Journalisten met een scherpe pen en een weerbarstig karakter schrijven over wat er echt toe doet. Nieuws, analyse, opinie en satire. Kritisch en ongebonden. Omdat het nodig is.

‘Ik ben de Quasimodo van ‘t Belfort, wachtend op zijn Esmeralda’

Van de winter blijf je maar beter weg uit Gent. De historische binnenstad is op zijn best een ijsbaan waar je hoogstens enkele botten breekt, op zijn slechtst een modderpoel waarin mensen al hun duurbetaalde schoenen onherroepelijk lopen te verprutsen. Op de koop toe is het Belfort gesloten tot in maart: even boven de half bevroren drab uitstijgen is onmogelijk. Behalve voor De Werktitel natuurlijk. Voor ons gingen krakend de poorten open terwijl wij voorzichtig traden in de voetsporen van Joris Rasemont (63), klokkenluider par excellence.

Door Tim F. Van der Mensbrugghe / Foto’s Hendrik Braet

Joris Rasemont, de klokkenluider van het Belfort van de stad Gent, staat voor zíjn monument, dat grijs en somber is, maar in leven gehouden wordt door een uitermate kleurrijk figuur.

Joris Rasemont, de klokkenluider van het Belfort van de stad Gent, staat voor zíjn monument, dat grijs en somber is, maar in leven gehouden wordt door een uitermate kleurrijk figuur.

Zachtjes dwarrelt de sneeuw uit het overladen wolkendek. Het is niet de eerste sneeuw van deze winter, dus veel sentimentele vertedering gevoelen wij niet meer als we een veilige doorgang proberen te negotiëren met de spekgladde kasseien van het Groot Begijnhof in Sint-Amandsberg. Gelukkig is het een zeer rustige buurt: als we op ons muil pletsen, heeft niemand het gezien en blijft ten minste onze eer intact.

Randen der beschaving

We zijn op zoek naar Joris, de klokkenluider van het Belfort. Wat een klokkenluider zo ver van het stadscentrum loopt te doen, Joost mag het weten. Klokkenluiders horen immer en altijd in de schaduw van hun toren te blijven. Daar zijn genoeg cafés te vinden, dus moeilijk kan dat niet zijn, enfin, toch niet in Gent. En in zijn categorie mag de Gentse Belforttoren dan de hoogste ter wereld zijn, zijn schaduw reikt beslist niet tot het verre Sint-Amandsberg, dat met zijn kronkelende wijken de randen der beschaving gedurig aftast.

Boven Gent rijst, eenzaam en grijst
‘t Oud Belfort, zinbeeld van het verleden
Somber en groots, steeds stom en doods

Pater Jan De Brabandere (r.) discussieert vinnig met de klokkenluider, die niet per se zijn geloof deelt, maar wel vele interesses.

We bellen aan bij het huisnummer dat Joris ons doorgespeeld heeft. Pater Jan De Brabandere, een dominicaan op rust, opent de deur en neemt ons mee naar zijn bureau, waar klokkenluider Joris al zit te wachten. Fotograaf en reporter krijgen elk een stoel toegewezen en doen er voor de rest noodgedwongen het zwijgen toe. De conversatie tussen pater De Brabandere en klokkenluider Joris is van zulke epische proporties dat jonge snuiters er niets aan bij te brengen hebben, als ze daar al de kans toe zouden krijgen. Men moet zijn plaats kennen. En vooral opletten dat men niet geraakt wordt door een van de vele ringen aan de vingers van Joris, die vervaarlijk met zijn handen zwaait zodra hij nog maar de minste lettergreep van onder zijn moustache laat ontsnappen.

Klokkenluider Joris verkondigt in het bureau van pater De Brabandere dat hij ongelovig is, maar aanleiding tot verhitte discussies over godsbewijzen geeft dat niet. De twee heren hebben het wel vurig over hun gedeelde passie: de parapsychologie. De Brabandere heet een ervaren exorcist te zijn en de klokkenluider heeft daar het grootste respect voor. De twee bestoken elkaar met woordenstromen waar de regisseurs van De zevende dag of Terzake onnozel van zouden komen. De pen van de reporter kan niet volgen terwijl de conversatie in een verschroeiend tempo van de hak op de tak springt.

Synthesizer

Jan De Brabandere luistert geamuseerd terwijl Joris Rasemonts uitweidt over de lotgevallen van het Lam Gods.

Jan De Brabandere luistert geamuseerd terwijl de imponerende Joris Rasemont nog eens een exposé afsteekt.

We vragen ons af of de klokkenluider en de pater elkaar elke week even hevig gebruiken als verbale sparringpartner. Raken die rakkers dan nooit uitgepraat? Maar dan daagt het ons dat we getuige zijn van een blij wederzien, na vele jaren geen contact te hebben gehad.

“Pater De Brabandere heeft zeer lang in Rome gezeten”, legt Joris uit. ”Hij had daar een hoge functie!”

“Ik was prior van het internationaal klooster bij de basiliek van Santa Maria Maggiore”, glimlacht de pater met de minzaamheid die we gewoon zijn van zielenherders op leeftijd.

De Brabandere toont ons zijn levensverhaal met een collectie foto’s, waarop we hem meermaals zien staan met wijlen paus Johannes Paulus II en huidig kerkvorst Benedictus XVI. “Ne goeie vent“, drukt de pater ons op het hart over the pope formerly known as Joseph Ratzinger.

Van de voormalige prior zelf moeten we echter niet al te veel theologische scherpslijperij verwachten: zijn grote passie blijft de muziek. Als componist schrijft hij nog altijd nieuw werk. En lang voor de eerste elektronische beats door de discotheken galmden, was hij zelfs een pionier van de synthesizer. “Die moesten we vroeger nog zelf in elkaar steken”, zegt hij. “Nu hou ik me daar niet meer mee bezig. Ik schrijf tegenwoordig eerder klassiek werk. Kom, ik zal u eens iets laten horen: de stilte in de muziek.” De vriendelijke dominicaan neemt ons mee naar een kapel waar een klein orgeltje staat.

Pater De Brabandere

Met een liefkozende hand op zijn mooie orgel geeft pater Jan De Brabandere uitleg over de stilte in de muziek.

‘Klein orgeltje’ blijkt een al te neerbuigende omschrijving. “De grote orgels in de Gentse kerken trekken op niets”, zucht De Brabandere. “Die dingen piepen dat het pijn doet aan mijn oren. Dit instrument, een oud toestel uit Italië, is veel beter. De klank is mooi rond, zoals het hoort. Kun je geloven dat men hier speciaal vanwege dit instrument cd-opnames komt maken?”

Jan De Brabandere draait zich om en begint te spelen. Hij overvalt ons niet met een of ander obscuur kerkelijk lied, maar tovert zonder schroom het overbekende ‘Stille nacht’ uit zijn klavier, in de originele versie van componist Franz Gruber. Als de laatste noten wegsterven, betuigt hij zijn respect voor Gruber, maar voegt eraan toe: “Ik ga nu een versie spelen die eigenlijk veel beter is. Let op de stilte!” Het is hetzelfde lied dat we horen, maar inderdaad: het valt dit keer minder plomp onze oorschelpen binnen. Een versie van ‘Stille nacht’ die zowaar elegant klinkt, wie had dat kunnen denken?

Begrafenisondernemer

Een bisnummer zit er echter niet meer in. Als geestelijke op rust heeft ook pater De Brabandere een gevulde agenda. Na een warme handdruk staan we weer op straat. Gelukkig hebben we Joris meegekregen. Tijd om de klokken te gaan luiden? Dat zal wel zijn!

Al wandelend richting centrum geeft Joris tekst en uitleg bij het paranormale. “Als er iemand overlijdt, verlaat zijn ziel het lichaam”, doceert hij. “Al zeer lang probeert men te bepalen hoeveel zo’n ziel weegt. Daar gebruikt men tegenwoordig zelfs lasertechnieken voor.”

Opeens schrikt onze gids zich een serieuze hoed. Hij grijpt naar zijn hart. “Wat?! Hoe is dat mogelijk? Dat kan geen toeval zijn!”, stamelt de man met opengesperde ogen. We volgen zijn blik en zien de etalage van een begrafenisondernemer. Geen toeval? Is het niet gepaster te zeggen: wát een toeval? Natúúrlijk is het toeval? We zwijgen echter. Laat ons het toeval vooral niet uitdagen. Straks rijdt er een bus die etalage binnen en liggen wij erbij. Zulke dingen gebéúren.

Wreed accident

Onder Joris' indrukwekkende wenkbrauwen gaan ogen schuil die werkelijk alles zien.

“Kom, laat ons over iets anders praten”, stelt Joris voor. Terwijl we nadenken over een nieuw onderwerp, houden reporter, fotograaf en klokkenluider hun blik strak op het glibberige voetpad gericht. Een wreed accident met een autobus vermijden en vijf meter verder schielijk komen te verscheiden wegens een neerwaartse plets op het eigen aangezicht? Neen, dank u, wij kijken wel uit waar we onze voeten zetten. Joris ziet echter dingen die zijn trouwe volgelingen voor één dag niet opmerken. Om de vijf botten haalt hij de een of andere schat van onder de sneeuw: een juweel, een mooie steen, een vijs.

“Ik zie alles”, poneert de laatste torenwachter van het Gentse Belfort als hij weer een vondst in zijn verkleumde handen houdt. “Inderdaad, hij ziet werkelijk alles”, fluit de fotograaf even later bewonderend als Joris op een school aalscholvers wijst die middagpauze houden bovenop een dak.

“Ik praat met de vogels”, knipoogt Joris. “De meeste mensen horen hun taal niet. Ze zijn bang voor de gekte, terwijl ze zelf beter in het zothuis zouden gaan zitten. Een beetje kinderlijke fantasie kan echt geen kwaad, hoor. Maar ach, ik heb niet veel mensenkennis. Ik ben maar de Quasimodo van ‘t Belfort en ik moet mijn Esmeralda nog ontmoeten.”

Magie

De klokkenluider is echter geen wereldvreemde zonderling die enkel oog heeft voor wat op het trottoir ligt of op de daken leeft. Zelfs met het weinige volk dat zich op straat durft te begeven is het voortdurend van “Ah, Joris, hoe is ‘t?” alhier en “Moh, Joris, ça va?” aldaar. Iedereen krijgt een hartelijke groet terug, maar zodra die kennissen gepasseerd zijn, fluistert Joris: “Dju, ik ken zodanig veel mensen, dat ik vaak niet weet vanwáár ik ze ken, laat staan hoe ze heten.”

Bijna plechtig vervolgt hij: “Ik heb contact met de aarde, de natuur en het volk, eerder dan met de hemel. Mijn vader was een calvinist, maar ik mocht kiezen waarin ik geloofde.” Waarin gelooft hij dan? In magie? In een orde der dingen die de loutere fysica van de elementen overstijgt? In de verborgen poëzie van de wereld? Misschien dat dat laatste er nog het dichtst bij komt: de klokkenluider wijst erop dat hij niet voor niets de achterneef is van schrijver Johan Daisne.

Begerig

Het toeval is ons gunstig gezind: in bakkerij Dossche liggen er twee speculooskoeken in de vorm van de draak van het Belfort te wachten.

Even later zijn we er zelf getuige van hoe het toeval zich op welhaast magische wijze kan manifesteren. Op een steenworp van het Belfort wil Joris nog gauw een koffie drinken bij bakkerij Dossche in de Onderstraat. Joris is er vaste klant en wijst ons op de houten deegvormen die uitgestald staan.

“Kijk, een van die mallen is een torenwachter van het Belfort.” Opeens worden zijn ogen groot: “Oh, en de draak staat er ook tussen!”

Meer zelfs: de bakker heeft net twee speculooskoeken gemaakt in de vorm van de draak van het Belfort. Joris’ ogen blinken begerig. Hij haalt zijn portemonnee – een plastic zakje vol muntjes en ander metaal –

boven en koopt er meteen één.

Djingeldjangel

Het is één van de voordelen van de job van klokkenluider: je bepaalt zelf hoe je dag eruit ziet, zolang je het uurwerk maar niet vergeet op te winden. Als het Belfort om het kwartier van djingeldjangel blijft doen, hoeft Joris geen boze telefoons te verwachten van burgemeester Daniël Termont (sp.a).

“Ik doe dit al zeven jaar”, zegt de klokkenluider. “Ik ga nooit op reis, en ben nooit ziek, zodat ik elke dag opnieuw minstens één uur in mijn Belfort zit. Maar kom, we zijn ne keer gaan zien, zeker?”

Fotograaf en reporter knikken gretig van ja. We zijn nu al een halve dag op schok met Joris, maar klokken hebben we hem nog niet zien luiden. Bij het Belfort haalt Joris een sleutelbos boven waar je gerust een struise boer mee van zijn paard kunt slaan. De klokkenluider opent het achterdeurtje van de toren en wenkt ons naar binnen.

Gietijzeren spits

Gesterkt door de cafeïne en de ambachtelijke speculoos kunnen we eindelijk beginnen aan de beklimming. Dertien verdiepingen telt het Belfort, maar toeristen mogen niet hoger dan de derde verdieping. Pas op: dan zit je wel al hoog boven de stad. De onderste vier verdiepingen, de kelder incluis, zijn namelijk vele meters hoog, terwijl de bovenste niveaus heel wat lager zijn. Een lift brengt de bezoekers van de eerste naar de derde verdieping.

“Die lift was onlangs een hele tijd stuk”, zucht Joris. “Elke dag opnieuw alle treden bestijgen en afdalen, ik zweer het u dat ik daar toch een paar kilo’s mee kwijtgespeeld ben.”

In de kelder van het Belfort staat de laatste originele torenwachter tussen drie gipsen replica's. De vier beelden vertegenwoordigen de oude militaire hoofdgilden, die overigens nog alle vier actief zijn.

We arriveren op de eerste verdieping. “Dag draken”, groet Joris de voorgangers van het monster dat sinds 1980 op de spits van het Belfort staat. De oudste draak is niet veel meer dan een roestig geraamte, maar de zeer specifieke vorm is nog herkenbaar. Naast de draken staan grote, houten modellen van de torenspits zoals hij er vroeger heeft uitgezien. “Want vergis u niet, de huidige spits staat er nog maar op sinds 1913, toen men vaststelde dat de gietijzeren spits uit 1851 begon door te roesten”, doceert Joris. “De toren is in de loop der eeuwen al vele malen van aanschijn veranderd.”

Leugens

Van Joris moeten we verder geen rondleiding verwachten langs alle historische prullaria. “Ik ben klokkenluider, geen gids”, verklaart hij. “Al heb ik hier al veel gidsen leugens horen vertellen.” We nemen de lift naar de uurwerkkamer, waar zich het kloppende hart van de klokkentoren bevindt. Het mechanisme moet elke dag manueel opgewonden worden. Joris begint alvast lustig te slingeren.

Treurt d’ oude Reus op het Gent van heden
Maar soms hij rilt, en eensklaps gilt
Zijn bronzen stemme door de stede

Het uurwerk is opgewonden en Joris controleert de tijd. De klok staat een minuut achter en Joris past de tijd aan. “Dat is de macht van de klokkenluider: hij bepaalt wanneer je sterft in de stad. (met opgeheven vinger) Aha, maar luister, het gaat subiet beginnen.”

‘Het’, dat is het deuntje dat om het kwartier weerklinkt. Met een lichte schok zet het raderwerk zich opeens in gang en de logge speeltrommel begint traag te draaien. Het is feitelijk een muziekdoos, maar dan vele malen groter en zwaarder dan de versies die je in de speelgoedwinkel kunt kopen. Het zestiende-eeuwse gevaarte zit vol gaatjes die er manueel in gevijld werden. In die gaten steekt men metalen pinnen. Met de juiste plaatsing van die pinnen creëer je in de bovenliggende klokkenkamer welluidende melodieën. Op de plek waar wij ons bevinden overstemt het geraas van het radarwerk het gelui van de klokken echter.

“Kom, we gaan de klokken bezoeken”, zegt Joris als het lawaai is uitgestorven. Maar eerst doen we de rondgang, het summum voor de toeristen: dit is het hoogste punt van waaruit ‘gewone’ mensen Gent kunnen bekijken. Het anders zo imposante Gravensteen ziet eruit als een Playmobilkasteeltje. De vlakbij gelegen Sint-Baafstoren wordt geknecht door zijn burgerlijke evenknie.

“Het Belfort is het symbool van de democratie, van de macht van de burgers”, stelt Joris. “Dit is de hoogste van de drie torens van Gent. Hij bewijst dat de burgers belangrijker zijn dan de kerk.”

Slijk

Vanuit de toren zien we dat er op het nabijgelegen Braunplein weer kelders blootgelegd zijn, de laatste restanten van de wijk die zich vroeger genesteld had tussen de Sint-Niklaaskerk, het stadhuis en het Belfort. “En de stad zal ook die kelders waarschijnlijk voorgoed afbreken om plaats te ruimen voor de stadshal die op het plein moet komen”, moppert Joris. “Ik heb al gezegd dat ze glas boven die kelders moeten plaatsen, zodat de mensen weten wat er hier vroeger was. Maar men wil niet luisteren. Jammer, want de Gentenaars zijn allemaal tégen die nieuwe stadshal.”

Vanuit de hoogte komt het middeleeuwse stratenpatroon van de stad veel beter tot zijn recht. De laatste tijd is Gent sowieso al goed bezig om zijn authentieke grandeur te herwinnen: door de vele werken in het centrum is er in een wijde omtrek nauwelijks nog sprake van wegverharding, juist gelijk in de tijd van toen. Toeristen en bewoners ploeteren al te gader door het slijk, dat nooit helemaal lijkt te bevriezen. Romantici die zich zoeken te vergapen aan de middeleeuwse pracht en praal, maar de bijbehorende smurrie verwensen, mogen al content zijn dat de bruine drek die aan hun schoen kleeft tegenwoordig gewoon natte aarde is. Op straat schijten doen wij niet meer. Zelfs onze honden gebruiken een openbaar toilet (tenzij hun baasje een ingeweken West-Vlaming is of zo).

Waterspuwer

Het is drie uur 's middags. De speeltrommel zet de sneeuwklokken in gang, maar Joris gooit er manueel nog wat dreunen bovenop.

“Wat moeten toeristen eigenlijk doen als ze helemaal boven staan en dan opeens beseffen dat ze moeten pissen?”, vraag ik nieuwsgierig aan Joris. “Want ik heb hier nog nergens een toilet gezien.”

“O, de heren kunnen door dit roostertje plassen”, wijst Joris lachend. “Dan stroomt dat mooi langs de waterspuwer naar beneden, op de mensen hun hoofd.”

“En de vrouwen?”

“Ah, die zet ik in een nis in een weinig gebruikte gang hier achter de hoek. Ik hou natuurlijk wel de wacht, hé.”

Reusachtige stormklok

Joris neemt ons mee op de wenteltrap naar de klokkenkamer. Het is er ijzig koud. De sneeuw is door de grote tralievensters tot op de klokken gestoven. Hier hangt het volledige arsenaal van de Gentse beiaard. (De reusachtige stormklok, Klokke Roeland III of de Michielsklok, palmt eenzaam en alleen de tweede verdieping in.) Het houten hok van de beiaardier bevindt zich tussen de klokken.

Joris opent de deur en verrast stellen we vast dat het er aangenaam warm is. “De temperatuur en de luchtvochtigheid moeten constant blijven”, verklaart Joris. “De chauffage staat niet aan voor de muzikant maar voor zijn instrument. Anders trekt dat hout krom of begint het te schimmelen.”

Zicht op de Sint-Jacobskerk en het stadhuis vanuit de klokkenkamer van het Belfort.

Nog een verdieping hoger en we staan buiten, op een rondgang naast de eigenlijke spits. De draak heeft zich met haar kont naar ons gedraaid. “De draak voorspelt het weer twee dagen op voorhand”, weet Joris. “Nu staat ze naar het noorden gericht, wel, ik kan u verzekeren dat het over twee dagen nog kouder zal zijn dan nu.”

“Ze?”

“Ja, de draak is een vrouwtje. Ze is zwanger”, grijnst Joris. “Ze zit met een ei.”

Sfeerverlichting

In de houten spits zitten nog eens acht verdiepingen verborgen, ontdek ik. De houten constructie herbergt een wenteltrap die helemaal naar boven kronkelt. De fotograaf is echter niet meer mee om het vernuft van de oude bouwmeesters te bewonderen: de hoogte deed hem duizelen.

Het schemert reeds als we de spits weer verlaten. De sfeerverlichting is aangefloept. Het zicht is zoveel feeërieker, de structuur van de stad nog herkenbaarder. Dat mijn vingers bijkans van mijn poten vriezen, kan me niet schelen als ik zo’n panorama in ruil kreeg.

“Da’s toch werkelijk magnifiek, hé”, mompel ik in een subjectieve oprisping.

“Prachtig. Ik ben blij dat ik dat elke dag opnieuw mag aanschouwen”, bevestigt Joris. “De grootste dienst die ik aan de stad Gent kan bewijzen, is tot het einde van mijn leven de klokken blijven luiden. (glimlacht) Ik hoop dat ik sterf in mijn toren in plaats van in mijn bed.”

We vatten de terugtocht aan, blij dat er een lift geïnstalleerd is in de kille reus. Door zijn vele metalen ringen verkleumen Joris’ vingers extra snel. Tegen dat we beneden staan, kan hij nauwelijks nog de sleutel omdraaien in het slot. “Koud dat het is, jongens toch! En zeggen dat ik dat hier allemaal doe voor 10 euro netto per dag!” Gelukkig is café Den Turk vlakbij om weer op temperatuur te komen.

Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Mijn morele steun heeft dit project al. Hoe kan ik ook financieel bijdragen?

5 Reacties

  1. Amai zeg, ferm jaloers, dat ben ik!

  2. werkelijk om van te smullen dit verhaal – nog van dat susskind-achtige genre

  3. Mooi! Een leven is meer dan 25 lijnen waard… Apache is het bewijs.

  4. Heel interessant en goed geschreven.
    Ik ben zelf nog nooit in het Belfort binnen geweest vanwege hoogtevrees
    maar, ik denk dat ik toch eens een kans waag om onze mooie stad uit een ander perspectief
    te bekijken.

  5. Goed nieuws voor liefhebbers van de Gentse torens,
    De eerste weekends van maart (6&7; 13&14) is het belfort te bezoeken van 10.00u tot 18.00u.
    Vanaf 15 maart is het belfort weer dagelijks te beklimmen.