Nick Davies: 'Journalisten zijn goede mensen die werken voor slechte bedrijven'

14 oktober 2009 Tom Cochez , Jeroen de Preter
Nick Davies
Nick Davies: 'De commercialisering van de media heeft de werking van kranten zodanig veranderd dat journalisten structureel vatbaar zijn geworden voor de publicatie van verhalen die bol staan van leugens, vervormingen en propaganda.' (CC BY 2.0 Financial Times (Wikimedia))

Zaterdagnamiddag 3 oktober, iets na vier uur. De grote zaal van het Antwerpse Zuiderpershuis is te klein om alle geïnteresseerden in Flat Earth News te herbergen. De alternatieve boekenbeurs Het Andere Boek heeft Nick Davies naar ons land gehaald en de komst van de onderzoeksjournalist die zijn eigen professie tot object maakte, is een schot in de roos. Davies toont zich immers niet alleen op papier een geboren verteller.

Flat Earth News opent met de zin ‘Dog doesn’t eat dog’. Journalisten houden alles en iedereen tegen het licht, behalve zichzelf. Wat heeft je ertoe aangezet die ongeschreven wet te doorbreken?

Nick Davies: “De verhalen over massavernietigingswapens in Irak waren de directe aanleiding. Het leek er sterk op dat wij, journalisten, als beroepsgroep, een onvergeeflijke fout hadden gemaakt. Met z’n allen hadden we immers geschreven dat er massavernietigingswapens in Irak waren. Toen bleek dat we verkeerd waren, stelde niemand de vraag die we gesteld zouden moeten hebben: waarom zijn we collectief de mist ingegaan? Neen, we brachten gewoon vrolijk verder verslag uit, alsof er helemaal niets was gebeurd. We schreven erover alsof het een probleem was van overheden en geheime diensten die verkeerd hadden gecommuniceerd. Dat de media betrokken partij waren, dat wilden we vooral niet geweten hebben.”

“Omdat we nooit hebben toegegeven dat we zelf een deel van het probleem waren, hebben we ook nooit die ene cruciale vraag gesteld: hoe is het in godsnaam mogelijk dat de volledige wereldpers volledig verkeerd bericht heeft over een van de belangrijkste wereldgebeurtenissen van de voorbije decennia?”

12 jaar De Werktitel

Op 14 oktober 2009 trapte De Werktitel (de voorloper van Apache) af met een interview met Nick Davies. Het verhaal van de onderzoeksjournalist die zijn eigen professie tot object maakte, is actueler dan ooit.

U legt in uw boek uit hoe het zover is kunnen komen. Dat levert niet meteen een fraai beeld van journalistiek op.

Davies: “Mensen weten maar al te goed dat ze niet alles kunnen geloven wat ze in kranten lezen. Maar stel je de vraag waarom dat zo is, dan geven ze doorgaans het verkeerde antwoord. 'Journalisten werken voor mediabazen die hun dicteren wat ze moeten schrijven', hoor je dan, 'en de adverteerders zetten hen onder druk om te schrijven wat zij willen.' Dat is niet zo. Eigenaars van mediabedrijven komen soms tussen in de berichtgeving, maar dat blijft uitzonderlijk. In Groot-Brittannië heb ik geen enkel voorbeeld teruggevonden van adverteerders die de inhoudelijke lijn van de krant hebben kunnen bijsturen. En geloof me, ik heb ernaar gezocht. Adverteerders probéren zonder enige twijfel tussen te komen, maar ik ken eerlijk gezegd geen enkel geval waarin dat is gelukt.”

Wat loopt er dan wel verkeerd?

Davies: “De commercialisering van de media heeft de werking van kranten zodanig veranderd dat journalisten structureel vatbaar zijn geworden voor de publicatie van verhalen die bol staan van leugens, vervormingen en propaganda. Dat is een zeer ernstig probleem omdat het wezen van de journalistiek zelf wordt uitgehold. In het boek geef ik talloze voorbeelden van flat earth news. Nieuws, zoals de aanwezigheid van massavernietigingswapens in Irak, dat iedereen voor waar aanneemt terwijl het helemaal niet waar is.”

'Slechts een fractie van de berichtgeving – bij de Britse kwaliteitskranten minder dan 20% – is nog het product van echt journalistiek werk' 

“De verklaring daarvoor is al bij al eenvoudig: kranten moeten geld opbrengen, het liefst zoveel mogelijk en daarom moeten zo weinig mogelijk journalisten zo veel mogelijk stukken leveren. Bijgevolg is slechts een fractie van de berichtgeving – bij de Britse kwaliteitskranten minder dan 20% – nog het product van echt journalistiek werk. De andere artikels zijn berichten van nieuwsagentschappen die een beetje verknipt zijn en waar vervolgens een journalist zijn naam onder zet om ze als eigen berichtgeving te kunnen verkopen. Of, nog erger: het zijn herschreven persberichten van pr-bureaus die gewoon voor waar in de krant worden gegooid.”

Mochten de persagentschappen goed journalistiek werk leveren, dan zou het probleem meteen een stuk minder groot zijn?

Davies: “Dat is helaas een zeer hypothetische vraag. Ook de persagentschappen hebben immers te weinig mensen in dienst. Als we op hen vertrouwen om de waarheid over de wereld te vertellen, dan maken we een grote fout. Het zou zinvol zijn om berichten van nieuwsagentschappen als dusdanig in de krant te zetten. De techniek om ze lichtjes te herschrijven en ze vervolgens als eigen berichtgeving in de krant te zetten is pure verspilling van journalistiek talent. Zet dus ‘Reuters’ of ‘AP’ (Associated Press) onder berichten van nieuwsagentschappen, ontsla journalisten van hun taak als copywriter en geef ze opnieuw tijd om zelf naar verhalen te zoeken.

'Ontsla journalisten van hun taak als copywriter en geef ze opnieuw tijd om zelf naar verhalen te zoeken'

“Dertig jaar geleden hadden alle grote westerse kranten eigen bureaus in verschillende landen en op belangrijke plaatsen in de hele wereld. Daar zaten eigen journalisten die rond zich ook nog eens een lokaal netwerk van freelancers hadden. Op die manier drongen kranten door tot in de kleinste uithoeken van de wereld. Overal zat er wel ergens een journalist met een computer en een fles wodka achter een bureau die alarm sloeg als er iets gebeurde. Met de komst van de commercialisering kwamen er bazen die snel geld wilden besparen en gemakshalve alle buitenlandse bureaus sloten. Het enige wat we nog overhouden in het buitenland zijn AP en Reuters en een beetje AFP (Agence France Presse).”

"In mijn boek geef ik het voorbeeld van Afghanistan. Vóór september 2001 bestond het Reutersbureau in Kaboel uit welgeteld één persoon die het hele land moest volgen. Hij moest artikels, foto’s en video’s maken. Eén persoon waar zowat de hele berichtgeving over Afghanistan op draaide in het Westen. Natuurlijk weet zo’n man niet wat er overal in het land gebeurt. Hij leest lokale kranten, krijgt persberichten van de overheid en praat met de Amerikaanse ambassade. Wij zitten hier in Brussel en Londen en we denken: laat ons Reuters gebruiken om te schrijven over Afghanistan. Alleen: Reuters weet het zelf niet.”

Dat de media de kredietcrisis niet hebben zien aankomen…

Davies: (onderbreekt) “Het is niet omdat de meeste kranten niet geschreven hebben over de potentiële problemen die op ons afkwamen, dat ze dat niet hadden kunnen doen. In The New York Times verscheen al in oktober 2006 een artikel over de instorting van de huizenmarkt in Chicago. Een verhaal dat perfect voorspelde welk probleem er zat aan te komen. Niemand pikte het op omdat het zogezegd saai en ingewikkeld was.”

“Bij The Observer, een doorgaans intelligent links blad in Groot-Brittannië, was er diezelfde dag een redactievergadering waarop de briljante economiejournalist Will Hutton voorstelde om iets met het verhaal van The New York Times te doen. Hij legde alles van naaldje tot draadje uit. Dat in Chicago de huizenmarkt instortte, dat de schulden over de hele wereld verkocht zouden worden en dat er een kredietcrisis zat aan te komen met mogelijk een zeer grote impact op de wereldeconomie en op de banken. ‘Hmm’, zei de hoofdredacteur tegen Hutton, ‘it’s a bit chewy.’ Zoals je dat zegt van een stuk vlees dat je moeilijk doorgeslikt krijgt. ‘Couldn’t you write about cake?’

“Ik weet niet wat die man daar precies mee bedoelde, maar Will Hutton moest duidelijk over iets zachters en zoeters schrijven. Het toont mooi de contradicties tussen de inschatting van een journalist en de commerciële inschatting die zegt: kranten verkopen!”

Uw boek dateert van voor de kredietcrisis. Bespoedigt de financiële crisis de teloorgang van de journalistiek?

Davies: “Ik zie drie fasen in de neergang van de journalistiek. Fase een: in de jaren 80 en 90 nemen grote bedrijven kranten over en ze commercialiseren het nieuws. De kwaliteit gaat achteruit, de lezers zijn ontevreden en ze haken af. Maar de ondernemingen zijn nog altijd bijzonder gelukkig, want ze verdienen tonnen geld met advertenties. Fase twee: de komst van internet zorgt voor het verdwijnen van nog meer lezers, maar vooral: de adverteerders vinden een alternatief dat veel goedkoper is. Dat zorgt voor een echte crisis die het businessmodel van de klassieke papieren krant zwaar onder druk zet.”

'Ik zie drie fasen in de neergang van de journalistiek: de commercialisering, de komst van het internet, en de kredietcrisis'

“De derde fase is de kredietkrisis. Het verlies aan advertenties komt in een stroomversnelling. De vraag is of adverteerders en lezers braaf zullen terugkeren naar de krant wanneer de kredietcrisis straks overwaait. Ik ga ervan uit dat het niet zo zal zijn. Ik geef een voorbeeld. In Groot-Brittannië is de National Health Service jarenlang de grootste adverteerder geweest van kwaliteitskranten. Elke keer dat ze een dokter, een administratief medewerker of een verpleger zochten, adverteerden ze. Nu hebben ze een fantastische website waarop ze die vacatures kenbaar maken. Dat geeft hun twee geweldige voordelen: het is gratis en iedereen die voor hen wil werken, weet waar te zoeken. Ze bereiken hun potentieel perfect, zonder dat het hen een cent kost. Waarom zouden zij dan ooit weer dure advertenties plaatsen in de krant?”

Is er een alternatief businessmodel?

Davies: “Ik ken het antwoord op die vraag niet en dat maakt sommige mensen behoorlijk boos. Ik besef dat ik een behoorlijk zwart en agressief boek heb geschreven zonder licht aan de einder. In het laatste hoofdstuk zeg ik dat er voor sommige problemen gewoon geen oplossing bestaat. Als de dokter tegen je zegt dat je een grote tumor hebt die je niet kunt overleven, dan word je razend. Dat lijkt niet eerlijk. Maar dat is wellicht waar we vandaag staan: aan het begin van het einde van de journalistiek.”

Rupert Murdoch
Nick Davies over mediamagnaat Rupert Murdoch (foto): 'De dag dat we in een ander gebouw zijn gaan zitten, verloren we onze slagkracht. Het is Rupert Murdoch die onze macht gebroken heeft.' (CC BY-SA 2.0 Eva Rinaldi (Wikimedia))

Waarom verzetten journalisten zich niet? Waarom vechten ze niet voor het overleven van hun beroep?

Davies: “Simpel: omdat het niet meer kan. In Groot-Brittannië situeert het scharniermoment zich op 26 januari 1986. Die dag verhuisde Rupert Murdoch zijn kranten naar Fort Wapping, een groot complex, weg van Fleet Street, waar de Britse kranten vroeger gevestigd waren. De klassieke ‘print units’ ruilde hij in voor een elektronisch printproces. Op die manier werd de lijn tussen de journalisten en het printproces volledig doorgeknipt. Meteen waren journalisten hun machtigste wapen kwijt. Zelfs als we allemaal samen buiten wandelen, dan nog kunnen we het publiceren van nieuws niet tegenhouden. De bazen stouwen de krant desnoods vol met stukken van nieuwsagentschappen. De dag dat we in een ander gebouw zijn gaan zitten, verloren we onze slagkracht. Het is Rupert Murdoch die onze macht gebroken heeft.”

Laten journalisten niet gewoon te veel over zich heen lopen?

Davies: “Niet echt. De meeste mensen die journalist willen worden zijn goede mensen. Doorgaans zijn het idealisten die de waarheid over de wereld willen vertellen en overtuigd zijn van het belang daarvan. Alleen produceren ze vaak slechte journalistiek omdat ze voor slechte organisaties werken. Het is bijzonder moeilijk om goede dingen te doen in een zieke omgeving. Je kan dan zeggen 'fuck it', wegwandelen en iets anders doen. Zo red je misschien je morele positie, maar je geeft ook op. Het alternatief is blijven en vechten. En ja, in dat soort gevechten sneuvelen journalisten. Het is verre van evident, maar volgens mij doen we er goed aan om te vechten. Desnoods op eigen kracht, in kleine organisaties. Het is de enige manier om de journalistiek te helpen overleven.”

Als reactie op fast food kwam slow food. Misschien is het na massamedia wel tijd voor minimedia? Trage versus snelle journalistiek.

'Breken met de grote mediahuizen is een dappere keuze, maar je hebt als professionele journalist ook het recht om te eten'

Davies: “Breken met de grote mediahuizen is een dappere keuze, maar je hebt als professionele journalist ook het recht om te eten. Het is niet schandalig om voor je werk betaald te worden. De vraag is hoe je een klein project financiert. Ik zou perfect tevreden zijn met een overheid die voor echte journalistiek betaalt. Het is van levensbelang dat de overheid zich nooit kan bemoeien met de inhoud, maar het model waarbij overheidsgeld naar een onafhankelijk fonds gaat dat op basis van duidelijke criteria beslist hoe het geld wordt verdeeld, zou me perfect gelukkig maken. Het probleem is dat overheden vandaag weinig geld hebben door de crisis. Bovendien win je er geen verkiezingen mee. Mensen vinden het helemaal niet zo erg dat kranten langzaam doodgaan. Wat ik probeer te doen is de kwaadheid zodanig op te poken dat mensen goesting krijgen om de journalistiek te redden. (lacht)

Misschien kunnen de Verenigde Naties een budget voorzien voor degelijke journalistiek.

Davies: “Ze hebben daar alleszins massa’s geld om conferenties te organiseren en rapporten te schrijven die nauwelijks iemand leest. Ze zouden het kunnen doen. Mijn ervaring is dat journalisten die in een heel beperkte niche aan de slag gaan echt expert worden in hun vak en geïdentificeerd raken als de unieke bron over een welbepaald onderwerp. Vandaag hebben zij het meest kans op slagen. (enthousiast) Het Zuluprincipe zal zegevieren!”

Euhm …

Davies: “Nog nooit van het Zuluprincipe gehoord? Ik heb er mijn hele leven naar ingericht. Honderden jaren hebben Afrikaanse stammen met elkaar gevochten door zich in twee lijnen parallel tegenover elkaar op te stellen. Die twee lijnen kwamen naar elkaar en vochten. De Zulu’s zeiden: ‘Fuck that. De andere kant mag dan in een lange lijn gaan staan, wij stellen ons op in de vorm van een pijl en we concentreren al onze kracht in één punt. Daarmee breken we door de linie, branden de achterliggende dorpen plat en stelen de vrouwen.' Als je expert bent en beter dan eender wie, dan word je rijk. De generalist zal zijn dorp plat gebrand zien.”

Even terug naar de lezer. Er lijkt een soort paradox te bestaan. Zijn vertrouwen in de media heeft een dieptepunt bereikt, en toch koopt hij bij voorkeur pulpbladen en tabloids. Hoe verklaart u die paradox?

Davies: “Ik vrees dat de lezer niet meer om de waarheid geeft. Mensen kopen helaas kranten om naar de foto’s van naakte vrouwen te kijken, voor de sportuitslagen en voor de kruiswoordraadsels. Daarnaast lezen ze graag verhalen die hen beroeren: grappige, nietszeggende stukken of misdaadstukken waarvan ze kunnen walgen. Ze willen huiveren bij de gedachte aan een uitbraak van de varkensgriep die hen volgende week kan doden. Het is gewoon entertainment. Een beetje zoals fictieboeken ook graag gelezen worden. Lezers weten wel dat het niet waar gebeurd is en toch lezen ze verder.”

De onvermijdelijke vraag dan maar: was het vroeger beter?

'Vandaag is er geen belangwekkend politiek debat meer omdat er amper nog verschillen zijn tussen de mainstream politieke partijen. Het gaat enkel nog om de vraag hoe met kapitalisme om te gaan'

Davies: “Tijdens mijn leven is er in ieder geval een belangrijke culturele shift geweest. Vandaag is er geen belangwekkend politiek debat meer omdat er amper nog verschillen zijn tussen de mainstream politieke partijen. Het gaat enkel nog om de vraag hoe met kapitalisme om te gaan. Logischerwijze hebben mediaconsumenten dan ook steeds minder zin in politieke berichtgeving. Parallel daaraan is ook de manier waarop mensen zich identificeren veranderd. Vroeger gebeurde dat in politieke termen, vandaag zijn we bovenal consument, niet van plan om de werkwijze in onze fabriek aan te klagen of de ziekteverzekering te redden. We denken gewoon: hoe kan ik een nieuwe auto kopen?”

Is er dan nog wel nood aan journalistiek?

Davies: “De vraag ernaar is zonder enige twijfel sterk gedaald, maar moeten we daar rekening mee houden? Nieuws is een bijzonder goed om te verkopen. De meeste goederen worden afgestemd op wat de mensen graag willen, maar kranten zouden moeten zeggen: het kan me geen lor schelen wat mensen willen lezen, onze job is om te zeggen wat ze zouden moeten lezen!”

“Neem het voorbeeld van de hoofdredacteur in Texas in de jaren vijftig. De lezers van zijn krant zijn allemaal blanke Amerikanen uit de middenklasse. Ze weten wel dat er aan de andere kant van het spoor zwarten zijn waar fantastische, boeiende en belangwekkende verhalen over te vertellen zijn. Waarom kunnen ze niet naar de witte scholen? Waarom hebben ze geen degelijke jobs en huizen? Waarom zitten jonge zwarten vaak in gevangenissen? Alleen lezen ze er niets over in hun krant. De hoofdredacteur geeft zijn lezers immers wat zijn lezers willen lezen, en dat zijn geen verhalen over zwarten maar wel verhalen over nieuwe rages voor tuinfeestjes en over garages met kantelpoorten.”

“Dat is een keuze die niets met journalistiek heeft te maken. De taak van een journalist is niet om mensen te geven wat ze willen, maar om belangwekkende verhalen te schrijven. Zelfs als het waar is dat onze lezers gewoon consumenten zijn geworden, dan nog blijft het onze taak om hen te vertellen over ingewikkelde zaken als de Europese Unie.”

Kan je lezers die hebben afgehaakt ooit nog terugwinnen?

Davies: “Echt goede journalistiek is daartoe in staat. Arthur Christiansen, hoofdredacteur van de Daily Express op het moment dat het de best verkochte krant van Groot-Brittannië was, zei ooit: 'Onze taak is om lezers te interesseren in alles. Dat vergt ultiem vakwerk.' Neem nu het Verdrag van Lissabon. Dat is niet alleen zeer belangrijk, het is ook extreem complex en abstract. Dat verdrag uitleggen in een tekst van 1.000 woorden zonder lezers te verkleuteren, dat is wat we moeten doen. Maar daar stopt het niet. We moeten als journalisten ook beginnen te vertellen wat er allemaal verkeerd loopt in de media.”

Als we David Leigh, hoofd onderzoeksjournalistiek van The Guardian, mogen geloven, is dat laatste niet bevorderlijk voor de gezondheid. Naar aanleiding van het verschijnen van uw boek waarschuwde hij u: ‘If he’s a wise man, he won’t go out after dark for a long, long time.’

Davies: “Er was een klein groepje journalisten die werkelijk razend waren. In mijn boek noem ik journalisten en kranten bij naam. Ik wist dat ik mensen tegen me in het harnas zou jagen. Daarnaast was er ook een groep oudere ‘senior writers’ die niet te spreken waren over het feit dat iemand zulke slechte dingen schreef over hun beroep. Alles samen genomen waren het er misschien twintig. Ze waren wel extreem kwaad, en dat zijn ze nu nog altijd. Ze schrijven dwaze verhalen op blogs waarmee ze me willen raken. Roddels over mij persoonlijk en over mijn familie. Maar na een maand vol persoonlijke aanvallen keerde het tij. Andere journalisten kwamen me te hulp. Heel veel journalisten – lokale, nationale en zelfs internationale – staken me een hart onder de riem. Dat was zeer geruststellend. Het aantal journalisten dat me steunt, is veel groter dan het groepje mensen dat me aanvalt.”

Misschien is journalistiek dan toch niet dood?

Davies: “Het overgrote deel van de journalisten zijn goede mensen. Het zijn gewoon goede mensen die werken voor slechte bedrijven.”

Hoe werd je boek in de Britse media zelf onthaald?

'Mijn boek beschrijft hoe gemakkelijk het is voor pr-bureaus om de media te manipuleren. Ik heb hun pr-technieken gebruikt om publiciteit te krijgen'

Davies: “Het boek beschrijft hoe gemakkelijk het is voor pr-bureaus om de media te manipuleren. Ik heb hun pr-technieken gebruikt om publiciteit te krijgen: ik heb het boek in stukken verdeeld en de verschillende onderdelen aan verschillende kranten gegeven. Er waren uiteindelijk maar enkele kranten die geen recensie schreven. De meeste andere deden het wel, maar schreven er tegelijk wel iets lelijks in. Dat gaf mij dan weer de kans om een wederwoord te schrijven, zodat ik twee weken na elkaar publiciteit kreeg.”

In België hebben de belangrijkste kranten wel een recensie gepubliceerd, maar niemand interviewt je. Zijn ze bang?

Davies: “Dat vind ik een fantastische gedachte, maar ik twijfel eraan. Al hoor ik wel verhalen van journalisten die alle moeite van de wereld hebben om iets over Flat Earth News te kunnen schrijven of het ergens ver weg in de krant moeten wegstoppen.”

Misschien een vreemde slotvraag, maar hebt u kinderen?

Davies: “Ja, drie. Twee dochters en een zoon.”

Wat zeg je hun als ze straks journalist willen worden?

Davies: “Doe het! Omdat het enige wat de journalistiek kan redden idealistische, energieke, jonge mensen zijn die nog willen vechten. Ik zou dus zeggen: doe het, maar wees je ervan bewust dat je op een schip stapt dat zinkt.”

LEES OOK