent Matteüseffecten (‘wie heeft, zal krijgen’) in zich mee en de nagestreefde gelijkheid van kansen werpt (bijvoorbeeld in het onderwijs) niet steeds de verwachte vruchten af. Daarnaast kunnen mensen in armoede vaak geen gebruik maken van voorzieningen waar ze nochtans recht op hebben wegens administratieve barrières en ingewikkelde procedures, een probleem waar Vlaams minister van Armoedebestrijding Ingrid Lieten (sp.a) terecht op wil inzetten door sociale rechten automatisch te laten toekennen. Maar die fenomenen vertellen niet het volledige verhaal, want meer onder de oppervlakte voltrekt zich een vaak onderbelicht fenomeen: de afkalvende legitimiteit van armoedebestrijding.

Profiteur

2010 zou het jaar moeten worden waarin de urgentie van de armoedeproblematiek opnieuw tot de publieke opinie doordringt

Twee elementen liggen mee aan de basis van die nefaste evolutie. Ten eerste is er de afgelopen twee decennia geleidelijk een andere visie op armoede ontstaan, waardoor die overwegend gezien wordt als een gevolg van eigen falen en niet als een structureel maatschappelijk probleem. De idee leeft vandaag heel sterk dat onze samenleving veel minder dan vroeger bepaald wordt door onzichtbare structuren die ieders sociale positie en kansen determineren. Het einde van het industriële tijdperk (met haar duidelijk zichtbare arbeidersklasse) en het failliet van het marxisme zorgden voor het ontstaan van het beeld van een klasseloze maatschappij. De hedendaagse burger zou in zijn of haar mogelijkheden tot sociale mobiliteit onbegrensd zijn en daarin slechts beperkt worden door de keuzes die hij of zij zelf maakt (de ‘meritocratische samenleving’ genoemd). De onverminderde, en sedert het einde van de vorige eeuw zelfs toenemende, sociale ongelijkheden tussen individuen zijn dan van ondergeschikt belang, zolang we maar leven in een samenleving waarin iedereen zelf zijn eigen positie kan kiezen.

Ten tweede wordt het principe van de solidariteit en wederkerigheid (‘voor wat, hoort wat’), dat aan de basis ligt van onze welvaartsstaat, ondermijnd door zij die zich (ten dele) aan het systeem onttrekken. Fraude en ontwijking zijn zowel aan de betalende als aan de ontvangende zijde van het sociale stelsel wijd verspreid, wat niet enkel de rechtvaardigheid en de legitimiteit maar tegelijk ook de doelmatigheid van het systeem ondergraaft. Dat hangt nauw samen met het eerste punt, want onder invloed van de gewijzigde visie op armoede wordt wie arm is zelf geacht verantwoordelijk te zijn voor die situatie. Armoede is bijgevolg geen probleem meer waar andere mensen moeten ‘voor opdraaien’. Wie het gevoel heeft alleen maar te moeten betalen voor zij (denk aan het klassieke beeld van ‘de profiteur’) die niets teruggeven, haakt af en probeert zich aan de solidariteit te onttrekken. Met minder middelen en bijgevolg een verminderde doelmatigheid van de armoedebestrijding.

Falend individueel gedrag

De samenleving waarin iedereen vrij van beperkingen kan bereiken wat hij of zij wil, als we maar hard genoeg ons best doen en de juiste keuzes maken, is echter een luchtkasteel. Empirisch onderzoek wijst telkens weer op de onverminderd grote invloed van sociale klasse op inkomen, gezondheid en levensduur. Ook de hardnekkigheid van de sociaaleconomische ongelijkheid blijft erg groot: verre van een zuiver individuele aangelegenheid is armoede een risico dat van generatie op generatie wordt doorgegeven. De democratisering van het onderwijs, die net de volstrekte gelijkheid van kansen moest realiseren, blijkt bestaande ongelijkheden bovendien grotendeels te recreëren. De emanciperende kansen die het onderwijs te bieden heeft, worden disproportioneel benut door kinderen uit hogere sociaaleconomische groepen.

Hoewel sociale mobiliteit binnen de maatschappelijke middenklassen vrij groot is, wordt de onderkant van de sociale piramide vooral gekenmerkt door rigiditeit, zowel over de generaties heen als binnen één levensloop. De illusie van de meritocratische samenleving verbergt een realiteit waarbinnen armoede nog altijd grotendeels structurele oorzaken kent. Willen we de legitimiteit van de hedendaagse armoedebestrijding herstellen, dan zal het noodzakelijk zijn die illusie te doorprikken en de publieke opinie ervan te overtuigen dat armoede ook een structureel aspect is van de kapitalistische samenleving in plaats van een logisch gevolg van falend individueel gedrag.

Buikgevoel

Het jaar 2010 zou het jaar moeten worden waarin de urgentie van de armoedeproblematiek opnieuw tot de publieke opinie doordringt en waarin aan een efficiënt veeleer dan een schuldbewust beleid kan worden gewerkt. Een beleid dat aandacht heeft voor de structurele oorzaken van armoede en ruimte laat voor gelijkheid van uitkomsten. Een beleid dat zich niet louter verschuilt achter het rookgordijn van sociale mobiliteit, meritocratie en gelijke kansen.

Hierin schuilt een verantwoordelijkheid voor velerlei actoren: opinie- en beleidsmakers, werkers in het sociaal veld en academici, zij die actief zijn in de media of de kunsten, maar zeker – en vooral – de politieke partijen die armoedebestrijding hoog op hun agenda hebben staan. Hopelijk grijpen ook zij het ‘Europese Jaar’ aan om de waarden van rechtvaardigheid, herverdeling en solidariteit te verkiezen en te verdedigen boven het buikgevoel en de illusies van een in zichzelf gekeerde publieke opinie.

Auteur: Redactie Apache

Apache is gegroeid uit De Werktitel, de eerste Vlaamse blog geschreven door professionele journalisten. De Werktitel zag op 14 oktober 2009 het levenslicht, Apache nam op 24 februari 2010 zijn plaats in. Maar het werk startte al in het voorjaar van 2009, toen een aantal journalisten de koppen bij elkaar staken en beslisten om zich in een avontuur te storten. Omdat degelijke, ongebonden journalistiek nodig is.

Word lid

Lees direct verder en steun onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Nu nog aan 6,66 euro per maand.


Ja, ik word lid